RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/314297-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/247150-24, 18/321732-24 en 18/061122-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat
onder parketnummer 18/247150-24:
1. primair
hij in of omstreeks de periode tussen 8 juni 2023 en 6 mei 2024 te Groningen, althans in Nederland een ambulance uniform, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
Stichting Ambulancezorg Groningen, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode tussen 13 februari 2024 en 6 mei 2024 te Groningen, althans in Nederland (van) een ambulance uniform, althans een of meer voorwerpen
Sub b
-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
-gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2 primair
hij in of omstreeks de periode tussen 1 juli 2022 en 6 mei 2024 te Groningen, althans in Nederland opzettelijk portofoons en/of mobilofoons en/of (medische) tassen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan het Rode Kruis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als vrijwilliger bij het Rode Kruis, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2 subsidiair
hij op of omstreeks 5 en 6 mei 2024 te Groningen (van) portofoons en/of mobilofoons en/of (medische) tassen, althans een of meer voorwerpen
Sub b
-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
-gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
3
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 22 september 2022 te Groningen opzettelijk een onderscheidingsteken heeft gedragen en/of een daad heeft verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde en/of waarin hij was geschorst, door meermalen bij een (verkeers)ongeval te verschijnen in een veiligheids-/reflectiehesje waar 'POLITIE' op staat vermeld;
onder parketnummer 18/321732-24:
1. primair
hij in of omstreeks de periode tussen 8 oktober 2023 tot en met 1 augustus 2024 te Groningen, althans in Nederland opzettelijk een AED (merk: ZOLL, serienummer: [nummer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan het Rode Kruis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als vrijwilliger bij het Rode Kruis, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode tussen 8 oktober 2023 tot en met 1 augustus 2024 te Groningen, althans in Nederland (van) een AED (merk: ZOLL, serienummer: [nummer] ), althans een of meer voorwerpen
Sub b
-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
-gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen, bij het verrichten van een of meer handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak benadeling en/of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander, te weten [slachtoffer 1] , heeft veroorzaakt, door
terwijl hij, verdachte, geen verpleegkundige en/of (andere) medische opleiding afgerond heeft en hij, verdachte, bij het verrichten van bovengenoemde handeling(en) zichzelf (derhalve) redelijkerwijs niet (voldoende) bekwaam en/of bevoegd kon of mocht achten en/of verdachte (derhalve) wist en/of ernstige reden had om te vermoeden dat hij, verdachte, bij het verrichten van die handelingen benadeling en/of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van [slachtoffer 1] veroorzaakte;
3
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het door verdachte laten beoordelen van haar gezondheidstoestand en/of (daarbij)
bestaande die feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,
4
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord te gebruiken terwijl verdachte niet werkzaam is bij Ambulancezorg Limburg-Noord en/of enige ambulancedienst in Nederland, en/of zijn, verdachtes, amnese en/of medische bevindingen en/of werkdiagnose en/of (medisch) advies op dit formulier weer te geven en/of op voornoemd formulier een ambulanceverpleegkundige (AVP) code te noteren, terwijl hij geen ambulanceverpleegkundige is, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
5
hij in of omstreeks de periode van 25 januari 2024 tot en met 12 september 2024 te Groningen, althans in Nederland (zie proces-verbaal van bevindingen PL0100-2024118239-30 dossiernummer 2024147853) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verklaring Landelijke RVV Ontheffing valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door een document op te maken met de titel verklaring Landelijke RVV Ontheffing en (daarbij) de vermelding van (onder andere)
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
6
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen, als bestuurder en/of eigenaar van een Volkswagen Kombi (kenteken [kenteken 1] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de [adres] en/of [adres] te Groningen, terwijl die Volkswagen Kombi (kenteken [kenteken 1] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
7
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen als bestuurder en/of eigenaar van een bedrijfsauto - als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de [adres] en/of [adres] te Groningen, terwijl die bedrijfsauto niet was voorzien van (een) geluidssignaalinrichting(en) zoals voorgeschreven in genoemde regeling;
8
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Groningen, althans in Nederland een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een politielegitimatiebewijs, waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad;
onder parketnummer 18/061122-26:
1
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Sneek en/of Leeuwarden, althans in Nederland, als bestuurder van een Mercedes Sprinter (kenteken [kenteken 2] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten op de [adres] en/of de [adres] te Leeuwarden, in elk geval in Leeuwarden en/of Sneek, terwijl die Mercedes Sprinter (kenteken [kenteken 2] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of
knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
2
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland in het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten de ambulancegarage van het Frisius Medisch Centrum te Leeuwarden bij een ander, te weten bij Frisius Medisch Centrum, althans bij een ander of
anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
3
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Groningen en/of Leeuwarden en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Verklaring inzake feitelijke gang van zaken d.d. 04-08-2025, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door de verklaring op te maken in naam van [naam 1] en (digitaal) te ondertekenen met de naam [naam 1] en/of [naam 2] en/of BIG-nummer [nummer] met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
4
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Sneek en/of Leeuwarden, althans in Nederland, als bestuurder en/of eigenaar van een bedrijfsauto en/of personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen - daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten op de [adres] en/of de [adres] te Leeuwarden, in elk geval in Leeuwarden en/of Sneek, terwijl die bedrijfsauto en/of personenauto niet was voorzien van (een) geluidssignaalinrichting(en) zoals voorgeschreven in genoemde regeling;
onder parketnummer 18/314297-25:
1
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Groningen, althans in Nederland,
althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
2
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Groningen, althans in Nederland,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Groningen, althans in Nederland, als bestuurder en/of eigenaar van een Mercedes Vito (kenteken [kenteken 3] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Ringweg van Groningen, terwijl die Mercedes Vito (kenteken [kenteken 3] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
4
hij op of omstreeks 18 november 2025 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 160 lid 4 Wegenverkeerswet 1994, gedaan door een ambtenaar of ambtenaren, te weten [verbalisant] en/of [verbalisant] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten,
door, nadat deze ambtena(a)r(en) hem had(den) bevolen of van hem had(den) gevorderd de autosleutel van de Mercedes Vito met kenteken [kenteken 3] af te geven ten behoeve van technisch onderzoek aan dat voertuig, hieraan geen gevolg te geven;
5
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2022 tot en met 18 november 2025 te Groningen, althans in Nederland, een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een politielegitimatiebewijs, zijnde een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk heeft opgemaakt of vervalst.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard ten aanzien van het onder parketnummer 18/314297-25 feit 5 ten laste gelegde, omdat dit hetzelfde feitencomplex betreft als feit 8 onder parketnummer 18/321732-24.
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder parketnummer 18/247150-24 feit 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en van het onder parketnummer 18/321732-24 feit 1 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18/247150-24 feit 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde, voor het onder parketnummer
18/321732-24 feit 1 subsidiair en 2 tot en met 8 ten laste gelegde, voor de onder parketnummer 18/061122-26 ten laste gelegde feiten en voor het onder parketnummer 18/314297-25 feit 1 tot en met 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/247150-24 feit 2 primair en het onder parketnummer 18/321732-24 feit 1 primair ten laste gelegde heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de spullen van het Rode Kruis ooit rechtmatig onder zich heeft gehad. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/321732-24 feit 3 ten laste gelegde heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat verdachte, door zich voor te doen als ambulanceverpleegkundige, mevrouw [slachtoffer 1] heeft gedwongen haar gegevens met hem te delen en hem haar medische situatie te laten beoordelen. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/061122-26 feit 2 ten laste gelegde heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat verdachte niet gerechtigd was om de ambulancegarage in te rijden en kennelijk met een onjuist verhaal of door zich voor te doen als echte ambulancechauffeur wederrechtelijk in de garage is binnengedrongen.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18/247150-24
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Zij heeft ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte het ambulance-uniform op enig moment heeft weggenomen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het ambulance-uniform niet van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft aangegeven het uniform te hebben gekregen van een persoon op de Jaarbeurs in Utrecht; verdachte was in de veronderstelling dat dit iemand betrof van het Witte Kruis. Er is door het Openbaar Ministerie onvoldoende nader onderzoek gedaan naar deze verklaring. Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij van plan was om de goederen aan het Rode Kruis terug te geven, waardoor het opzet op wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. In het geval het opzet door de rechtbank wordt aangenomen, verzoekt de raadsvrouw om de datum in de bewezenverklaring te beperken tot 6 mei 2024, te weten de dag waarop de goederen bij verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte verklaard het hesje ter plaatse te hebben gekregen van de politie.
Ten aanzien van parketnummer 18/321732-24
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 8 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 7 heeft de raadsvrouw verzocht om de dagvaarding partieel nietig te verklaren, omdat in de tenlastelegging niet nader is omschreven wat wordt bedoeld met zoals voorgeschreven in genoemde regeling. Daarnaast is de tenlastelegging onbegrijpelijk. Artikel 5.3.71 lid 5 Regeling voertuigen impliceert strafbaarstelling van iets dat een verdachte heeft gedaan, terwijl in de tenlastelegging verdachte wordt verweten nalatig te zijn geweest. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de overige ten laste gelegde feiten. Zij heeft ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de AED van het Rode Kruis te koop heeft aangeboden en hij aldus als heer en meester over dat goed is gaan beschikken. Verdachte had juist een afspraak gemaakt met het Rode Kruis om de AED terug te brengen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de AED van misdrijf afkomstig was. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet alle feitelijkheden, zoals genoemd in de tenlastelegging, kunnen worden bewezen. Daarnaast is niet onderzocht in hoeverre de gezondheid van mevrouw [slachtoffer 1] concreet is benadeeld door de handelingen van verdachte of in hoeverre daarvoor een aanmerkelijke kans aanwezig was. Uit de handelingen van verdachte kan bovendien niet de conclusie worden getrokken dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij de gezondheid van mevrouw [slachtoffer 1] benadeelde of de aanmerkelijke kans daarop veroorzaakte. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat de handelingen van verdachte niet van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven
omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kan bieden. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk had om het formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Met betrekking tot feit 5 kan op basis van het dossier niet de conclusie worden getrokken dat verdachte het formulier zelf heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt. Ten aanzien van feit 6 heeft verdachte de Memorie van Toelichting op de ten laste gelegde bepaling gelezen en de conclusie getrokken dat zijn voertuig voorzien mag zijn van blauw licht, omdat hij werkzaam is in repatriëring en daarmee onder de bepaling van artikel 29 lid 1 RVV 1990 valt, specifiek onder “andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsinstanties”.
Ten aanzien van parketnummer 18/061122-26
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 4 verzocht om de dagvaarding partieel nietig te verklaren, zoals toegelicht onder parketnummer 18/321732-24 feit 7. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de overige ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat verdachte aangeeft dat zijn voertuig mag zijn voorzien van blauw licht, zoals toegelicht onder parketnummer
18/321732-24 feit 6. Daarnaast blijkt uit technisch onderzoek dat de sirene en de blauwkleurige ledverlichting inactief waren. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw in het bijzonder aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte het document Verklaring [naam 1] (valselijk) heeft opgemaakt.
Ten aanzien van parketnummer 18/314297-25
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 5 verzocht om niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de overige ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de gestolen goederen in zijn auto. Ten aanzien van feit 2 is op de beelden niet te zien dat verdachte de goederen heeft weggenomen, ook zijn niet alle goederen waarvan aangifte is gedaan bij hem aangetroffen. Ten aanzien van feit 3 verwijst de raadsvrouw naar hetgeen eerder is aangevoerd over het voorzien zijn en het werken van blauw licht op het voertuig van verdachte. Ten aanzien van feit 4 geeft verdachte aan dat er geen vordering is gedaan of bevel is afgegeven.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/247150-24 feit 1 primair
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ambulance-uniform zelf heeft weggenomen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/247150-24 feit 1 subsidiair
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024147853 d.d. 25 juli 2024, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 5 mei 2024 te Groningen spraken wij met [verdachte] . Het was ons bekend dat [verdachte] is gezien in een ambulance-uniform. Ik vroeg aan [verdachte] waarom hij een ambulance-uniform droeg. [verdachte] vertelde dat hij dit uniform mag dragen. Op ons verzoek liet [verdachte] het uniform zien. Wij zagen dat het om een echt ambulance-uniform ging. In de zoom van de polo en de broek zagen wij een stiksel met daarop de tekst: AZG Veendam - Veendam reserve.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3] namens Stichting Ambulancezorg Groningen:
Ik wil aangifte doen van diefstal dan wel verduistering van dienstkleding. Op dinsdag 7 mei 2024 werd ik gebeld door de politie in Groningen. Mij werd de vraag gesteld of ik iets kon vertellen over dienstkleding die is aangetroffen. Ik herkende de dienstkleding als dienstkleding die bij Ambulancezorg Groningen in gebruik is. De kleding staat geregistreerd als reservekleding die bij de ambulancepost in Veendam in gebruik is geweest. Ambulancezorg Groningen is eigenaar van de dienstkleding. De kleding is op geen enkele wijze vrijwillig afgestaan. De ambulancekleding is herkenbaar en onderscheidend.
Overweging
De rechtbank stelt op grond van het dossier en naar aanleiding van het onderzoek ter zitting vast dat verdachte een ambulance-uniform heeft gedragen en daarmee (bewust) voorhanden heeft gehad, terwijl hij niet werkzaam was als ambulanceverpleegkundige. Uit de aangifte volgt dat deze kleding niet vrijwillig is afgestaan door de rechthebbende en dat er geen toestemming is gegeven deze mee te nemen. De rechtbank acht, gelet op de aangifte, het vermoeden gerechtvaardigd dat het bij verdachte aangetroffen ambulance-uniform van misdrijf afkomstig is. Van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het uniform niet van misdrijf afkomstig is. Verdachte verklaart dat hij werkzaam is bij het Witte Kruis en dat hij het ambulance-uniform van iemand van het Witte Kruis heeft gekregen op de Jaarbeurs in Utrecht.1 De politie heeft onderzoek gedaan naar deze weinig concrete verklaring. Hieruit volgt dat verdachte niet als medewerker geregistreerd staat in het systeem van het Witte Kruis.2 Verdachte heeft hierover dus aantoonbaar onjuist verklaard. Mede gezien het feit dat een ambulance-uniform niet vrij overdraagbaar is, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte heeft geweten dat het uniform van misdrijf afkomstig is.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/247150-24 feit 2 primair
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 5 mei 2024 te Groningen zagen wij in het voertuig van [verdachte] een portofoon en een ingebouwde mobilofoon liggen. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat deze van hem waren. Bij het opstarten van de mobilofoon verscheen het logo van het Rode Kruis. Tevens lag er
in de middenconsole een portofoon welke ook het logo van het Rode kruis vertoonde. Wij zagen dat, toen [verdachte] de kofferbak opendeed, daarin meerdere EHBO-tassen lagen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Het was mij bekend dat er een mobilofoon en twee portofoons zaten in het voertuig van [verdachte] . Ik hoorde collega [verbalisant] zeggen dat er op de zijkant van portofoon 2 een sticker zat van [bedrijf 2] . Ik hoorde collega [verbalisant] zeggen dat toen hij de sticker verwijderde, hij zag dat er gegraveerd in
portofoon 2 de volgende tekst stond: Rode Kruis [nummer] . Ik, verbalisant [verbalisant] , keek naar de zijkant van portofoon 1 en zag ook een sticker van [bedrijf 2] . Ik verwijderde de sticker en zag dat er gegraveerd in portofoon 1 de volgende tekst stond: Rode Kruis [nummer] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Collega [verbalisant] vond in het in beslag genomen voertuig in een vak onder een stoel een Sepura portofoon. Wanneer deze portofoon aangezet werd, verscheen er in het scherm de volgende tekst:
" [bedrijf 1] ". Ik las in het bericht van [verbalisant] , werkzaam bij het [bedrijf 1] , dat dit een portofoon van het [bedrijf 1] was. Deze was ooit geleverd aan het Rode Kruis. Het Rode Kruis heeft gemeld dat deze portofoon miste.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 mei 2024, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als de verklaring van [naam 4] namens het Rode Kruis:
[verdachte] is vrijwilliger bij ons, maar hij mag niet zomaar onze goederen onder zich hebben als hij niet in dienst is. Hierop hebben wij onderzoek gedaan, en wij misten de volgende goederen: portofoons (onder andere [nummer] en [nummer] ), mobilofoon en medische tassen. De aangetroffen tassen met medische goederen zijn van het Rode Kruis. We missen ook nog een Sepura portofoon. Deze portofoon hebben wij in bruikleen van Ambulancezorg Groningen. Alle goederen mogen nooit mee naar huis worden
genomen of in eigen voertuig worden vervoerd. Wij hebben [verdachte] nooit gevraagd om de goederen onder zich te houden.
Overweging
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en acht de verduistering in de ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen. Er zijn diverse goederen van het Rode Kruis in het voertuig van verdachte aangetroffen. Uit het dossier volgt dat verdachte in de betreffende periode als vrijwilliger in dienst was bij het Rode Kruis en toegang had tot deze goederen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte op enig moment rechtmatig portofoons, mobilofoons en medische tassen onder zich heeft gehad. Uit het dossier volgt echter ook dat verdachte deze goederen niet onder zich mocht blijven houden. De goederen van het Rode Kruis mogen niet mee naar huis worden genomen of in eigen voertuig worden vervoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen in zijn auto had liggen vanwege een dienst op Bevrijdingsdag 2024, en dat hij van plan was de goederen de volgende dag in te leveren bij het Rode Kruis.3 Het Rode Kruis geeft echter aan dat verdachte op en rond Bevrijdingsdag niet is ingezet en geen enkele portofoon onder zich hoort te hebben.4 Bovendien heeft verdachte op de portofoons stickers van zijn eigen bedrijf over het kenmerk van het Rode Kruis geplakt, wat naar het oordeel van de rechtbank wijst op de bedoeling van verdachte de spullen voor zichzelf te gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich de goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/247150-24 feit 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
In verband met de informatie dat [verdachte] zich vaker uit zou hebben gegeven voor
verpleegkundige, politieagent heb ik, verbalisant [verbalisant] , in de beschikbare politiesystemen een zoekslag gemaakt waarin [verdachte] als betrokkene was ingevoerd. Onderstaande betreft informatie uit een mutatie dan wel een proces-verbaal van bevindingen.
Melding te Groningen 23 september 2022 om 15:23 uur. Er stond een auto met pech. Er stond een ander voertuig bij, de bestuurder betrof [verdachte] . [verdachte] had een origineel geel politiehesje aan met aan de voor- en achterzijde "politie" vermeld. Op mijn vraag of hij collega was gaf hij te kennen dat dit het geval was. Op de vraag of hij zijn politielegitimatie kon tonen, gaf hij uiteindelijk toe dat hij niet werkzaam was bij de politie. () De bestuurder van het pechvoertuig gaf later aan dat [verdachte] zich had uitgegeven als zijnde een politiemedewerker. Hij was ook continu aan de telefoon en gaf aan alles te regelen. Melding te Groningen 23 september 2022 om 15:45 uur. De motorrijder van de ambulance was bij een verkeersongeval geweest. Er kwam een voertuig aanrijden op naam van [verdachte] . Er stapte een jongeman uit en deze trok een veiligheidshesje aan waarbij op de achterzijde politie stond. Deze jongeman was naar de ambulancemedewerker gelopen en had gevraagd om informatie over wat er was gebeurd.
Hierop verklaarde de jongeman dat hij was aangestuurd door de meldkamer en dat hij vanaf de [adres] te Groningen naar het ongeval was gestuurd. Ik heb de ambulancemedewerker de RDW-foto van [verdachte] getoond. Hierop kwam een 100-procent herkenning.
Overweging
De rechtbank merkt op dat de ten laste gelegde periode luidt, na een wijziging van de tenlastelegging: op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 september 2022. Uit het dossier volgt dat verdachte op 23 september 2022 het politiehesje heeft gedragen. De officier van justitie en de raadsvrouw hebben in hun requisitoir respectievelijk pleidooi ook de datum 23 september 2022 aangehouden. De rechtbank merkt de datum 22 september 2022 aan als een kennelijke verschrijving en zal de tenlastelegging verbeterd lezen.
De rechtbank overweegt dat uit het relaas van de politie blijkt dat verdachte zich op 23 september 2022 bij twee verschillende verkeersincidenten heeft gemeld om hulp te verlenen, gehuld in een geel politiehesje. De enkele, niet nader onderbouwde, verklaring van verdachte, dat hij dit hesje bij een eerder incident van de politie had gekregen en ook mocht dragen, wordt niet bevestigd door de politie en vindt verder geen enkele steun in het dossier. Er is dan ook geen rechtvaardigingsgrond voor het handelen van verdachte.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 1 primair
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 augustus 2024, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024250667 d.d. 3 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [naam 4] namens het Rode Kruis Groningen:
Pleegdatum: tussen 8 oktober 2023 en 1 augustus 2024
Er ontbreekt een AED uit het Rode Kruis magazijn. Merk: ZOLL. Kleur: geel. Serienummer: [nummer] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2024, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op Marktplaats werd door ' [bedrijf 2] ' een AED te koop aangeboden, merk ZOLL. Verbalisant [verbalisant] zag een gele AED in de ambulance bus van [verdachte] liggen. Wij vroegen of dit de AED was welke hij te koop aanbood. Dit beaamde [verdachte] . Wij zagen dat het serienummer uit de aangifte,
[nummer] , overeenkwam met het serienummer op de AED afkomstig van [verdachte] .
Overweging
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen ten aanzien van parketnummer 18/247150-24 feit 2 primair, volgt uit het dossier dat verdachte (in ieder geval tot 6 mei 2024) als vrijwilliger in dienst was bij het Rode Kruis en in die hoedanigheid toegang had tot goederen van het Rode Kruis. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte op enig moment rechtmatig de AED onder zich heeft gehad uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking. Verdachte is echter als heer en meester over de AED gaan beschikken door de AED van het Rode Kruis onder zich te houden en vervolgens op Marktplaats te koop aan te bieden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee de AED zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik kwam aanrijden en zag mevrouw [slachtoffer 1] liggen. Ik heb mij over haar ontfermd. Ik heb haar bloeddruk twee keer opgemeten, aan haar heup lichamelijk onderzoek gedaan, een standaard anamnese. Ik heb gezegd dat ik dacht dat ze haar been niet had gebroken. Ik heb haar dextro gegeven en gevraagd of ze wilde proberen op te staan. Dat wilde niet, want ze had te veel pijn. Ik zei dat ik paracetamol had. Bij haar thuis heb ik een formulier uitgeschreven. Ik heb de anamnese opgeschreven en gezegd dat ze dit aan haar huisarts kon doorgeven.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 september 2024, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 12 september ben ik ten val gekomen. Ik had acute pijn waardoor ik mij niet kon verplaatsen. Ik zag dat er een ambulance parkeerde en er een man uitstapte. Hij vroeg mij meerdere keren waar ik pijn had. Ik heb mijn medische gegevens aan hem verstrekt. Vervolgens zag ik dat hij terug liep naar zijn ambulance bus en terug kwam met iets. Ik hoorde hem zeggen: dit is zout en kan je op zuigen of kauwen. Ik heb deze toen in mijn mond gestopt en opgegeten. De ambulancebroeder vroeg: zullen we proberen of je op kunt staan. Dit heb ik gedaan, dit deed erg veel pijn. Ik zag dat de ambulancebroeder weer naar de ambulance bus liep en terug kwam. Hierbij overhandigde hij mij twee dextro snoepjes. Vervolgens kwam hij ook met een bloeddruk meter. Hij ging mijn bloeddruk meten. Ik hoorde hem zeggen dat dit lager was dan gemiddeld maar wel normaal gezien de situatie. Ik hoorde de ambulancebroeder zeggen: ik heb wel ibuprofen. Bij mijn woning aangekomen overhandigde de ambulancebroeder mij een formulier van de ambulance. Ik hoorde hem zeggen dat hij hulp had verleend en dat ik dit kon overhandigen aan mijn huisarts. Het ging erom wat hij had opgeschreven. Ik hoorde hem zeggen dat zijn inschatting was dat ik niet met de ambulance mee hoefde en het geen spoed was. En dat ik waarschijnlijk niks gebroken had maar wel contact moest opnemen met mijn eigen huisarts. Ik wist eigenlijk niet beter dan dat deze man bij de ambulance werkte.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 september 2024, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Op 12 september 2024 te Groningen zag ik een vrouw op de grond liggen. Er kwam een ambulance aanrijden. Ik zag dat de chauffeur uitstapte. Ik was in de veronderstelling dat hij een ambulanceverpleegkundige was. Hij ging met de vrouw in gesprek. Hij vroeg haar hoe het ging en waar de pijn zat. Ik zag dat hij over haar been voelde. Ik hoorde hem zeggen: het voelt niet gebroken en probeer maar te staan. Ik zag dat de man van de ambulance naar zijn bus liep en terug kwam met Lakisal. Ik hoorde hem zeggen: ik ga je wat zout toedienen. Ik zag dat hij een bloeddrukmeter pakte. Hij was de bloeddruk aan het meten van de vrouw. De man liep weer naar de ambulance. Ik zag dat hij terug kwam
met Dextro en de vrouw daarvan twee gaf. Hij heeft nogmaals haar bloeddruk opgemeten. Ik zag dat de man van de ambulance iets op een officieel document schreef. Het leek wel een overdrachtskaart. Hij schreef iets op en ik zag iets van Latijnse woorden. Ik zag op een gegeven moment dat hij het document aan [slachtoffer 1] overhandigde.
Overweging
De rechtbank heeft de tenlastelegging aldus geïnterpreteerd dat de kern van het verwijt is het zich voordoen als ambulanceverpleegkundige en het onderzoeken en het beoordelen van de gezondheidstoestand van mevrouw [slachtoffer 1] . De door verdachte verrichte handelingen jegens mevrouw [slachtoffer 1] , die aan de hand van de gedachtestreepjes nader worden genoemd, leest de rechtbank als de feitelijke uitwerking hiervan. Verdachte heeft door het verrichten van voornoemde handelingen, in onderlinge samenhang bezien en gelet op de context waarin deze zijn verricht, naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van mevrouw [slachtoffer 1] veroorzaakt. Verdachte is immers geen daartoe opgeleid en gediplomeerd
(ambulance-)verpleegkundige, maar heeft tegenover mevrouw [slachtoffer 1] de indruk gewekt die hoedanigheid wel te hebben. Als zodanig helpt, onderzoekt en beoordeelt hij de gezondheidstoestand van mevrouw [slachtoffer 1] . Zo voelt hij aan haar been, concludeert dat er niets is gebroken en spoort haar aan te gaan staan, terwijl mevrouw [slachtoffer 1] veel pijn heeft. Vervolgens stuurt hij haar naar huis met een medisch advies, geschreven op een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord. Niet is gebleken dat mevrouw [slachtoffer 1] zich in een situatie bevond waarin het afwachten op een arts of een ambulance niet tot de mogelijkheden behoorde. Door de in art. 96 lid 1 jo art. 36 Wet BIG genoemde handelingen buiten noodzaak te verrichten, terwijl verdachte daartoe onbekwaam en/of onbevoegd was, wist hij dat hij daardoor een aanmerkelijke kans op de benadeling van de gezondheid van mevrouw [slachtoffer 1] veroorzaakte. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 3
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van handelingen van zodanige aard, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kon bieden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde dwang.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 4
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb een formulier uitgeschreven, hier heb ik de anamnese opgeschreven. Ik heb de code van mijn bedrijf ingevuld bij Code AVP.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 september 2024, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 12 september in mijn woning te Groningen overhandigde de ambulancebroeder mij een formulier van de ambulance. Ik kon dit overhandigen aan mijn huisarts.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2024, opgenomen op pagina 74 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
[slachtoffer 1] overhandigde mij het formulier dat zij van [verdachte] had ontvangen. Ik zag dat dit een formulier betrof van Ambulancezorg en afkomstig was van Limburg-Noord. Bij anamnese/ onderzoek zag
ik het volgende staan: Patiënt is gevallen, linkerzijde, presenteert acute pijn in de onderrug, verm Lumbago acuta, pijn straalt uit naar de linkerbilstreek. Geen radiculaire symptomen, geen tekenen van trauma. Bij werkdiagnose zag ik het volgende staan: lumbago acute, diff: lumbale discopatie//confusie heup. Bij advies/afspraken zag ik het volgende staan:
Pijnstilling (nsaids)
Fysio bij aanhoudende klachten contact HA/HAP voor advies.
Overweging
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Verdachte heeft een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord ingevuld en de indruk gewekt dat het ging om een medisch formulier, een daadwerkelijke zorgoverdracht, derhalve met bewijsbestemming. Hij heeft een medische beoordeling en medisch advies genoteerd met daarbij een AVP-code. Verdachte is niet werkzaam bij de Ambulancezorg en heeft ook geen AVP-code. Door het formulier op deze manier in te vullen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank dat formulier vervalst. Hij heeft daarbij het oogmerk gehad om het formulier als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Hij heeft het formulier immers aan mevrouw [slachtoffer 1] verstrekt en daarbij gezegd dat ze het aan haar huisarts kon overhandigen.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 5
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2024, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024147853 d.d. 25 juli 2024, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Wij zagen dat het voertuig van [verdachte] gebruik maakte van de busstrook. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij hiervoor een ontheffing had. Ik zag dat hij wees in de richting van zijn dashboard alwaar hij een A4'tje had liggen. Dit betreft een uitgeprint A4'tje waarop staat dat betrokkene vrijstelling heeft van de RVV.
2. Een schriftelijk bescheid, te weten de Verklaring Landelijke RVV Ontheffing, opgenomen op pagina 106 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer
PL0100-2024250667 d.d. 3 oktober 2024.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail d.d. 6 november 2024, opgenomen op pagina 19 e.v. van het aanvullende proces-verbaal behorend bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024250667 d.d. 3 oktober 2024, voor zover inhoudend:
Ik ben werkzaam bij Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement. De door [verdachte] getoonde 'Verklaring Landelijke RVV Ontheffing' stelt gebaseerd te zijn op de door RWS uitgegeven beschikking met kenmerk: [kenmerk] . Dit is niet juist. [bedrijf 2] heeft geen vrijstelling van bepalingen krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zelfstandig aangevraagd en derhalve ook niet ontvangen. De voornoemde beschikking is op 25 januari 2024 uitgegeven aan het Nederlandse Rode Kruis.
Overweging
De rechtbank acht de valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen. In de 'Verklaring Landelijke RVV Ontheffing van verdachte staat beschikkingsnummer [kenmerk] . De beschikking met dit nummer is echter verstrekt aan het Rode Kruis en niet aan het bedrijf van verdachte. Het Rode Kruis heeft als
vrijstellingshouder de mogelijkheid om een vrijwilliger van een verklaring te voorzien, maar uit het dossier blijkt niet dat het Rode Kruis een vrijstelling heeft verstrekt aan verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en gelet op de uiterlijke kenmerken van de ontheffing, waarop het logo en de naam van het bedrijf van verdachte zijn opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de ontheffing valselijk heeft opgemaakt. Verdachte is ook de enige die belang heeft bij een dergelijke ontheffing. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd of aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel nopen.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feiten 6 en 7
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2024, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 12 september 2024 reden wij over de [adres] te Groningen. Ik zag een gele Volkswagen Transporter ter hoogte van de [adres] rijden. Ik zag een manspersoon in het voertuig zitten die mij ambtshalve bekend is als [verdachte] . Het voertuig was voorzien van kenteken [kenteken 1] . We hebben het voertuig naar het politiebureau laten vervoeren voor technisch onderzoek.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2024, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik heb het voertuig onderzocht. Het voertuig is voorzien van de dakset met daarin transparante LED's. Ik heb op het bedieningspaneel de blauwe verlichting ingeschakeld waarbij ik zag dat de dakset daadwerkelijk blauw flitslicht vertoonde. Vervolgens heb ik via het bedieningspaneel de tweetonige hoorn ingeschakeld, ik hoorde dat ook deze werkte. Ik heb via het bedieningspaneel gekeken of de amberkleurige verlichting in de dakset werkte. Ik zag dat deze verlichting in de dakset werkte en ook daadwerkelijk inschakelde. Vervolgens heb ik gekeken of de groene LED in de dakset ook werkte. Deze lamp wordt gebruikt om aan te geven dat het hulpverleningsvoertuig als eerste bij een incident ter plaatse is gekomen. Ik zag ook dat deze lamp inschakelde.
Overweging ten aanzien van feit 6
De rechtbank verstaat het verweer dat namens verdachte is gevoerd als een beroep op de aanwezigheid van verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht, hetgeen tot afwezigheid van alle schuld leidt en derhalve tot ontslag van alle rechtsvervolging. Namens verdachte is betoogd dat hij er van uit is gegaan, en er van uit kon gaan, dat hij ambulancevervoer mocht verlenen in het kader van repatriëring, in het bijzonder dergelijk vervoer van en naar een luchthaven in Nederland ter verder vervoer van een patiënt komend uit of gaand naar het buitenland. Uit de Wet op de Ambulancezorgvoorzieningen zou, volgens de verdediging, volgen dat dergelijk buitenlandvervoer ook door anderen dan de RAV kan plaatsvinden en dat de (bedrijfs-)auto van verdachte onder de bepaling van artikel 29 RVV valt en dat hij om die reden blauw licht mag voeren.
De rechtbank overweegt als volgt. Het vervoeren van patiënten in het kader van buitenlandvervoer is, blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet op de Ambulancezorgvoorzieningen, indien en voor zover dit op Nederlands grondgebied plaatsvindt, geen ambulancezorg in de betekenis van voormelde wet, tenzij er sprake is van medische noodzaak en vervoer door een ambulance in de aanwezigheid van een ambulancezorgprofessional.5 Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verdachte niet beschikt over de relevante professionele kwalificaties om medische zorg te verlenen.
Reeds om deze reden kan van verdachte niet gezegd worden dat hij, al dan niet in het kader van buitenlandvervoer, ambulancezorg verricht. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat hij zich niet kan beroepen op het bepaalde in artikel 29 RVV. De rechtbank overweegt daarnaast dat
verdachte ook niet valt onder de andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsinstanties. Verwezen zij naar artikel 29 lid 1 RVV juncto artikel 1 Regeling Optische en geluidssignalen 2009, waarin limitatief wordt aangegeven welke hulpverleningsdiensten signalen mogen voeren. Particulieren, zoals verdachte, die patiënten vervoeren vallen daar niet onder. Voorts heeft de rechtbank geen feiten en omstandigheden kunnen vaststellen op grond waarvan verdachte niet onder het bepaalde van artikel
5.3.65 lid 2 Regeling voertuigen valt.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die zich als professionele zorgverlener presenteert en ter zitting heeft verklaard zich in de relevante wet- en regelgeving te hebben verdiept, die kennis had moeten en kunnen vergaren. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verontschuldigbare dwaling dan ook faalt.
Overweging ten aanzien van feit 7
Namens verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding op dit onderdeel tot (partiële) nietigheid dient te leiden, nu in de eerste plaats het onderdeel zoals voorgeschreven in genoemde regeling niet nader feitelijk omschreven is. In de tweede plaats stelt de verdediging dat de tenlastelegging onbegrijpelijk is en, zo begrijpt de rechtbank, in elk geval daarom op dit onderdeel nietig dient te worden verklaard.
De rechtbank overweegt als volgt. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging is toegespitst op het bepaalde in artikel 5.3.71 lid 5 Regeling voertuigen. De steller van de tenlastelegging heeft de verwijzing in die bepaling naar artikel 5.3.71 lid 1-3 Regeling voertuigen omschreven als zoals voorgeschreven in genoemde regeling. Hoewel die formulering genoemde regeling enigszins ongelukkig is, kan het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier niet anders zijn dan dat dit onderdeel van de tenlastelegging verwijst naar artikel 5.3.71 lid 1-3 en niet naar de Regeling voertuigen in haar algemeen. Zo bezien is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voldoende feitelijke omschrijving. Daarnaast is ter zitting niet gebleken dat verdachte niet op de hoogte was van de inhoud en de strekking van het hem verweten feit.
Ten aanzien van het tweede verweer overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de redactie van de tenlastelegging in voldoende kenbare mate worden afgeleid wat het verwijt is: overtreding van het bepaalde in artikel 5.3.71 lid 5 Regeling voertuigen door te rijden in een bedrijfsauto die niet voldoet aan de technische eisen als omschreven. Of de handeling van verdachte als een nalaten of als het overtreden van een verbodsbepaling moet worden gezien (hetgeen in casu in wezen op hetzelfde neerkomt), is naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling van het verwijt niet van belang, aangezien de betreffende bepaling - te stellen eisen met betrekking tot signaalvoering - handelingsneutraal is omschreven. Het beroep op de (partiële) nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/321732-24 feit 8
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feiten 1 en 4
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Wij reden op 4 augustus 2025 met het voertuig met kenteken [kenteken 2] op een incident in Sneek af. Later zijn we naar het ziekenhuis in Leeuwarden gereden en heb ik [naam 1] thuis gebracht.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2025, opgenomen op pagina 36 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025208432
d.d. 2 maart 2026, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 4 augustus 2025 zagen wij het voertuig met kenteken [kenteken 2] . Het voertuig staat op naam van [verdachte] . We hebben het voertuig afgesleept.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2025, opgenomen op pagina 39 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 5 augustus 2025 heeft er onderzoek plaatsgevonden aan het voertuig Mercedes Sprinter met het kenteken [kenteken 2] . In het voertuig is communicatieapparatuur en zijn optische- en geluidsignalen (OGS) aanwezig. De volgende OGS zijn nog aanwezig op het voertuig:
Overweging
De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen zij heeft overwogen onder parketnummer 18/321732-24 feiten 6 en 7. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de bewoordingen van artikel 5.3.65 Regeling voertuigen niet volgt dat het feitelijk functioneren van de blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten een vereiste voor strafbaarheid is.
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feit 2
De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkele geldige reden had om in de ambulancegarage aanwezig te zijn. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende hoe verdachte in de garage is binnengekomen. Er kan niet worden vastgesteld waarom de slagboom voor verdachte open is gegaan. Het Frisius Medisch Centrum kan dit niet meer nagaan en heeft om die reden zelf ook geen aangifte willen doen.6 De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte het pand wederrechtelijk is binnengedrongen, zodat verdachte van dit feit
zal worden vrijgesproken.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feit 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2025, opgenomen op pagina 59 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 6 augustus 2025 heeft de politie twee verklaringen ontvangen namens [naam 1] en
namens [verdachte] . Beide verklaringen geven een woordelijke gang van zaken over de gebeurtenissen in de nacht van 3 op 4 augustus. In de verklaring van [naam 1] staat het volgende: [naam 1] , BIG nummer: [nummer] , beroep: verpleegkundige. Ik zag dat dit BIG nummer was toegekend aan [naam 2] met als beroep verpleegkundige. Bij bevragen van het BIG register op de geboortedatum van [naam 1] in combinatie met zijn naam geeft het register aan dat er geen verpleegkundigen zijn met deze personalia.
Tevens is op te merken dat de voorletter van [naam 1] een [letter] is. De [naam 1] in het BIG-register heeft een [letter] als voorletter.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] :
O: Ik laat het document zien van een verklaring inzake feitelijke gang van zaken MSG Ambulancezorg. P: Herken jij dit?
V: Mijn naam wordt hier genoemd, maar ik heb helemaal geen weet van dit document. Er staat onder deze registratie een BIG nummer, dit heb ik niet. Er staat ook dat ik verpleegkundige ben, ik ben zorgverlener. Ik heb dit document nooit gezien en nooit ondertekend, dit is een vals opgemaakte verklaring waarin mijn naam wordt misbruikt.
Overweging
Uit het dossier valt op te maken dat tijdens de Sneekweek, in de nacht van 3 op 4 augustus 2025, verdachte met zijn ambulance samen met [naam 1] hulp heeft willen verlenen bij een incident, wat uiteindelijk door de politie is voorkomen. In verband met deze situatie heeft verdachte twee verklaringen over de feitelijke gang van zaken aan de politie overhandigd: één van hemzelf en één van [naam 1] . In de verklaring van [naam 1] wordt vermeld dat zij beschikt over een BIG-registratie, wat onjuist is gebleken. [naam 1] heeft met klem ontkend dat zij deze verklaring zelf heeft opgesteld en ondertekend. Zij stelt dat zij niet is ingegaan op het verzoek van verdachte de betreffende, door hem opgestelde, verklaring te ondertekenen en onderbouwt dit met screenshots van een app-conversatie met verdachte.7 Haar verklaring wordt door de rechtbank betrouwbaar geacht en wordt ondersteund door de resultaten van het nadere politieonderzoek naar de app-conversatie tussen verdachte en [naam 1] .8 Uit de screenshots blijkt dat het gesprek over het ondertekenen van de verklaring plaatsvindt enkele dagen nadat verdachte de verklaring bij de politie heeft ingeleverd. Volgens verdachte heeft [naam 1] op zijn verzoek gereageerd met het bericht “verstuurd” maar dit bericht is niet terug te vinden in de screenshots van de telefoon van [naam 1] . De rechtbank ziet aanwijzingen dat verdachte de berichten op de door hem aangeleverde screenshots heeft gemanipuleerd nu deze afwijken van de screenshots van de telefoon van [naam 1] en daarnaast de tijdstippen van het versturen van de berichten niet chronologisch zijn. De rechtbank hecht dan ook geen waarde aan de door verdachte aangeleverde screenshots en acht op basis van de verklaring van [naam 1] , die zoals gezegd steun vindt in het dossier, bewezen dat verdachte de verklaring heeft opgesteld én met de naam van [naam 1] heeft ondertekend en aldus vervalst.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feit 1 en feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2025, opgenomen op pagina 109 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025313149 d.d. 21 november 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 23 oktober 2025 zijn uit de gymzaal [gymzaal] spullen van mij gestolen. Een zwarte handtas met daarin mijn bankkaarten (1 Nederlandse, 1 Revolut en 1 Hongaarse), mijn Hongaarse identiteitskaart en een hoofdtelefoon.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 november 2025, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 6] :
On 29/10/2025 I left my things in the changing room [gymzaal] , everything is gone. Kleding: grijs, winter sweatpants.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2025, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Plaats delict: [adres] Groningen op 5 november 2025. Er zijn spullen gestolen uit de kleedkamer, waaronder een jas van mij, merk: Bershka, kleur: beige.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2025, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Plaats delict: [adres] Groningen op 5 november 2025. Vandaag is mijn tas gestolen uit de kleedkamer met schoolbenodigdheden en een portemonnee. De tas is zwart van het merk charm.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2025, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :
Plaats delict: [adres] Groningen op 5 november 2025. Er zijn spullen uit de kleedkamer gestolen. Mijn schoenen, New Balance, zijn gestolen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 november 2025, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 7] :
Plaats delict: [adres] Groningen op 5 november 2025. Wij hadden onze spullen in de kleedkamer gelegd. Mijn bruine broek van Zara en witte T-shirt zijn verdwenen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 18 november 2025 hielden wij ons bezig met het posten op een voertuig voorzien van kenteken [kenteken 3] . Dit voertuig staat op naam van een bedrijf: [bedrijf 3]
. Ons is ambtshalve bekend dat de eigenaar van dit bedrijf
[verdachte] is geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] . () Na controle van het voertuig werd bestuurder [verdachte] aangehouden. Het voertuig werd meegenomen naar het politiebureau te Groningen. In de laadbak van het voertuig zagen wij een tas waar kleding uit puilde. Wij zagen een zwarte tas. Tezamen met collega [verbalisant] controleerden wij, na in beslagname, de tassen en goederen. Ik, verbalisant [verbalisant] , opende de portemonnee welke zichtbaar was in de grote tas van het merk 'Charm'. Ik zag in deze portemonnee een pas van het Holland Casino op naam van "Mevr. [slachtoffer 5] ". Tevens zag ik een pas van het [school] op naam van " [slachtoffer 5] ". Ik verbalisant [verbalisant] zocht op deze gegevens in de politiesystemen. Ik zag dat er een persoon uit kwam, namelijk, [slachtoffer 5] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] . Ik zag dat zij op 7 november 2025 aangifte had gedaan ter zake diefstal in/uit sportcomplex (niet gekwalificeerd) aan de [adres] te Groningen. Ik zag in de aangifte dat haar tas uit de kleedruimte van de korfbalvereniging was weggenomen. Ik zag dat in de aangifte werd gesproken over een zwarte tas van het merk Charm, twee schoolschriften, een portemonnee met sterretjes, een roze airup fles, een broodbakje van het merk Mepal. Wij zagen dat deze omschrijving overeenkwam met de tas en de goederen in deze tas.
Ik, verbalisant [verbalisant] , keek vervolgens in de politiesystemen en zag dat er op diezelfde datum in totaal zeven (7) aangiften waren gedaan van diefstal vanuit de kleedruimte. Wij, verbalisanten, keken vervolgens in de grote zwarte tas. Ik zag dat in het linker vak een kleine zwarte handtas zat. Wij leegden de inhoud van deze tas en zagen een pasjeshouder. Ik, verbalisant [verbalisant] , opende de pasjeshouder en zag dat er een Hongaars identiteitsbewijs in zat. Ik zag dat deze op naam stond van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2002. Ik verbalisant [verbalisant] zocht op deze gegevens in de politiesystemen. Ik zag dat zij op 26 oktober 2025 aangifte had gedaan ter zake diefstal in/uit sportcomplex aan de [adres] te Groningen. Dit feit is gepleegd op 23 oktober 2025. Ik zag dat in de aangifte werd gesproken over een handtas. Ik zag dat in de aangifte werd gesproken over verschillende bankkaarten, namelijk 1 Nederlandse, 1 revolut en 1 Hongaarse. Een Hongaarse identiteitskaart, en een hoofdtelefoon. Wij zagen dat deze goederen in de tas aanwezig waren. Ik, verbalisant [verbalisant] , keek vervolgens in de politiesystemen en zag dat er op diezelfde datum in totaal twee (2) aangiften waren gedaan van diefstal vanaf deze
locatie. Wij bekeken vervolgens de inhoud van de grote zwarte tas verder. Wij zagen in het middelste vak een vrouwenjas. Wij zagen dat dit een lange jas betrof van het merk Bershka, beige van kleur. Wij zagen in de rechterjaszak een fietssleutel met een sleutelhanger, rond van vorm met roze waar de tekst: "All you need is love and some chocolate" in stond. Deze Bershka jas behoort bij één van de zeven aangiftes welke gedaan is vanaf het [adres] te Groningen.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2026, opgenomen op pagina 186 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Er zijn goederen aangetroffen in het voertuig van [verdachte] . Ik trof een grijze joggingsbroek aan. Ik had contact met aangeefster [naam 6] en ik vroeg haar de broek te omschrijven. Ik zag
dat de omschrijving overeenkwam met de broek welke voor mij lag. Hierop heb ik haar
gebeld middels video en toonde ik de broek. Ik hoorde dat zij aangaf dat dit haar broek betrof.
9. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik ben op 5 november 2025 bij het sportcomplex aan het [adres] geweest.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2025, opgenomen op pagina 168 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant] , had de beelden bekeken welke waren gevorderd bij het sportcomplex aan het [adres] te Groningen. Video 1 entree. Ik zag dat de aangegeven datum 5 november 2025 betrof. Ik zag een witte Mercedes Vito met kenteken [kenteken 3] richting het sportcomplex rijden. Video 2 achterzijde pand sportcomplex. Er stapte een man uit. Ik zag dat de man naar de hoek van het pand liep en daar uit beeld verdween. Dit gebeurde om 14.19.08 uur. Om 14.24.38 uur kwam dezelfde man weer in beeld. Het was zichtbaar dat de man een grote bruine doos in zijn handen hield en richting de Vito liep.
Vervolgens is te zien dat de doos in de Vito wordt geplaatst, de man in de Vito plaatsneemt en vervolgens wegrijdt. Ik heb de beelden uitgekeken, maar zag niet dat er mensen via dezelfde route als de man richting de kleedkamers waren gelopen. Video 3 voorzijde pand sportcomplex. Ik zag dat de man richting een deur liep, deze opende en vervolgens het gebouw betrad.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 28 november 2025, opgenomen op pagina 171 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende. Ik zag camerabeelden welke zijn gefilmd bij het [adres] nummer [nummer] te Groningen. Ik herken de persoon op de het filmpje als [verdachte] .
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2025, opgenomen op pagina 173 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant] , keek naar camerabeelden, gemaakt door beveiligingscamera's rondom het sportcomplex. Ik zag dat de persoon de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] betrof.
Overweging
In de laadbak van het voertuig van verdachte zijn twee tassen aangetroffen met goederen die bleken te zijn gestolen vanuit kleedkamers op twee verschillende sportlocaties. Uit camerabeelden blijkt dat verdachte op één van deze locaties (aan het [adres] ) geweest is ten tijde van de diefstal, waarbij is gezien dat hij naar binnen is gegaan en weer naar buiten is gekomen met een doos in zijn handen. De verklaring van verdachte, dat hij daar was om een kast op te halen die hij via Marktplaats zou hebben gekocht van ene [naam 7] , blijkt na onderzoek van de politie onjuist te zijn.
De politie heeft namelijk de identiteit van [naam 7] weten te achterhalen. [naam 7] heeft verklaard dat zij in 2025 geen kast via Marktplaats heeft verkocht. Ze heeft ook niet op of nabij het [adres] afgesproken.9 Gelet op de camerabeelden in combinatie met het aantreffen van de gestolen spullen in de auto van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal uit het sportcomplex aan het [adres] heeft gepleegd.
Er is geen bewijs dat verdachte de goederen die zijn weggenomen uit de gymzaal aan het [gymzaal] zelf heeft gestolen. Deze spullen bevonden zich toen de politie ze aantrof in een tas in de laadbak van zijn auto, in de directe nabijheid van deels zelfs in dezelfde tas als de goederen waarvan de rechtbank hierboven bewezen heeft geacht dat hij deze zelf heeft gestolen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben daarvan, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van deze goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de goederen eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. De rechtbank acht ten aanzien van de uit de gymzaal aan het [gymzaal] gestolen spullen dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het bewijsverweer wordt derhalve verworpen.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feiten 3 en 4
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 18 november 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Wij, verbalisanten, [verbalisant] en [verbalisant] , verklaren het volgende. Op 18 november 2025 hoorden wij van collegas dat zij te Groningen achter [verdachte] reden. Hij zou rijden in een Mercedes Vito. Ik, verbalisant [verbalisant] , vroeg aan [verdachte] of hij een sleutel had van de Mercedes Vito. Wij hoorden dat hij zei dat hij de sleutel inderdaad had, maar dat hij deze niet wilde afgeven. Wij legden uit dat wij de
Mercedes Vito voor technisch onderzoek 24 uur uit het verkeer wilden halen. Ik, verbalisant [verbalisant] , legde hem uit dat hij aangehouden kon worden als hij de sleutel niet af zou geven aan mij. Ik gaf hem het bevel de sleutel aan mij te geven. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij de sleutel niet ging afgeven.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 18 november 2025 zagen wij dat het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 3] de ring op reed. Het voertuig werd ter controle van de technische staat meegenomen naar het politiebureau. Wij zagen dat het voertuig voorzien was van twee flitsledlampen in
de grill aan de voorzijde van het voertuig. Wij zagen dat het voertuig tevens voorzien was van twee flitsledlampen aan de bumper, zowel aan de linker voorzijde als de rechter voorzijde. Ook zagen wij dat aan de binnenzijde, achter de voorruit, in het midden van het dashboard tegen de ruit aan een flitsledlamp was bevestigd. Wij zagen dat het voertuig aan de beide zijkanten, ongeveer in het midden, op het dak, twee ledlampen had opgebouwd. Ik zag dat er links van het stuur een console bevestigd zat met 6 knopjes. Ik herkende dit console als een bedieningspaneel voor optische-geluidsignalen.
Overweging
De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen zij heeft overwogen onder parketnummer 18/321732-24 feit 6 en onder parketnummer 18/061122-26 feiten 1 en 4.
Veroordeling ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feit 5
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat hier geen sprake is van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit, nu ten laste is gelegd dat verdachte het politielegitimatiebewijs heeft vervalst, terwijl verdachte onder parketnummer 18/321732-24 feit 8 wordt verweten dat hij het politielegitimatiebewijs (op een ander moment) voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummer 18/247150-24 feit 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/321732-24 feit 1 primair, 2 en 4 tot en met 8 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/061122-26 feit 1, 3 en 4 ten laste gelegde en de onder parketnummer 18/314297-25 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat
onder parketnummer 18/247150-24:
1
hij in de periode tussen 13 februari 2024 en 6 mei 2024 te Groningen, (van) een ambulance uniform
terwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2
hij in de periode tussen 1 juli 2022 en 6 mei 2024 te Groningen, opzettelijk portofoons en mobilofoons en medische tassen, die toebehoorden aan het Rode Kruis, en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als vrijwilliger bij het Rode Kruis, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3
hij op meer tijdstippen op 23 september 2022 te Groningen opzettelijk een onderscheidingsteken heeft gedragen, behorende bij een ambt dat hij niet bekleedde, door bij een (verkeers)ongeval te verschijnen in een veiligheids-/reflectiehesje waar 'POLITIE' op staat vermeld;
onder parketnummer 18/321732-24:
1
hij in de periode tussen 8 oktober 2023 tot en met 1 augustus 2024 te Groningen, opzettelijk een AED (merk: ZOLL, serienummer: [nummer] ), die toebehoorde aan het Rode Kruis, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als vrijwilliger bij het Rode Kruis, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij op 12 september 2024 te Groningen, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander, te weten [slachtoffer 1] , heeft veroorzaakt, door
terwijl hij, verdachte, geen verpleegkundige of andere medische opleiding afgerond heeft en hij, verdachte, bij het verrichten van bovengenoemde handelingen zichzelf derhalve redelijkerwijs niet bekwaam en bevoegd kon achten en verdachte derhalve wist dat hij, verdachte, bij het verrichten van die handelingen een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van [slachtoffer 1] veroorzaakte;
4
hij op 12 september 2024 te Groningen een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord
valselijk heeft opgemaakt, door een formulier van Ambulancezorg Limburg-Noord te gebruiken terwijl verdachte niet werkzaam is bij Ambulancezorg Limburg-Noord of enige ambulancedienst in Nederland, en zijn, verdachtes, anamnese en medische bevindingen en werkdiagnose en medisch advies op dit formulier weer te geven en op voornoemd formulier een ambulanceverpleegkundige (AVP) code te noteren, terwijl hij geen ambulanceverpleegkundige is, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
5
hij in de periode van 25 januari 2024 tot en met 12 september 2024 te Groningen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verklaring Landelijke RVV Ontheffing valselijk heeft opgemaakt, door een document op te maken met de titel verklaring Landelijke RVV Ontheffing en daarbij de vermelding van onder andere
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;
6
hij op 12 september 2024 te Groningen, als bestuurder en eigenaar van een Volkswagen Kombi (kenteken [kenteken 1] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de [adres] en [adres] te Groningen, terwijl die Volkswagen Kombi (kenteken [kenteken 1] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
7
hij op 12 september 2024 te Groningen als bestuurder en eigenaar van een bedrijfsauto - als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de [adres] en [adres] te Groningen, terwijl die bedrijfsauto niet was voorzien
van (een) geluidssignaalinrichting(en) zoals voorgeschreven in genoemde regeling;
8
hij op 12 september 2024 te Groningen, een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een politielegitimatiebewijs, waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad;
onder parketnummer 18/061122-26:
1
hij op 4 augustus 2025 te Sneek en Leeuwarden, als bestuurder van een Mercedes Sprinter (kenteken [kenteken 2] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten op de [adres] en de [adres] te Leeuwarden, in elk geval in Leeuwarden en Sneek, terwijl die Mercedes Sprinter (kenteken [kenteken 2] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
3
hij op 6 augustus 2025 in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een Verklaring inzake feitelijke gang van zaken d.d. 04-08-2025, valselijk heeft opgemaakt, door de verklaring op te maken in naam van [naam 1] en digitaal te ondertekenen met de naam [naam 1] en BIG-nummer [nummer] met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
4
hij op 4 augustus 2025 te Sneek en Leeuwarden, als bestuurder van een bedrijfsauto - als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen - daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, in Leeuwarden en Sneek, terwijl die bedrijfsauto niet was voorzien van (een) geluidssignaalinrichting(en) zoals voorgeschreven in genoemde regeling;
onder parketnummer 18/314297-25:
1
hij op 18 november 2025 te Groningen,
voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
2
hij op 5 november 2025 te Groningen,
die aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] of [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op 18 november 2025 te Groningen, als bestuurder en eigenaar van een Mercedes Vito (kenteken [kenteken 3] ) die niet in gebruik was bij één van de in artikel 29 en 30b van het RVV 1990 bedoelde (hulpverlenings)diensten, heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de ringweg van Groningen, terwijl die Mercedes Vito (kenteken [kenteken 3] ) is voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur;
4
hij op 18 november 2025 te Groningen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 160 lid 4 Wegenverkeerswet 1994, gedaan door ambtenaren, te weten [verbalisant] en [verbalisant] , belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren van hem hadden gevorderd de autosleutel van de Mercedes Vito met kenteken [kenteken 3] af te geven ten behoeve van technisch onderzoek aan dat voertuig, hieraan geen gevolg te geven;
5
hij in de periode van 1 september 2022 tot en met 18 november 2025 te Groningen, een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een politielegitimatiebewijs, zijnde een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk heeft opgemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op
ten aanzien van parketnummer 18/247150-24:
ten aanzien van parketnummer 18/321732-24:
4. valsheid in geschrift
5. valsheid in geschrift
6. overtreding van artikel 5.3.65 van de Regeling voertuigen
7. overtreding van artikel 5.3.71 van de Regeling voertuigen
8. een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is
ten aanzien van parketnummer 18/061122-26:
1. overtreding van artikel 5.3.65 van de Regeling voertuigen
3. valsheid in geschrift
4. overtreding van artikel 5.3.71 van de Regeling voertuigen
ten aanzien van parketnummer 18/314297-25:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte per overtreding wordt veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 400,00 en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod ex artikel 28 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, de opleiding en het bedrijf van verdachte en het tijdsverloop bij een deel van de feiten.
Daarnaast geven de bevindingen in het trajectconsult aanleiding om de feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, beroepsverbod of onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Verdachte is in staat om een taakstraf uit te voeren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering d.d. 28 april 2025 en de bevindingen van het trajectconsult d.d. 13 februari 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft, hoewel hij daartoe geen opleiding heeft gevolgd en niet bevoegd was, zich gedurende lange tijd voorgedaan als ambulanceverpleegkundige. Hij reed rond in een nauwelijks van echt te onderscheiden ambulancevoertuig, waarbij hij blauw licht en sirene voerde terwijl dat niet is toegestaan voor een particulier. Portofoons, ambulancekleding, tassen met medische goederen en een AED die hij onder zich had zijn door hem verduisterd of bleken anderszins van misdrijf afkomstig. Verdachte verscheen ongevraagd bij ongevallen of (medische) incidenten om hulp te bieden. Zijn optreden heeft meer dan eens gezorgd voor verwarring, zowel bij de hulpdiensten als bij de mensen die spoedhulp nodig hadden. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze verwarring kan zorgen voor vertraging en adequate hulpverlening kan bemoeilijken.
Verdachte heeft ook daadwerkelijk medische handelingen verricht en daarbij een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid veroorzaakt. Mensen die hulp of medische zorg nodig hebben, moeten erop kunnen vertrouwen dat een hulpverlener de benodigde deskundigheid en bekwaamheid bezit en niet onbevoegd en ondeskundig geneeskundig bedoelde handelingen verricht. Door zijn gedrag beschadigt verdachte dit vertrouwen.
Naast ambulanceverpleegkundige heeft verdachte zich ook voorgedaan als politieagent, door bij verkeersincidenten te verschijnen in een geel politiehesje en zich daarbij bekend te maken als politiemedewerker.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij het uitvoeren van zijn activiteiten meermalen documenten valselijk heeft opmaakt om ze als echt te gebruiken. Zo heeft hij een politielegitimatiebewijs vervalst en in bezit gehad, een medisch formulier valselijk opgemaakt, maar ook een getuigenverklaring en een zogenaamde RVV-ontheffing waarmee hij het voor zichzelf mogelijk wilde maken om verkeersregels te mogen overtreden. Dit schaadt het vertrouwen dat in dergelijke bewijzen wordt en moet worden gesteld.
Verdachte is vele malen gewaarschuwd door de politie, maar daar heeft hij zich niets van aangetrokken. Meerdere van zijn ambulance voertuigen zijn inbeslaggenomen, waarna hij telkens weer een nieuwe aankocht en zelf voorzag van optische- en geluidssignalen terwijl de politie hem uitdrukkelijk had verteld dat dit niet was toegestaan. Ter zitting blijft verdachte volhouden dat hij bevoegd is om in een ambulance rond te rijden en hulp te verlenen bij incidenten en geeft aan dat hij niet van plan is hiermee te stoppen. Verdachte lijkt zijn eigen vaardigheden te overschatten en niet in te zien dat zijn gedrag kan leiden tot gevaarlijke situaties. De rechtbank acht de handelwijze van verdachte zeer laakbaar.
Los van het voorgaande heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal en heling van dameskleding en persoonlijke spullen uit kleedkamers van sportzalen. Wat de aanleiding is geweest voor deze delicten is de rechtbank onduidelijk gebleven. Een groot aantal personen is hierdoor getroffen. Verdachte heeft hierbij in ieder geval blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
De rechtbank is van oordeel dat de hoeveelheid, de aard en de ernst van de feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemde trajectconsult. Daaruit blijkt dat de eerder vastgestelde diagnose ASS in 2016 door deskundigen werd bevestigd. Er worden verder aanwijzingen gezien voor ontwikkelingsproblematiek en mogelijke psychopathologie, die kunnen passen bij ASS. Daarnaast kan persoonlijkheidsproblematiek niet worden uitgesloten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport. De reclassering concludeert dat er aanwijzingen zijn voor ontwikkelingsproblematiek. In het verleden is verdachte gediagnosticeerd met ASS en er zijn aanwijzingen (het missen van non-verbale communicatie, zaken anders interpreteren dan bedoeld) die bij dergelijke problematiek kunnen passen. Tevens kan persoonlijkheidsproblematiek niet uitgesloten worden en worden er aanwijzingen gezien voor mogelijke psychopathologie. De reclassering schat het risico op recidive bij een veroordeling in als hoog gemiddeld. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en adviseert de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, toestemming tot het raadplegen van referenten en het overleggen van bewijsstukken voor gevraagde informatie.
De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande en de wijze waarop verdachte ter zitting op de rechtbank over is gekomen, de indruk dat de problematiek van verdachte in enige mate heeft doorgewerkt in de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.
Gelet op de problematiek van verdachte en de hoge kans op recidive, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een forse voorwaardelijke straf noodzakelijk is om te zorgen dat verdachte mee zal werken aan de behandeling die hij nodig heeft en om er voor te zorgen dat hij niet opnieuw een strafbaar feit zal plegen.
Op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geformuleerd in haar rapport. De rechtbank acht daarnaast per overtreding een geldboete ter hoogte van 250,00 passend en geboden.
Gelet op het feit dat verdachte zich steeds heeft voorgedaan als (ambulance)verpleegkundige en daarmee de gezondheid van een ander heeft benadeeld, acht de rechtbank het, net als de officier van justitie, noodzakelijk dat verdachte in de nabije toekomst wordt verboden een beroep uit te oefenen in de medische hulpverlening of de individuele gezondheidszorg. De rechtbank zal daarom een beroepsverbod opleggen. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte zal de rechtbank het beroepsverbod beperken tot de duur van drie jaren.
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder inzet van passende hulp wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feit 3
[naam 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 270,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feit 2
[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 164,93 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [naam 1] op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering ziet op het verlies van haar bril, hetgeen geen relatie met het ten laste gelegde feit heeft. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van 9,99, te weten dat deel van de vordering dat is onderbouwd. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [naam 1] op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een causaal verband met het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een voldoende onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feit 3
De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, wegens het ontbreken van een causaal verband met het ten laste gelegde. De door haar gestelde schade met betrekking tot het verlies van een bril is niet in verband te brengen met één van de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feit 2
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij vordert vergoeding van haar gestolen tas met inhoud. Uit het dossier blijkt dat aan de benadeelde partij haar tas met inhoud is teruggegeven.10
Inbeslaggenomen goederen
Ten aanzien van parketnummer 18/247150-24
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een ambulance shirt en een ambulance broek, moeten worden teruggegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken, zijnde de Regionale Ambulancevoorziening (RAV).
Ten aanzien van parketnummer 18/321732-24
De rechtbank acht de inbeslaggenomen Volkswagen Kombi met kenteken [kenteken 1] vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten 2, 6 en 7 zijn begaan en deze toebehoort aan verdachte.
De rechtbank acht het inbeslaggenomen legitimatiebewijs vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ten aanzien van parketnummer 18/061122-26
De rechtbank acht de inbeslaggenomen Mercedes-Benz Sprinter met kenteken [kenteken 2] vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten 1
en 4 zijn begaan en deze toebehoort aan verdachte.
Ten aanzien van parketnummer 18/314297-25
De rechtbank acht de inbeslaggenomen Mercedes-Benz Vito met kenteken [kenteken 3] vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 zijn begaan en deze toebehoort aan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen grijze joggingsbroek (1886541) moet worden teruggegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, te weten aangeefster [naam 6] .
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen rode pas universiteit Groningen moet worden teruggegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken, zijnde de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen pasjeshouder en tas Weibo Gaming moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
De rechtbank acht de inbeslaggenomen naamplaat UMCG, ambulancepas en de blauwe led flitslamp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank gelast ten aanzien van de volgende inbeslaggenomen kledingstukken de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, nu onbekend is aan wie deze kleding toebehoort:
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 28, 31, 33, 33a, 36b, 36d, 57, 62, 63,
184, 196, 225, 231, 310, 321, 322, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5.3.65 en 5.3.71 van de Regeling voertuigen en artikel 96 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/247150-24 feit 1 primair, onder parketnummer 18/321732-24 feit 3 en onder parketnummer 18/061122-26 feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18/247150-24 feit 1 subsidiair, 2 primair en 3, het onder parketnummer 18/321732-24 feit 1 primair, 2 en 4 tot en met 8, het onder parketnummer 18/061122-26 feit 1, 3 en 4 en het onder parketnummer 18/314297-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de bewezenverklaarde misdrijven (18/247150-24: feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, 18/321732-24: feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, 18/314297-25: feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, 18/06112-26: feit 3)
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Geeft aan Reclassering Nederland ( [adres] ) de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Een ontzetting uit het recht tot de uitoefening van een beroep in de individuele gezondheidszorg dan wel medische hulpverlening voor de duur van 3 jaren.
Ten aanzien van de bewezenverklaarde overtredingen:
18/321732-24 feit 6:
een geldboete ten bedrage van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.
18/321732-24 feit 7:
een geldboete ten bedrage van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.
18/314297-25 feit 3:
een geldboete ten bedrage van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.
18/061122-26 feit 1:
een geldboete ten bedrage van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.
18/061122-26 feit 4:
een geldboete ten bedrage van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.
Ten aanzien van parketnummer 18/061122-26 feit 3
Verklaart de vordering van [naam 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [naam 1] haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van parketnummer 18/314297-25 feit 2
Verklaart de vordering van [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [slachtoffer 5] haar eigen proceskosten draagt.
Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven pasjeshouder en tas Weibo Gaming.
Gelast de teruggave aan Regionale Ambulancevoorziening (RAV) aan de [adres] , van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven ambulance shirt en de ambulance broek.
Gelast de teruggave aan [naam 6] ( [geboortedatum] 1998) van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven grijze joggingsbroek.
Gelast de teruggave aan de Rijksuniversiteit Groningen van de in beslag genomen rode pas universiteit Groningen.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen Volkswagen Kombi met kenteken [kenteken 1] , de in beslag genomen Mercedes-Benz Sprinter met kenteken [kenteken 2] en de in beslag genomen Mercedes-Benz Vito met kenteken [kenteken 3] .
Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen legitimatiebewijs, naamplaat UMCG, ambulancepas en de blauwe led flitslamp.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en
mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026.
Mr. M.M. Peters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1 Zie de verklaring van verdachte op pagina 107 van voornoemd dossier.
2 Zie het proces-verbaal van bevindingen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier.
3 Zie de verklaring van verdachte op pagina 108 e.v. van voornoemd dossier.
4 Zie het proces-verbaal van bevindingen op pagina 89 van voornoemd dossier.
5 Tweede Kamer 2019-2020, 35 35471, nr. 3.
6 Zie het proces-verbaal van bevindingen op pagina 48 van voornoemd dossier.
7 Zie pagina 10 van de aanvullende processtukken behorend bij parketnummer 18-061122-26.
8 Zie pagina 34 van de aanvullende processtukken behorend bij parketnummer 18-061122-26.
9 Zie het proces-verbaal van bevindingen op pagina 203 van voornoemd dossier.
10 Zie het ontvangstbewijs op pagina 289 van het procesdossier met nummer PL0100-2025313149.