RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing
Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/254633 / KG RK 26/220
Beslissing van 9 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. van Rossum,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking in de onderliggende procedure van 19 maart 2026;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 30 maart 2026.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.E. van Rossum, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer [nummer] . In die procedure is aan de orde een verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daartoe heeft de verzoeker aangevoerd dat de wijze waarop de procedure is verlopen, hem onvoldoende vertrouwen heeft gegeven in een onpartijdige beoordeling van zijn zaak. Daarnaast heeft de verzoeker aangevoerd dat essentiƫle procedurele regels niet zijn nageleefd. Zo zijn betrokkenen niet gehoord, hetgeen in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. Tot slot heeft de verzoeker aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen, hetgeen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces.
3. Het standpunt van de rechter
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per brief van 30 maart 2026.
De rechter heeft aangevoerd dat bij beschikking van 19 maart 2026 reeds door de rechter is beslist op het verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker.
4. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat in de onderliggende procedure een verzoek tot ondercuratelestelling van de verzoeker aan de orde is. De mondelinge behandeling van dat verzoek heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de rechter op dit verzoek beslist. De verzoeker heeft het wrakingsverzoek op 20 maart 2026 ingediend waarmee het verzoek tot wraking is gedaan nadat de rechter in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat een einduitspraak is gedaan. Om die reden kan de verzoeker dan ook niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen aanleiding. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gelet op het vorenstaande niet toegekomen.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan- de verzoeker;- de gewraakte rechter, mr. M.E. van Rossum;- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 9 april 2026 door mr. C.M. Telman, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.