[X] , uit [Z] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel, de heffingsambtenaar
(gemachtigden: [gemachtigde heffingsambtenaar 1] en [gemachtigde heffingsambtenaar 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 december 2023 (LEE 24/2098 en LEE 24/2100) en 18 december 2024 (LEE 25/1 en LEE 25/491).
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2023 een aanslag afvalstoffenheffing van € 255,75 (LEE 24/2098) en een aanslag rioolheffing van € 188,23 (LEE 24/2100) opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag afvalstoffenheffing van € 255,75 (LEE 25/1) en een aanslag rioolheffing van € 188,23 (LEE 25/491) opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser tegen alle aanslagen ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op een zitting behandeld. Alle zaken zijn op de zitting gelijktijdig en gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk] als tolk en namens de heffingsambtenaar zijn gemachtigden, bijgestaan door [medewerker gemeente Dantumadiel 1] en [medewerker gemeente Dantumadiel 2] .
Naar aanleiding van de omstandigheid dat een van de leden van de meervoudige kamer de zitting op enig moment moest verlaten, heeft de (meervoudige kamer van de) rechtbank tijdens de zitting op grond van artikel 8:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat de zaken worden verwezen naar een enkelvoudige kamer. De behandeling ter zitting is direct aansluitend door de enkelvoudige kamer voortgezet.
De (enkelvoudige kamer van de) rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen versie 5 van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 van de gemeente Dantumadiel (het GRP-5) in te dienen. Dit heeft de heffingsambtenaar bij bericht van 6 februari 2026 gedaan.
De (enkelvoudige kamer van de) rechtbank heeft vervolgens bij bericht van 9 februari 2026 op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb de zaken weer verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Partijen hebben op de zitting ingestemd met de gang van zaken zoals die in 1.7 tot en met 1.9 is beschreven. Zij hebben bovendien verklaard afstand te doen van hun recht op een nadere zitting naar aanleiding van zowel (i) de indiening van het GRP-5, als (ii) de (terug)verwijzing naar de meervoudige kamer. Eiser heeft op de zitting ten slotte afstand gedaan van het recht om schriftelijk te reageren op de indiening van het GRP-5.
Van het verhandelde op de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.
Feiten
2.
Afvalstoffenheffing
2023
De aanslag afvalstoffenheffing 2023 is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering Reinigingsheffing Dantumadiel 2023 (Verordening A 2023) en de bijbehorende tarieventabel.
De raad van de gemeente Dantumadiel (de gemeente) heeft in zijn openbare vergadering van 20 december 2022 als volgt besloten:
“De raad van de gemeente Dantumadiel
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 november 2022; (…)
Besluit :
1. De belastingverordeningen voor het jaar 2023 vast te stellen: (…)
- Verordening Afvalstoffenheffing Dantumadiel 2023 (…)
3. De begroting met de vaststelling van de belastingverordeningen te wijzigen voor de afvalstoffenheffing;
4. De onder beslispunt (…) 3 bedoelde aanpassingen van de begroting via begrotingswijziging 1 door te voeren.”
De (gewijzigde) begroting van de gemeente voor het jaar 2023 (Begroting 2023) bevat in de paragraaf lokale heffingen (op bladzijde 42) het volgende overzicht ‘kostendekking afvalstoffen’:
Overzicht kostendekking afvalstoffen
Taakveld
Begroting 2023
LASTEN:
Exploitatielasten afvalstoffen
7.3 Afval
1.711.114
Straatreiniging
7.3 Afval
34.591
Heffings en inningskosten
7.3 Afval
2.500
Overhead
0.4 Overhead
237.377
Compensabele BTW
n.v.t.
241.863
Kwijtscheldingen
6.3 Inkomensregelingen
90.000
Kapitaallasten
7.3 Afval
47.390
Totale lasten
2.364.835
BATEN:
Baten afvalstoffenheffing
7.3 Afval
2.073.264
Onttrekking uit voorziening afvalstoffen
7.3 Afval
0
Vergoeding verpakkingen/drankenkartons
7.3 Afval
287.660
Overige baten
7.3 Afval
94.525
Dividend
0.5 Treasury
3.780
Voorgestelde tariefstijging
7.3 Afval
-94.394
Totale baten
2.364.835
Dekkingspercentage
100%
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (het college) is met dagtekening 8 september 2021 de volgende brief geschreven aan de raad van de gemeente:
“Tijdens de raadsbehandeling van de ‘Kadernota inzameling grondstoffen 2021 – 2024’ op 29 september 2020, heeft (…) van het CDA een amendement ingebracht met als onderwerp ‘Instandhouding inzameling oud papier door verenigingen’. U heeft dit amendement aangenomen.
Uitgangspunt van het amendement is om in de ‘Kadernota inzameling grondstoffen 2021 – 2024’ een extra beleidsregel op te nemen dat verenigingen en andere lokale organisaties in de genoemde periode betrokken blijven bij de inzameling van oud papier. Het college bevestigd hierbij het opnemen van het genoemde uitgangspunt in de kadernota. De inzameling van oud papier blijft in de periode 2021 – 2024 zoveel mogelijk met inzet van verenigingen en lokale organisaties in de dorpen plaatsvinden.”
2024
De aanslag afvalstoffenheffing 2024 is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering Reinigingsheffing Dantumadiel 2024 (Verordening A 2024) en de daarbij behorende tarieventabel, vastgesteld door de raad van de gemeente op 12 december 2023.
De heffingsambtenaar heeft een overzicht ‘kostendekking afvalstoffen’ overgelegd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
Overzicht kostendekking afvalstoffen
Taakveld
Begroting 2024
LASTEN:
Exploitatielasten afvalstoffen
7.3 Afval
1.575.523
Straatreiniging
7.3 Afval
40.915
Heffings- en inningskosten
7.3 Afval
2.500
Overhead
0.4 Overhead
97.929
Compensabele BTW
n.v.t.
296.886
Kwijtscheldingen
6.3 Inkomensregelingen
90.000
Kapitaallasten
7.3 Afval
46.438
Totale lasten
2.150.191
BATEN:
Baten afvalstoffenheffing
7.3 Afval
1.935.238
Onttrekking uit voorziening afvalstoffen
7.3 Afval
31.719
Vergoeding verpakkingen/drankenkartons
7.3 Afval
74.800
Overige baten
7.3 Afval
104.654
Dividend
0.5 Treasury
3.780
Voorgestelde tariefstijging
7.3 Afval
0
Totale baten
2.150.191
Dekkingspercentage
100%
In de Productenbegroting Dantumadiel 2024 (de Productenbegroting 2024) zijn onder het onderwerp ‘Afvalbeleid en afval inzameling’ onder meer de volgende posten opgenomen:
Product / Economische categorie
Toelichting
Begroting 2024
Raming 2025
Raming 2026
Raming 2027
6703020 Afvalinzameling
380814I – Oud Papier
1.000
1.000
1.000
1.000
Baten garantieprijs
€ 103.200
Begroting 2024-2027
Bijstelling oud papier
-/- € 102.200
380814U – Oud papier
-/- 66.000
-/- 66.000
-/- 66.000
-/- 66.000
Inzamelingskosten
-/- € 66.000
Omrin
-/- € 32.400
Subsidies aan verenigingen
-/- € 74.400
Begroting 2024-2027
Bijstelling Oud Papier
€ 106.800
Rioolheffing
2023
De aanslag rioolheffing 2023 is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering Riool- en Waterzorgheffing Dantumadiel 2023 (Verordening R 2023), vastgesteld door de raad van de gemeente op 20 december 2022.
De Begroting 2023 bevat in de paragraaf lokale heffingen (bladzijde 42 en 43) het volgende overzicht ‘kostendekking riolering’:
Overzicht kostendekking riolering
Taakveld
Begroting 2023
LASTEN:
Exploitatielasten riolering
7.2. Riolering
763.514
Straatreiniging
7.2. Riolering
34.591
Heffingen en inningskosten
7.2. Riolering
2.500
Overhead
0.4 Overhead
235.751
Compensabele BTW
n.v.t.
170.302
Kwijtscheldingen
6.3 Inkomensregelingen
90.000
Kapitaallasten
7.2. Riolering
261.720
Dotatie aan Voorziening GRP
7.2. Riolering
0
Totale lasten
1.558.378
BATEN:
Baten riolering
7.2. Riolering
1.570.957
Verhoging tarieven
7.2. Riolering
-31.983
Onttrekking uit Voorziening riolering
7.2. Riolering
0
Overige baten
7.2. Riolering
19.404
Totale baten
1.558.378
Dekkingspercentage
100%
2024
De aanslag rioolheffing 2024 is gebaseerd op Verordening op de heffing en invordering Riool- en Waterzorgheffing Dantumadiel 2024 (Verordening R 2024), vastgesteld door de raad van de gemeente op 12 december 2023.
De heffingsambtenaar heeft een overzicht ‘kostendekking riolering’ overgelegd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
Overzicht kostendekking riolering
Taakveld
Begroting 2024
LASTEN:
Exploitatielasten riolering
7.2. Riolering
966.193
Straatreiniging
7.2. Riolering
40.915
Heffings en inningskosten
7.2. Riolering
2.500
Overhead
0.4 Overhead
331.676
Compensabele BTW
n.v.t.
176.113
Kwijtscheldingen
6.3 Inkomensregelingen
90.000
Kapitaallasten
7.2. Riolering
306.396
Totale lasten
1.913.793
BATEN:
Baten riolering
7.2. Riolering
1.550.647
Onttrekking voorziening riolering
7.2. Riolering
343.742
Overige baten
7.2. Riolering
19.404
Totale baten
1.913.793
Dekkingspercentage
100%
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen aan eiser zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Die beroepsgronden houden hoofdzakelijk in dat de hiervoor genoemde verordeningen (partieel) onverbindend zijn wegens overschrijding van de zogenoemde opbrengstlimiet.
4. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag afvalstoffenheffing 2023 en de aanslagen rioolheffing 2023 en 2024 terecht en niet tot te hoge bedragen aan eiser zijn opgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanslag afvalstoffenheffing 2024 weliswaar terecht, maar tot een te hoog bedrag aan eiser is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Juridisch kader opbrengstlimiet
Onder de naam rioolheffing kan op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Op grond van artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen (afvalstoffenheffing), waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, kort gezegd, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Bij de riool- en afvalstoffenheffing zijn gemeenten gebonden aan de opbrengstlimiet. Bij de beoordeling van een geschil inzake de opbrengstlimiet zijn de regels van belang zoals deze door de Hoge Raad zijn uitgewerkt in (onder andere) zijn arresten van 24 april 2009, 4 april 2014, 18 april 2014 en 21 juni 2019. Die regels kunnen als volgt worden samengevat.
Als een belanghebbende een overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de raming van baten en lasten die in de begroting is opgenomen of daarop is terug te voeren. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan.
Als de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’, moet de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) verstrekken. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van de belanghebbende betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.
Als de belanghebbende niet stelt dat de in de nadere inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een ’last ter zake’. Bij ontkennende beantwoording van die vraag moet hij beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden. Als de belanghebbende wél stelt dat die feitelijke gegevens onjuist zijn, en de heffingsambtenaar deze stelling van de belanghebbende betwist, komt bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist zijn. Na bewijslevering moet de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag beantwoorden die hiervoor is omschreven, en in het licht daarvan beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
Tot de ‘lasten ter zake’ behoren zowel kosten die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, als aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Bij de toerekening van kosten geldt als uitgangspunt dat kosten geheel of ten dele als ’lasten ter zake’ kunnen worden aangemerkt als die kosten meer dan zijdelings verband houden met de taken waarvoor riool- of afvalstoffenheffing kan worden geheven. Kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen.
In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is tot slot pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan baten en lasten, als de gemeente deze baten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.
Afvalstoffenheffing
2023 – vooraf: grondslag voor belastingheffing
6.
Eiser betoogt dat de grondslag voor een deugdelijke belastingheffing niet aanwezig is, omdat er geen verband is tussen de ‘primaire begroting’ en de heffing. Daartoe voert eiser aan dat de Verordening A 2023 twee keer is vastgesteld, namelijk op 2 november 2022 en (de rechtbank leest verbeterd:) 20 december 2022. Dit is het gevolg geweest van een tariefsverlaging van afvalverwerker Omrin die nog moest worden doorberekend in de tarieven voor de afvalstoffenheffing. De Begroting 2023 is evenwel niet opnieuw vastgesteld, maar slechts gewijzigd op 20 december 2022, aldus nog steeds eiser.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat na het vaststellen van de Begroting 2023 inderdaad een wijziging is opgetreden in de raming van de exploitatiekosten. De Begroting 2023 is op dit punt aangepast en met die wijziging is ook rekening gehouden in de tarieven voor de afvalstoffenheffing. Volgens de heffingsambtenaar is hieraan niets ondeugdelijk.
De rechtbank leidt uit het raadsbesluit van 20 december 2022 (zie 2.2.) af dat de Verordening A 2023 is vastgesteld tegelijk met een wijziging van de Begroting 2023. Die wijziging heeft in overeenstemming met artikel 192, eerste lid, van de Gemeentewet plaatsgevonden vóór het eind van het begrotingsjaar. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van zowel (i) de vaststelling van de Verordening A 2023, als (ii) de wijziging van de Begroting 2023. De rechtbank merkt in dit kader op dat de minpost voor ‘Voorgestelde tariefstijging’, die in de Begroting onder de Baten staat vermeld, aansluit bij de toelichting die de heffingsambtenaar heeft gegeven (6.2.) De rechtbank ziet verder ook nergens dat de Verordening A 2023 twee keer zou zijn vastgesteld (dat is dus feitelijk onjuist). Anders dan eiser kennelijk meent, brengt de wijziging van de Begroting 2023 tegelijk met de (eerste en enige) vaststelling van de Verordening A 2023 ook niet mee dat er geen begroting meer is die als uitgangspunt kan dienen voor de toetsing aan de opbrengstlimiet. Deze beroepsgrond faalt.
2023 – opbrengstlimiet
7.
Kringloopbedrijf [kringloopbedrijf] ( [kringloopbedrijf] ) / [Stichting Y] ( [Stichting Y] )
Eiser betoogt dat de kosten die de gemeente heeft begroot voor [kringloopbedrijf] en [Stichting Y] geen ‘lasten ter zake’ zijn. Eiser voert daartoe aan dat de goederen die aan deze organisaties worden aangeboden niet altijd afvalstoffen in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie zullen zijn. Meestal worden nieuwe spullen aangeboden, aldus eiser.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat [kringloopbedrijf] en [Stichting Y] goederen inzamelen die anders bij het huishoudelijk afval zouden worden aangeboden. De kosten die de gemeente voor deze organisaties maakt, zijn daarom in het kader van het actief reduceren van afval gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat eiser ten aanzien van dit punt in de raming voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom er volgens hem redelijke twijfel bestaat of sprake is van ‘lasten ter zake’. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij de stellingen van eiser betwist en waarom dus volgens hem de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. De rechtbank neemt vervolgens in aanmerking dat voldoende duidelijk is dat goederen die aan een kringloopbedrijf of aan een goede doelen stichting worden aangeboden, voor de aanbieder geen waarde meer hebben en anders (dus) hoogstwaarschijnlijk bij het huishoudelijk afval zouden worden aangeboden. Dat bij dergelijke organisaties ook andere goederen zullen worden aangeboden, maakt niet dat de kosten die de gemeente in dit verband heeft geraamd, slechts zijdelings verband houden met het voorkomen en beperken van de aanbieding van huishoudelijk afval. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze kosten dus worden aangemerkt als ‘lasten ter zake’.
Recreatieafval, straatreiniging en zwerfafval
Eiser is van mening dat het legen van vuilnisbakken en het verzamelen van zwerfafval in de publieke ruimte (bijvoorbeeld parken) geen onderdeel is van de inzameling van een huishoudelijke afvalstroom. Dit is het ophalen van afval van recreanten en toeristen. Ook straatreiniging houdt volgens eiser geen verband met huishoudelijk afval. Dit vindt plaats om ongehinderd het verkeer te laten functioneren en om het dorpsaanzicht te verbeteren. Daarom vormen de kosten voor deze posten geen ‘lasten ter zake’, aldus eiser.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de kosten voor het recreatieafval, de straatreiniging en het zwerfafval wel degelijk mogen worden toegerekend aan de afvalstoffenheffing, omdat zij daarmee meer dan zijdelings verband houden. Daarbij heeft de gemeente een derde van de kosten voor straatreiniging toegerekend aan de afvalstoffenheffing en de resterende twee derde van de kosten gelijkelijk verdeeld over de beleidsterreinen riool en openbare ruimte.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de kosten voor recreatieafval, straatreiniging en zwerfafval geen ‘lasten ter zake’ vormen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk dat een deel van het afval in de openbare ruimtes afkomstig is van particuliere huishoudens. Een deel van de kosten van het opruimen daarvan, kan dan aan de afvalstoffenheffing worden toegerekend. Dat afval in de openbare ruimte ook afkomstig kan zijn van toeristen, zoals eiser stelt, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat straatreiniging tevens eraan bijdraagt dat het verkeer ongehinderd functioneert en dat het dorpsaanzicht verbetert, zoals eiser stelt. Een meer dan zijdelings verband is genoeg en dat is er naar het oordeel van de rechtbank wel.
Oud papier
Eiser betoogt dat het oud papier wordt opgehaald door een professionele afvalwagen met personeel, waarvoor de gemeente betaalt. Voorheen werd dit door verenigingen gedaan met eigen materiaal. Toen betaalde de gemeente die verenigingen daarvoor. Eiser voert aan dat die verenigingen – ter compensatie van gemiste inkomsten – nu nog steeds (een vorm van) subsidie krijgen op basis van de hoeveelheid ingezameld papier, maar dat de verenigingen feitelijk nauwelijks meer een bijdrage leveren aan het ophalen van oud papier. Van een ‘last ter zake’ is dan geen sprake, aldus eiser.
De heffingsambtenaar erkent dat voor het inzamelen van het oud papier gebruik wordt gemaakt van inzamelmiddelen (vrachtwagen met chauffeur) van de afvalverwerker, Omrin. Dit zijn de ‘echte’ inzamelkosten. Volgens de heffingsambtenaar zijn bij de inzameling echter ook wel degelijk personen van verenigingen, scholen en kerken betrokken. Zij lopen mee met de vrachtwagens om het oud papier daarin te gooien en zonder hen wordt het oud papier dus niet opgehaald. De heffingsambtenaar verwijst daarvoor naar de brief van het college van 8 september 2021 (zie 2.4.). Die lokale organisaties krijgen daarvoor een vergoeding, die wordt begroot op een garantieprijs vermenigvuldigd met het verwachte tonnage opgehaald papier. Bij een lage oudpapierprijs drukt deze garantieprijs op de gemeente, terwijl bij een hoge oudpapierprijs de garantieprijs (deels) kan worden gedekt uit de opbrengst die de gemeente met het ingezamelde oud papier behaalt. De garantieprijs komt voor de gemeente bovenop de ‘echte’ inzamelkosten, aldus nog steeds de heffingsambtenaar.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar met zijn verklaringen en zijn verwijzing naar de brief van het college van 8 september 2021, voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom volgens hem de twijfel van eiser over de kosten voor het ophalen van het oud papier ongegrond is. Eiser heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld dat deze inlichtingen door de heffingsambtenaar feitelijk onjuist zijn. Op basis van deze inlichtingen is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden van de lokale organisaties (veel) meer dan zijdelings verband houden met het ophalen van huishoudelijke afvalstoffen. Zoals de heffingsambtenaar terecht heeft gesteld, wordt het oud papier zonder deze organisaties namelijk niet opgehaald. De gemeente heeft de vergoedingen daarvoor ook in redelijkheid op de garantieprijs vermenigvuldigd met het verwachte tonnage opgehaald papier kunnen begroten. Dat betekent dat deze vergoedingen geheel of ten dele als ‘lasten ter zake’ kunnen worden aangemerkt. Dat deze vergoedingen mogelijk ook deels het karakter van een subsidie hebben, is dan niet meer van belang.
Baten takken en grofvuil
De Verordening A 2023 voorziet in de tarieventabel in een tarief voor het inzamelen van takken, snoeiafval en grofvuil. Eiser heeft aangevoerd dat voor deze posten ten onrechte geen rekening is gehouden met enige ‘baten ter zake’, omdat niet alle inwoners van de gemeente de mogelijkheid zullen hebben om hun takken en grofvuil zelf weg te brengen. Het tarief voor inzameling zal dus jaarlijks in een aantal gevallen wel in rekening worden gebracht. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat voor deze posten in 2024 wel baten zijn geraamd, namelijk € 750 per post.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de gemeente voor deze posten geen baten heeft begroot, omdat de gemeente inwoners stimuleert takken en grofvuil (gratis) naar de milieustraat te brengen en ook verwacht dat inwoners hier nagenoeg altijd gevolg aan geven. Wat betreft het grofvuil heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat in werkelijkheid ook maar € 500 aan baten is gerealiseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk heeft gemaakt waarom volgens hem de door eiser opgeworpen twijfel, dat wel degelijk sprake is van een ‘bate ter zake’, ongegrond is. Eiser heeft niet gesteld dat de verwachting van de gemeente dat inwoners nagenoeg altijd zelf hun takken en grofvuil zullen inleveren, onjuist is. Ook als moet worden aangenomen dat het tarief voor het inzamelen van takken en grofvuil in enkele gevallen wel zal worden geheven, kon de gemeente de baten daarvoor naar het oordeel van de rechtbank bovendien in redelijkheid op nihil ramen. Het gaat om (zeer) geringe bedragen en bij een raming is het dan al gauw redelijk om die maar gewoon helemaal weg te laten.
Hondenpoep
Eiser heeft aangevoerd dat de post ‘hondenpoep’ niet opgenomen hoort te worden in de afvalstoffenheffing. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd dat al jarenlang geen kosten meer worden begroot voor het opruimen van hondenpoep. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft gesteld dat deze toelichting van de heffingsambtenaar onjuist is. Hier is dan ook geen sprake van een kostenpost die in aanmerking is genomen voor de tariefstelling van de afvalstoffenheffing, zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of sprake is van een ‘last ter zake’.
Afvalkalenders
Eiser heeft aangevoerd dat in de raming sprake is van een dubbeltelling omdat de kosten voor de afvalkalender-app ook al in de post overhead zitten. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de kosten voor de afvalkalender-app geen overheadkosten, maar direct toerekenbare kosten zijn. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiser al voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom volgens hem sprake is van twijfel ten aanzien van deze post, de heffingsambtenaar deze twijfel voldoende heeft weggenomen. De rechtbank ziet in het dossier ook geen aanwijzingen dat er wel sprake zou zijn van een dubbeltelling. Eiser heeft dat ook overigens niet aannemelijk gemaakt.
Overhead
Eiser betoogt dat de gemeente onder de post overhead ten onrechte fte’s van beleidsambtenaren meeneemt. Bij 3 fte’s beleid over in totaal 14,6 fte’s, is geen sprake meer van ‘sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel l, van Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV), aldus eiser. De fte’s die zien op wijkbeheer zijn volgens eiser te hoog, omdat in wijkbeheer ook taken zijn begrepen waarvoor geen afvalstoffenheffing kan worden geheven. Tot slot heeft eiser gesteld dat op de chauffeurs die afval inzamelen, weinig tot geen toezicht nodig is.
De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift en op de zitting toegelicht dat de gemeente Dantumadiel en de gemeente Noardeast-Fryslân (NEF) in 2023 één uitvoeringsorganisatie kennen. Het ambtelijk personeel is werkzaam voor beide gemeenten. Op basis van een verdeelsleutel (73,48% voor NEF en 26,52% voor Dantumadiel) wordt de totale ambtelijke overhead verdeeld over de twee gemeenten. Dat leidt in 2023 tot een bedrag van € 16.258,71 per fte, dat vervolgens weer wordt toegepast op (de werkelijke) 14,6 fte’s die op dit taakveld werkzaam zijn. Dat in de omschrijving van dit ambtelijk personeel het begrip ‘beleidsambtenaren’ wordt gehanteerd, is volgens de heffingsambtenaar een ongelukkige woordkeuze. Het gaat hier namelijk om medewerkers die wel degelijk de coördinatie, aansturing en uitvoering van maatregelen voor afvaltaken verzorgen.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn nadere inlichtingen de twijfel die eiser over de post overhead heeft opgeworpen, voldoende heeft weggenomen. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat en waarom die nadere inlichtingen onjuist zijn. De rechtbank heeft bovendien geen reden om te oordelen dat de gemeente deze post in redelijkheid niet heeft kunnen ramen op het bedrag van € 16.258,71 per fte toerekenbaar aan de gemeente. De rechtbank merkt deze kosten daarom geheel aan als ‘last ter zake’.
BTW
Eiser heeft aangevoerd dat te veel BTW als ‘last ter zake’ in aanmerking is genomen, omdat deze post de andere, hiervoor bestreden posten volgt. Nu de overwegingen van de rechtbank hiervóór inhouden dat alle door de gemeente gemaakte ramingen standhouden, treft dit argument van eiser geen doel.
Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de beroepsgronden die zien op de overschrijding van de opbrengstlimiet ten aanzien van de Verordening A 2023, niet slagen.
2024
8.
[kringloopbedrijf] / [Stichting Y] , recreatieafval en afvalkalenders
Over de posten [kringloopbedrijf] en [Stichting Y] , recreatieafval en afvalkalenders hebben partijen in wezen hetzelfde aangevoerd als voor het jaar 2023, zodat de rechtbank verwijst naar wat daarover is overwogen in 7.1. tot en met 7.6. en 7.14. De rechtbank voegt daaraan wat betreft [Stichting Y] toe dat de twijfel van eiser of [Stichting Y] in 2024 nog actief is, ongegrond is. De heffingsambtenaar heeft met zijn verwijzing naar een nieuwsbericht op de website van [Stichting Y] van december 2024 voldoende duidelijk gemaakt dat [Stichting Y] ook in 2024 nog actief was.
Oud papier
Partijen hebben voor de post oud papier in de eerste plaats in wezen hetzelfde aangevoerd als voor 2023. In zoverre verwijst de rechtbank naar wat is overwogen in 7.7 tot en met 7.9.
Eiser heeft in aanvulling daarop het volgende aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft voor 2024 nagelaten inzicht te geven in de begrote baten en lasten, omdat in de Productenbegroting 2024 (zie 2.7.) verschillende onduidelijke posten zijn opgenomen. De heffingsambtenaar heeft de onduidelijkheid die daardoor over de ramingen bestaat, volgens eiser niet weggenomen.
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de lokale organisaties minimaal de garantieprijs ontvangen. Wanneer de papierprijs na aftrek van kosten onder deze garantieprijs komt, springt de gemeente bij. Wanneer de papierprijs na aftrek van kosten boven de garantieprijs komt, is het meerdere voor de gemeente. Hierdoor heeft de gemeente vrijwel alleen variabele lasten die samenhangen met inzameling en zijn de kosten sterk afhankelijk van de papierprijs. Met name bij een lage papierprijs kunnen de kosten sterk oplopen doordat de verenigingen minimaal de garantieprijs moeten ontvangen, die dan voor een (groot) deel voor rekening komt van de gemeente.
De rechtbank stelt vast dat in de Productenbegroting 2024 voor oud papier € 103.200 aan inkomsten zijn geraamd, maar dat hierop een bedrag van € 102.200 aan ‘bijstelling oud papier’ in mindering is gebracht. Dat leidt per saldo tot een bate van € 1.000. Daar staat een totaalbedrag van € 172.800 aan kosten tegenover. Mede op basis van de toelichting van de heffingsambtenaar op de zitting, stelt de rechtbank vast dat dit bedrag voor € 66.000 ziet op de inzamelingskosten die zijn gemoeid met de ophaalvrachtwagens, voor € 32.400 ziet op kosten van openbare papiercontainers en voor € 74.400 op de vergoedingen aan verenigingen. Op deze kosten wordt evenwel weer een bedrag van € 106.800 aan ‘bijstelling oud papier’ in mindering gebracht. Dat leidt per saldo tot een last van € 66.000. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk gemaakt waar de twee posten ‘bijstelling oud papier’ uit de begroting op zien. Deze bijstellingen hebben aan de inkomstenkant tot gevolg dat – jaar op jaar – slechts € 1.000 aan geraamde baten overblijft. De toelichting van de heffingsambtenaar over de verhouding tussen de garantieprijs en de marktprijs (zie 8.4.), maakt niet zonder meer duidelijk waarom (kennelijk) jaar in, jaar uit nagenoeg effectief geen baten voor het oud papier worden geraamd. Ook blijft ongewis of en in hoeverre de gemeente iets heeft gedaan met de verwachtingen over de oudpapierprijs en, in het verlengde daarvan, met de gevolgen daarvan (tegenvaller of juist een meevaller, afhankelijk van de vraag of de oudpapierprijs onder of juist boven de garantieprijs zal liggen). Deze onduidelijkheid heeft concreet tot gevolg dat redelijke twijfel blijft bestaan over met name de ‘bijstelling oud papier’ aan de inkomstenkant van -/- € 102.200. De rechtbank laat die bijstelling daarom buiten beschouwing. De rechtbank ziet geen grond om die correctie te ‘compenseren’ met een even grote correctie van de ‘bijstelling oud papier’ aan de kostenkant. De rechtbank sluit weliswaar niet uit dat achter de – ongeveer even grote en tegengestelde – ‘bijstellingen oud papier’ een bepaalde logica zit, maar of dat zo is en welke logica dat dan zou zijn, heeft de heffingsambtenaar niet duidelijk gemaakt. Dan is de redelijke twijfel dus gegrond.
Het gevolg van wat hiervoor is overwogen, is dat voor de post oud papier een ‘bate ter zake’ van € 102.200 moet worden bijgeteld. Welke gevolgen dat heeft voor de opbrengstlimiet, werkt de rechtbank hierna uit.
Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de beroepsgronden die zien op de overschrijding van de opbrengstlimiet ten aanzien van de Verordening A 2024, uitsluitend slagen voor wat betreft het oud papier. Het gevolg daarvan is dat de totaal in aanmerking te nemen baten stijgen met € 102.200, terwijl de totaal in aanmerking te nemen lasten € 2.150.191 blijven. Aldus is sprake van een overdekking van € 102.200. Dat is 4,753% van de geraamde lasten.
Wat betreft de rechtsgevolgen van de hiervoor geconstateerde overschrijding van de opbrengstlimiet, geldt dat de Verordening A 2024 partieel onverbindend is, nu het gecorrigeerde bedrag van de geraamde baten minder dan 10% uitgaat boven de geraamde lasten. In dat geval moet de aanslag worden verminderd met het percentage van de overdekking. De aanslag in de afvalstoffenheffing voor het jaar 2024 moet daarom worden verminderd met een bedrag van € 12,16 tot € 243,59.
Rioolheffing
9. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de geraamde budgetten volgens het GRP-5 voor zowel 2023 als 2024 het uitgangspunt moeten zijn, en ook zijn geweest, voor de begroting van de kosten die samenhangen met riolering en daarmee voor de raming van de baten en lasten als bedoeld in 2.9. en 2.11. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de gemeente voor een aantal van de hierna te noemen posten in de begroting op goede gronden is afgeweken van het GRP-5. Het gaat daarbij soms om de vraag of er wel sprake is van een ‘last ter zake’, maar meestal vooral om de vraag of de hoogte van de raming door de beugel kan. Gelet op deze standpunten van partijen, zal de rechtbank voor die posten beoordelen of de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom in bepaalde gevallen is afgeweken van het GRP-5. De rechtbank zal verder, voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordelen of sprake is van een ‘last ter zake’ en of de gemeente de hoogte van de ramingen in redelijkheid op de aangepaste bedragen heeft kunnen vaststellen.
2023
Elektriciteit en telefoonkosten
Ten aanzien van de posten elektriciteit en telefoonkosten wijst eiser op de verschillen tussen het GRP-5 en de Begroting 2023. Voor elektriciteit volgt uit de Begroting 2023 een bedrag van € 56.250, terwijl volgens het GRP-5 het geraamde budget € 37.000 per jaar is. Voor de telefoonkosten gaat de Begroting 2023 uit van een bedrag van € 10.616, terwijl dit € 5.800 is in het GRP-5. De verschillen zijn volgens eiser geen ‘lasten ter zake’.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de bedragen in het GRP-5 zijn gebaseerd op het prijspeil in 2021 en dat geen rekening is gehouden met inflatie. Bij het vaststellen van de Begroting 2023, moeten die bedragen worden aangepast aan het dan geldende prijspeil en eventuele andere gewijzigde omstandigheden. Concreet worden de door eiser bedoelde verschillen verklaard door enerzijds inflatie en anderzijds aangepaste contracten.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn toelichting voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de posten elektriciteit en telefoonkosten in de Begroting 2023 hoger zijn dan in het GRP-5. Dat in de Begroting 2023 bij deze posten niet expliciet vermeld is dat de energiekosten zijn gestegen, waar dat bij andere posten wel is gebeurd, doet daar niet aan af. In het licht van die toelichting acht de rechtbank de geraamde bedragen ook niet onredelijk.
Inspecties en reiniging
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar drie onderdelen onder de post ‘inspecties’ schaart die ook al zijn genoemd bij de post ‘onderhoud’. Het gaat om de onderdelen ‘periodiek en preventief onderhoud minigemalen’, ‘vacuumstation’ en ‘bufferputten’. Wat betreft zowel de post inspecties, als de post reiniging voert eiser aan dat de geraamde kosten zonder onderbouwing veel hoger zijn dan de werkelijk gemaakte kosten in eerdere jaren.
Volgens de heffingsambtenaar heeft hij de door eiser genoemde onderdelen niet onder de post inspecties geschaard. Verder wijst de heffingsambtenaar erop dat de bedragen voor inspecties en reiniging in de Begroting 2023, na indexatie, overeenkomen met de geraamde budgetten in het GRP-5.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar inderdaad de door eiser genoemde onderdelen onder de post ‘inspecties’ heeft geschaard. De rechtbank leidt uit het GRP-5 evenwel af dat voor deze onderdelen uitsluitend onder de post ‘onderhoud’ kosten zijn geraamd. Van dubbeltellingen is daarom geen sprake, de heffingsambtenaar heeft alleen een verkeerd labeltje gebruikt. Ondanks de verwarring die de uitspraak op bezwaar hierover zou kunnen veroorzaken, is de twijfel van eiser over deze post in het licht van de toetsing aan de opbrengstlimiet dus ongegrond.
De rechtbank stelt verder vast dat de bedragen voor inspecties en reiniging in de Begroting 2023 overeenkomen met het GRP-5, rekening houdend met een klein verschil voor inflatie. Het feit dat de werkelijke kosten voor inspecties en reiniging in eerdere jaren lager zijn dan voor 2023 is begroot, maakt bovendien niet dat de hoogte van die posten onredelijk is. De heffingsambtenaar heeft er (terecht) op gewezen dat verschillen van jaar tot jaar zoals deze, rechtstreeks voortvloeien uit het GRP-5, waarbij ook volgens het standpunt van eiser moet worden aangesloten.
Rioleringsplannen
Volgens het GRP-5 kunnen in een jaar bepaalde incidentele kosten worden gemaakt voor rioleringsplannen. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt welke incidentele kosten volgens de Begroting 2023 zullen verschijnen.
De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat in het GRP-5 een totaalbedrag over vijf jaren van € 212.500 is gebudgetteerd voor rioleringsplannen. Dat is jaarlijks gemiddeld € 42.500. De Begroting 2023 gaat met een bedrag van € 74.095 weliswaar over dit gemiddelde heen, maar dat komt omdat het bedrag in andere jaren weer lager is dan het gemiddelde.
De rechtbank is, mede gelet op de toelichting van de heffingsambtenaar, van oordeel dat voor deze post in redelijkheid binnen de grenzen van het GRP-5 wordt gebleven. Uit het GRP-5 volgt niet dat het (richt)bedrag van € 212.500 evenredig moet worden verdeeld over de jaren. De rechtbank ziet in het dossier verder geen aanwijzingen dat een te groot deel van dit bedrag zou zijn toegerekend aan 2023.
Lidmaatschappen waterambassadeurs
De gemeente begroot een bijdrage voor zogenoemde waterambassadeurs. Eiser heeft gesteld dat deze waterambassadeurs het college adviseren over waterzaken in algemene zin en daarom tot de post overhead moeten worden gerekend.
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de waterambassadeurs niet in dienst zijn bij de gemeente. Dit zijn medewerkers van de gemeente Leeuwarden die ten behoeve van alle gemeenten in Friesland onderzoek doen naar en werken aan vraagstukken over klimaat en de waterhuishouding in de provincie, in het bijzonder ten aanzien van de grondwaterstand. Zij doen dat onder andere op aanvraag van de verschillende gemeenten. De gemeente Dantumadiel maakt bij het opstellen van de rioleringsplannen gebruik van de data die de waterambassadeurs samenstellen.
De rechtbank is, mede gelet op de toelichting van de heffingsambtenaar, van oordeel dat de gemeentelijke bijdrage voor de waterambassadeurs een ‘last ter zake’ vormt. Deze kosten houden namelijk meer dan zijdelings verband met de inzameling en verwerking van hemelwater en met het beheersen van de grondwaterstand.
Aankopen
Eiser wijst erop dat in het GRP-5 voor aankopen € 76.800 kosten zijn geraamd. De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat in de Begroting 2023 een bedrag van € 73.217 voor deze post is opgenomen. Hier is dus weliswaar sprake van een afwijking van het GRP5, maar die afwijking houdt in dat eerder te weinig dan te veel kosten zijn begroot. In dat licht bezien is de rechtbank van oordeel dat de gemeente deze post in redelijkheid op € 73.217 kon begroten. Wat eiser verder over de uitbreiding van de formatie met twee fte’s heeft aangevoerd, is dusdanig vaag dat de rechtbank hem niet kan volgen. Voor zover eiser hiermee heeft willen betogen dat redelijke twijfel bestaat over deze post, heeft hij die stelling niet voldoende gemotiveerd.
Onderhoud
Eiser meent dat geen sprake is van ‘lasten ter zake’ voor zover sprake is van verstoppingen in het rioolgedeelte waarvoor bewoners zelf verantwoordelijk zijn (op hun eigen erf). De gemeente heeft in het GRP-5 namelijk zelf geschreven dat dergelijke kosten vermijdbaar zijn door een juist vooronderzoek.
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat uit het GRP-5 volgt dat bewoners weliswaar zelf vooronderzoek moeten doen voordat zij de gemeente inschakelen, maar dat dit vaak niet gebeurt. De gemeente moet dan nog wel gewoon langsgaan. Ook als dan blijkt dat de verstopping op particulier terrein ligt en dat de gemeente dus niet verantwoordelijk is, worden er kosten gemaakt.
Eiser heeft niet gesteld dat de toelichting van de heffingsambtenaar onjuist is. Op basis van die toelichting bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de post onderhoud. Bovendien is op basis van die toelichting sprake van een ‘last ter zake’, omdat de door de heffingsambtenaar beschreven werkzaamheden duidelijk strekken tot een ordelijk verloop van de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater.
Straatreiniging
Eiser heeft ten aanzien van de kosten voor straatreiniging gesteld dat niet inzichtelijk is waarom een derde hiervan aan de rioolheffing kan worden toegerekend.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de kosten voor de straatreiniging mogen worden toegerekend aan de rioolheffing, omdat zij daarmee meer dan zijdelings verband houden.
Eiser voert naar het oordeel van de rechtbank terecht niet aan dat de kosten voor straatreiniging geen ‘last ter zake’ vormen. In dat geval staat het de gemeente als uitgangspunt vrij om deze kosten geheel dan wel ten dele toe te rekenen aan de rioolheffing, zo lang de kosten maar niet voor 90 % of meer een ander doel hebben. Dat laatste heeft eiser niet gesteld.
Overhead en BTW
Partijen hebben voor deze posten wat betreft de rioolheffing in wezen hetzelfde aangevoerd als zij hebben gedaan voor de afvalstoffenheffing. De rechtbank verwijst naar wat daarover is overwogen in 7.15. tot en met 7.18. De rechtbank voegt daaraan wat betreft de BTW het volgende toe. Volgens eiser wordt BTW in aanmerking genomen bij zowel de investering in een kapitaalgoed als bij de afschrijving daarop. Voor investeringen worden evenwel geen ‘lasten ter zake’ geraamd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de BTW, anders dan eiser stelt, niet dubbel in aanmerking wordt genomen.
Kapitaallasten
Eiser heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar geen begin van bewijs heeft geleverd van zijn stellingen over de post ‘kapitaallasten’ in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van deze post redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.
Kwijtschelding
Volgens eiser wordt ten onrechte geen rekening gehouden met kwijtscheldingen die voor de onroerendezaakbelastingen (OZB) worden verleend. Ook is niet juist dat 50% van de totale kwijtscheldingen voor riool- en afvalstoffenheffing, aan de rioolheffing wordt toegerekend. Het tarief van de rioolheffing is immers lager dan dat van de afvalstoffenheffing. Tot slot zijn de totale kosten voor kwijtschelding volgens eiser niet € 180.000, maar € 168.000.
De heffingsambtenaar stelt dat kwijtschelding van OZB in de praktijk niet voorkomt omdat belastingplichtigen voor de OZB (die doorgaans een woning bezitten) vrijwel nooit voldoen aan de voorwaarden voor kwijtschelding. De heffingsambtenaar voert verder aan dat kwijtschelding van rioolheffing altijd gepaard gaat met kwijtschelding van afvalstoffenheffing, omdat de groep belastingplichtigen identiek is. Omdat de baten van de afvalstoffenheffing en rioolheffing nagenoeg 50%/50% zijn, is ervoor gekozen om de kosten voor de kwijtschelding bij helfte over deze twee heffingen te verdelen.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met deze nadere inlichtingen ten aanzien van de post kwijtscheldingen duidelijk heeft gemaakt waarom volgens hem de door eiser opgeworpen twijfel ten aanzien van deze posten ongegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze inlichtingen onjuist zijn. Verder acht de rechtbank het, mede gelet op de toepasselijke tarieven, niet onredelijk dat de gemeente de kosten voor kwijtscheldingen bij helfte heeft verdeeld over de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De rechtbank overweegt daartoe dat de begroting een raming betreft waarbij enige mate van grofheid mag worden gehanteerd als het gaat om de verdeling van lasten. Tot slot heeft eiser niet gemotiveerd gesteld waarom de kosten van kwijtschelding, in afwijking van de Productenbegroting Dantumadiel 2023, voor het jaar 2023 op € 168.000 zouden moeten worden geraamd.
Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de beroepsgronden die zien op de overschrijding van de opbrengstlimiet ten aanzien van de Verordening R 2023, niet slagen.
2024
Telefoonkosten, rioleringsplannen, BTW, kapitaallasten
Voor de telefoonkosten, rioleringsplannen, BTW en kapitaallasten geldt dat partijen in wezen hetzelfde hebben aangevoerd als voor 2023. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat zij heeft overwogen in 10.1 tot en met 10.3, 10.8 tot en met 10.10, respectievelijk 10.21 en 10.22.
Communicatie
Eiser heeft aangevoerd dat voor communicatie volgens het GRP-5 een bedrag van € 7.880 per jaar is gebudgetteerd, terwijl de begroting van de gemeente voor het jaar 2024 (Begroting 2024) uitgaat van € 56.465.
De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat in het GRP-5 voor de periode 2022-2031 een bedrag van € 78.800 is gebudgetteerd voor communicatie over klimaatadaptatie en duurzaamheid.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn toelichting de door eiser opgeworpen twijfel of voor deze post binnen de grenzen van het GRP-5 wordt gebleven, voldoende heeft weggenomen. Uit het GRP-5 volgt niet dat het bedrag van € 78.800 evenredig moet worden verdeeld over de jaren. De rechtbank ziet in het dossier verder geen aanwijzingen dat een te groot deel van dit bedrag zou zijn toegerekend aan 2024.
Wijkbeheer
Eiser heeft aangevoerd dat volgens het GRP-5 een bedrag van € 59.600 voor wijkbeheer is gebudgetteerd, maar dat de Begroting 2024 uitgaat van € 127.858.
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit verschil te maken heeft met het verschil in prijspeil tussen 2021 en 2024 (vgl. 10.2.). Verder heeft de heffingsambtenaar op de zitting onweersproken verklaard dat in de begroting rekening moest worden gehouden met twee nieuwe medewerkers. De heffingsambtenaar heeft tot slot aangevoerd dat het bedrag van € 127.858 alleen ziet op wijkbeheer voor zover het gaat om riolering.
De rechtbank is van oordeel dat met de toelichting van de heffingsambtenaar voldoende duidelijk is gemaakt waarom de post wijkbeheer in de Begroting 2024 in redelijkheid hoger is begroot dan volgens het GRP-5. Voor zover eiser op de zitting het standpunt heeft ingenomen dat de kosten voor wijkbeheer geen ‘lasten ter zake’ vormen, acht de rechtbank dit standpunt onjuist. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat het wijkbeheer zich onder meer bezig houdt met regulier en klein onderhoud aan de riolen en gemalen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat deze post meer dan zijdelings verband houdt met de taken waarvoor rioolheffing kan worden geheven.
Overhead
Eiser meent dat voor de overhead ten onrechte wordt uitgegaan van 5,69 fte’s. Dit zijn werknemers die in dienst zijn bij NEF. Hiervoor geldt geen overhead, omdat de gemeente hiervoor al een vergoeding aan NEF betaalt in het basistarief op grond van de dienstverleningsovereenkomst.
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de overhead in overeenstemming met het BBV wordt berekend door alle indirecte kosten (gebouwen, ICT, etc.) te delen door het aantal fte. Dit leidt tot een bedrag per fte. Voor het taakveld waarop de rioolheffing ziet zijn 5,69 fte begroot en geldt vervolgens een bedrag per fte van € 58.291.
De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar wat zij over de overhead heeft overwogen in 7.17. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van de heffingsambtenaar op de zitting dat het bedrag aan overhead per fte tussen 2023 en 2024 is toegenomen als gevolg van ontvlechting van de gemeente en NEF. Daar staat tegenover dat het aantal fte’s waarover de overhead wordt berekend, een stuk lager is. Daarmee heeft de heffingsambtenaar de door eiser opgeworpen twijfel over de (hoogte van) deze post voldoende weggenomen. Tot slot heeft eiser niet voldoende gemotiveerd gesteld dat voor deze fte’s ook al een onder een andere post een bedrag aan lasten is geraamd.
Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de beroepsgronden die zien op de overschrijding van de opbrengstlimiet ten aanzien van de Verordening R 2024, niet slagen.
Vergoeding van immateriële schade
11.
Eiser heeft in de zaken over 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verzoek als volgt. In belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In een arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, als het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de rechtbank volstaan met enkel de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Dit is alleen anders indien het in dat arrest weergegeven overgangsrecht van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaren van eiser in de zaken over 2023 door de heffingsambtenaar zijn ontvangen op 12 april 2023. De redelijke termijn is dus op 12 april 2025 overschreden. Dat betekent dat de redelijke termijn op 14 juni 2024 nog niet was overschreden, zodat het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht niet van toepassing is en dus de hiervoor in 11.2. aangehaalde regels gelden.
De rechtbank stelt verder vast dat het financiële belang van eiser bij onderhavige zaken minder dan € 1.000 bedraagt en dat de redelijke termijn in dit geval met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom afwijzen en volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
Afvalstoffenheffing 2024 (LEE 25/1)
12. Het beroep is gegrond omdat de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal de aanslag verminderen tot € 243,59. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten.
Overige zaken (LEE 24/2098, 24/2100 en 25/491)
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen in stand blijven. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt eiser geen vergoeding van de griffierechten. Ook in deze zaken heeft eiser geen aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten.
Ook de omstandigheid dat de behandeling van de beroepen in de zaken over 2023 onredelijk lang heeft geduurd (zie 12.3.) is geen reden voor vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
Zaken LEE 24/2098 en 24/2100
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond; en
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Zaak LEE 25/1
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag afvalstoffenheffing 2024 tot een bedrag van € 243,59;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar; en
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Zaak LEE 25/491
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. M.T.M. Hennevelt, leden, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.