ECLI:NL:RBNNE:2026:1207

ECLI:NL:RBNNE:2026:1207

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 30-03-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer LEE 26/648
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor het vellen van drie bomen. Motiveringsgebreken. Voorlopige voorziening toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

E.J.W. Maarsingh en M. Brinkman, uit [vergunninghouder] , verzoekers

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/648

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college

(gemachtigden: R.E. van Houdt en G. Demandt).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] (vergunninghouder).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het vellen van drie bomen op het adres [adres] . Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel volgende) beroepsprocedure niet.

Procesverloop

2. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de kap met het besluit van 2 februari 2026 verleend aan de vergunninghouder. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft per e-mail een document gestuurd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hier waren aanwezig: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college en de vergunninghouder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

3. Op 29 oktober 2024 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen.

4. In het besluit van 2 februari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend onder verwijzing naar de Omgevingswet (Ow), de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APGV) en de Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022 (de beleidsregels). De regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Is er onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening een belangrijke rol of er sprake is van ‘onverwijlde spoed’; of het gezien de betrokken belangen nodig is om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de gevolgen van de kap van de drie bomen onomkeerbaar is. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.

Standpunten partijen:

6. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij zeer gesteld zijn op hun lommerrijke woonomgeving en dat zij er belang bij hebben dat er zoveel mogelijk grote bomen in hun wijk behouden blijven. Verzoekers wijzen op het algemene belang omdat de bomen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en dus een belangrijke bijdrage leveren aan de openbare ruimte. Daarnaast hebben zij gewezen op de gunstige effecten van de bomen op het klimaat en de ecologische waarde van deze bomen, waar veel dieren in leven. Zij vinden dat het college de verschillende belangen niet goed heeft afgewogen en de omgevingsvergunning onvoldoende heeft onderbouwd.

Verzoekers betogen onder meer dat voor de kap van boom 1 geen zelfstandig dragende reden aanwezig is. Boom 3 zou volgens verzoekers niet gekapt mogen worden omdat de wortels van deze boom eerst (bewust) zijn beschadigd. Mocht toch tot kap van boom 3 worden overgegaan dan moet een verzwaarde herplantplicht worden opgelegd voor een boom met een stamomtrek van méér dan 25-30 centimeter. Tegen de kap van boom 2 hebben verzoekers zich in eerste instantie niet verzet, omdat zij ervan uitgingen dat het daar dan bij zou blijven. Het college had de aanvraag voor de andere twee bomen namelijk in eerste instantie geweigerd. Omdat het nu toch om meerdere bomen gaat, verzetten verzoekers zich dan ook tegen de kap van boom 2, die volgens hen verder ook niet is onderbouwd.

Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de omgevingsvergunning in overeenstemming met de APVG en de beleidsregels is verleend. Het college verleent in beginsel alleen velvergunningen na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal een van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”. Tijdens de zitting is door de gemachtigden van het college nader toegelicht dat voor wat betreft alle drie de bomen het ontwerp van de nieuwe tuininrichting een dringende reden oplevert op basis van de APVG en de beleidsregels. Ook heeft het college aangenomen dat er sprake is van “dringende redenen” omdat de bomen in de zijtuin een aanzienlijk rendementsverlies van de energie-opwekkers geven. Voor boom 2 en 3 speelt daarnaast de kwaliteit van deze bomen een rol bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het vellen. Volgens het college is in dit geval voor het criterium “kwaliteit” de conditie en de levensverwachting van de bomen bijgesteld naar ‘matig’ omdat de bomen een afnemende vitaliteit en levensverwachting tonen. Hierbij heeft het college aangegeven dat de kans op windworp aanzienlijk is door ernstige wortelschade waardoor sprake is van instabiliteit. Ten slotte speelt voor boom 3 ook nog het criterium “overlast”.

Kon het college de omgevingsvergunning in redelijkheid verlenen?

7. Voor het vellen van houtopstanden is een omgevingsvergunning vereist. Op grond van het geldende beleid, verleent het college in beginsel vergunningen alleen na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal een van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen” (uitgewerkt in de beleidsregels). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is deze belangenafweging in de verleende omgevingsvergunning niet deugdelijk gemotiveerd. Hieronder wordt dit uitgelegd.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in het bestreden besluit het belang van het behoud van de bomen alleen in algemene termen is geduid en dat uit het besluit onvoldoende blijkt hoe het belang van deze drie specifieke bomen is betrokken bij de belangenafweging. Het college benoemt wel het behoud van een lommerrijke woonomgeving en het zoveel mogelijk behouden van groen en, waar mogelijk, uitbreiden daarvan. Maar uit het besluit blijkt niet hoe dat belang in de afweging is betrokken en welk gewicht daaraan is toegekend. Ook is niet inzichtelijk gemaakt hoe de waarde van de bomen voor het (leef)klimaat en de ecologische waarde zijn gewogen. Het bestreden besluit is alleen al daarom niet zorgvuldig afgewogen en niet voldoende gemotiveerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college de beslissing over boom 1 en 3 wel heeft uitgelegd aan de hand van de genoemde criteria, maar dat er voor boom 2 door het college überhaupt geen onderbouwing is gegeven voor de beslissing. De redenen die het college voor boom 1 en 3 heeft gegeven, worden hieronder besproken.

Is er sprake van “dringende redenen” als bedoeld in de Beleidsregels?

8. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels toetst het college een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang van het behoud van de houtopstand en op het belang dat gediend is met het verwijderen van de houtopstand. Op grond van artikel 2, zevende lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels wordt bij het criterium “dringende reden” getoetst aan de aspecten ruimtelijke ontwikkeling, bouwplan, rendementsverlies energie-opwekkers, sloopmelding en groot onderhoud.

Uit de toelichting bij de beleidsregels blijkt dat als sprake is van een bouwwerk, het college bij het toepassen van het criterium ‘dringende reden’ moet onderzoeken (binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan) in hoeverre het bouwplan aangepast kan worden waardoor de houtopstand kan blijven staan. Voor wat betreft het rendementsverlies van energie-opwekkers is hierbij aangegeven dat een van de voorwaarden om dit als “dringende reden” te kunnen aanmerken is dat het rendementsverlies veroorzaakt door de houtopstand aantoonbaar minimaal 1/3 minder moet zijn ten opzichte van de verwachte opbrengst van de energie-opwekkers zoals die geplaatst zijn.

Uit het dossier blijkt dat vergunninghouder de aanvraag voor het vellen van de bomen heeft ingediend vanwege haar tuinplan, waarin onder meer een bouwplan voor een sauna is verwerkt. Daarnaast heeft zij aangegeven dat de bomen in de tuin ook een aanzienlijk rendementsverlies van de nog te plaatsen zonnepanelen geven.

Ter zitting heeft het college meegedeeld dat vergunninghouder een tuinontwerp heeft aangeleverd en dat het college dit ontwerp heeft beoordeeld. Hierbij is het college tot de conclusie gekomen dat over het tuinontwerp goed is nagedacht. Tijdens de zitting werd duidelijk dat het college aan mogelijke alternatieven voor het tuinontwerp geen aandacht heeft besteed, omdat deze inrichting van de tuin het college het meest logisch voorkomt en het college de aanvraag heeft beoordeeld zoals die is gedaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de toelichting die is gegeven, onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een “dringende reden” zoals bedoeld in de beleidsregels. Het college heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt of en hoe eventuele alternatieve tuinontwerpen zijn onderzocht en beoordeeld waarbij (een deel van) de bomen kunnen worden behouden. Gelet op de toelichting bij de beleidsregels had dat wel van het college verwacht mogen worden. Voor wat betreft het rendementsverlies van de zonnepanelen door boom 3 overweegt de voorzieningenrechter dat het college in het bestreden besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt dat is onderzocht op welke locaties op het perceel zonnepanelen zouden kunnen worden geplaatst en of er een alternatief mogelijk is waardoor boom 3 zou kunnen worden behouden. Bij een ‘nee, tenzij’-beleid (dat het college stelt te volgen) had dat wel in de rede gelegen. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat in de beleidsregels is opgenomen dat bij de berekening van het rendementsverlies moet worden gekeken naar de energie-opwekkers ‘zoals deze zijn geplaatst’. Het college heeft niet gemotiveerd waarom ook een potentieel rendementsverlies van nog niet geplaatste energie-opwekkers kan leiden tot het aannemen van een dringende reden voor de kap van bomen.

Wordt voldaan aan het criterium ‘kwaliteit’ als bedoeld in de beleidsregels?

9. Op grond van artikel 2, derde lid, van de beleidsregels toetst het college voor het criterium “kwaliteit” (levensverwachting) de aspecten: a. goed, > 15 jaar; b. voldoende, tussen de 10-15 jaar; c. matig, tussen de 5-10 jaar; en d. slecht, < 5 jaar.

In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat de kwaliteit van de bomen matig is en dat het uitvoeren van een onderhoudsmaatregel geen oplossing biedt voor het behoud van de bomen. Aan het bestreden besluit heeft het college het rapport van Salix boomzorg van 11 juli 2025 ten grondslag gelegd. Dat rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghouder. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college nader toegelicht dat de boomspecialist van het college de locatie zelf heeft bezocht en dat hij de bomen voor wat betreft de kwaliteit als matig heeft beoordeeld. Ook heeft de boomspecialist van het college beoordeeld of het rapport van Salix deugdelijk is en of dit rapport aan het besluit ten grondslag gelegd kan worden. De boomspecialist heeft tijdens de zitting aangegeven dat deze drie bomen tussen de 30 en 40 jaar oud zijn en dat de levensverwachting van deze bomen, gelet op de matige staat, maximaal 50 tot 60 jaar is.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de kwaliteit van boom 2 en 3 precies is beoordeeld. Zoals hierboven al is overwogen, is er over de kwaliteit van boom 2 helemaal geen onderbouwing aanwezig. Het rapport van Salix boomverzorging heeft namelijk alleen betrekking op boom 3. Ook is in het dossier geen schriftelijke verslaglegging of rapportage opgenomen van de boomspecialist van het college. Hierdoor heeft het college niet inzichtelijk gemaakt hoe en op welke wijze de bomen door de eigen boomspecialist zijn beoordeeld en blijkt ook niet dat het rapport van Salix boomverzorging is getoetst en beoordeeld. Ten slotte is in het rapport van Salix boomverzorging aangegeven dat boom 3 ernstige wortelschade heeft opgelopen door het ingraven van een trampoline waardoor de kwaliteit van deze boom achteruit is gegaan. Dit is voor het college reden geweest om in het verweerschrift mee te delen dat een verzwaarde herplantplicht zal worden opgelegd voor deze boom. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet goed is uitgelegd waarom de verslechterde staat van deze boom (die is veroorzaakt door handelingen van vergunninghouder) in deze omstandigheden reden kan zijn voor het verlenen van de kapvergunning. Zo is niet gemotiveerd of er wellicht andere ingrepen mogelijk zouden zijn waardoor deze boom zou kunnen worden behouden zonder onaanvaardbare risico’s op windworp en, als die er zijn, waarom dan niet is gekozen voor weigering van de vergunning.

Wordt voldaan aan het criterium ‘overlast’ als bedoeld in de beleidsregels?

10. Op grond van artikel 2, vierde lid, van de beleidsregels toetst het college voor het criterium “overlast” de aspecten: a. lichtreductie of schaduwwerking; b. opdruk van verharding door boomwortels; c. schade aan bouwwerken.

Voor wat betreft boom 3 heeft het college ook het criterium “overlast” aan het besluit ten grondslag gelegd. Hiertoe heeft het college aangegeven dat de boom te groot is voor de plantlocatie, dat de kroon van de boom een groot deel van de tuin bedekt, dat de boom de lichtinval in de woning belemmert en dat de boom dicht op de gevel van de woning staat.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college niet gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt dat voor wat betreft boom 3 sprake is van “overlast” als bedoeld in de beleidsregels. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat voor wat betreft dit criterium in het dossier geen nadere onderbouwing is opgenomen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderhavige procedure betrekking heeft op een ingediende voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. Het college moet dus nog beslissen op het bezwaar van verzoekers waarbij in de bezwaarfase een volledige heroverweging moet plaatsvinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van motiveringsgebreken. Het college kan deze gebreken in het besluit op bezwaar herstellen door daarin zijn afweging alsnog voldoende te onderbouwen.

Gelet op al het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de verleende omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook toe. Het bestreden besluit van 2 februari 2026 zal worden geschorst. Deze schorsing zal gelden tot zes weken nadat het college een besluit op het bezwaar van verzoekers heeft genomen. Mocht het college niet binnen redelijke termijn een besluit op de bezwaren van verzoekers nemen, dan kan de vergunninghouder en/of een andere partij de voorzieningenrechter vragen om wijziging of opheffing van deze voorlopige voorziening.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

€ 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG)

Artikel 4:8, aanhef en onder a:

In deze afdeling wordt verstaan onder boom: Een houtachtig, overblijvend gewas. Deze is vergunningplichtig indien de boom een dwarsdoorsnede van de stam heeft van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

Artikel 4.9:

3. Het verbod geldt verder niet voor:

4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

5. Het college kan beleidsregels vaststellen ter zake van het opleggen van een herplantplicht en het geheel of gedeeltelijk omzetten van de herplantplicht in een financiële compensatie.

6. In geval een herplantplicht is opgelegd als bedoeld in het vierde lid, kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn en op welke wijze een niet geslaagde herplanting moet worden overgedaan.

7. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 4:11:

Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022

Artikel 2:

(…..)

(…..)

(…..)

Het college toetst voor het criterium ‘dringende reden’ de volgende aspecten:

(…..)

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een vastgestelde Boom Effect Analyse (BEA) bij te voegen zoals opgesteld volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW. Deze BEA moet conform deze richtlijn worden opgesteld vanaf de initiatieffase als een doorlopend advies.

(…..)

(…..)

Artikel 4, eerste lid, aanhef:

1. Het college legt voor iedere gevelde houtopstand een herplantplicht voor een nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving (binnen 500 meter3) tenzij: (…..)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?