ECLI:NL:RBNNE:2026:131

ECLI:NL:RBNNE:2026:131, Rechtbank Noord-Nederland, 22-01-2026, 18-140364-25

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 18-140364-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor belediging, vernielingen, diefstal, mishandelingen, dwang, bedreigingen, het bezit en vervoeren van harddrugs, het voorhanden hebben van munitie en roekeloos rijgedrag tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, 6 maanden rijontzegging en een contact- en locatieverbod

Uitspraak

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18-291448-24

1.

hij op of omstreeks 9 september 2024 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord jou, ik schiet je. Ik schiet door je ramen vannacht, ik laat je kind hier kanker ontvoeren. Ik zweer het, ik steek haar.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2024 te Groningen een geldbedrag van 12,50 en/of een geldbedrag van 33,00, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of de ING-bank, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een wederrechtelijk verkregen pinpas, zonder toestemming van die [slachtoffer 2] , voormelde bedragen te pinnen;

3.

hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 3] met grote kracht in haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt, met een wurggreep naar de grond heeft geworpen en/of tegen haar hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met grote kracht in haar gezicht te slaan en/of stompen, met een wurggreep naar de grond te werpen

en/of een schop tegen haar hoofd te geven;

4.

hij op of omstreeks 9 september 2024 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten met hem te praten en/of niet weg te lopen, door een telefoon en/of de sleutels van [slachtoffer 3] af te pakken en/of met de scooter van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] weg te rijden;

5.

hij op of omstreeks 9 september 2024 te Groningen [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] met grote kracht te duwen, waardoor zij op de grond viel;

Parketnummer 18-033481-24

hij, op of omstreeks 30 januari 2024 te Groningen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij politie Eenheid Noord-Nederland) en/of [slachtoffer 7] (brigadier bij politie Eenheid Noord-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: 'mongool' en/of 'kankermongool', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Parketnummer 18-192253-24

1.

hij, op of omstreeks 11 juni 2024 te Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk (een deel van de) inboedel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij, op of omstreeks 19 mei 2024 te Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of een ruit, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Parketnummer 18-323583-24

1.

hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Groningen opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 3] bij haar pols vast te pakken en voor zich te positioneren en/of zijn linker arm om de hals van die [slachtoffer 3] te plaatsen en/of met zijn armen die [slachtoffer 3] stevig bij haar middel vast te pakken, met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 6] , werkzaam als hoofdagent bij eenheid Noord-Nederland, en/of [slachtoffer 10] , werkzaam als agent bij eenheid Noord-Nederland, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten om hem, verdachte, niet aan te houden en/of mee te nemen en/of om hem, verdachte, en [slachtoffer 3] te laten gaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of enige andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid (een) ambtena(a)r(en), [slachtoffer 6] , werkzaam als hoofdagent bij eenheid Noord-Nederland, en/of [slachtoffer 10] , werkzaam als agent bij eenheid Noord-Nederland, te dwingen tot het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, te weten het aanhouden en/of meenemen van verdachte en/of verdachte en [slachtoffer 3] te laten gaan, die [slachtoffer 3] bij haar pols heeft vastgepakt en voor zich heeft gepositioneerd en/of zijn linker arm om de hals van die [slachtoffer 3] heeft geplaatst en/of met zijn armen die [slachtoffer 3] stevig bij haar middel heeft vastgepakt en/of daarbij heeft gezegd dat voornoemde ambtena(a)r(en) hem en [slachtoffer 3] moesten laten gaan, althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Groningen [slachtoffer 11] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met een stalen stang, althans een bezem of dweil, rond te zwaaien;

Parketnummer 18-106511-25 na wijziging tenlastelegging:

hij op of omstreeks 13 december 2024 te Groningen,

[slachtoffer 12] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 12] de volgende woorden toe te voegen:

- " "Als ik vrij kom zoek ik je op, ik zoek uit waar je woont en steek ik je dood! Ik maak je af kanker hoer.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer 12] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;

Parketnummer 18-007386-25

hij op of omstreeks 19 november 2024 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk muren en/of (kast)deuren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 13] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Parketnummer 18-069391-25

1.

hij op of omstreeks 10 december 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

2.

hij op of omstreeks 10 december 2024 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,76 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer 18-140364-25

1.

hij op of omstreeks 6 april 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 6 april 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto

( [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 14] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op of omstreeks 6 april 2025 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door

4.

hij in de periode van 2 tot en met 21 april 2025 te Groningen op een of meer momenten [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] foto's te sturen van een wapen en/of munitie en/of (spraak)berichten te sturen met als inhoud

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij in de periode van 7 april tot en met 3 mei 2025 te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door

met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

6.

hij op of omstreeks 28 april 2025 te Groningen als bestuurder van een voertuig (crossmotor), daarmee rijdende op de openbare weg, [adres] en/of [adres] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door met een motorvoertuig dat niet geschikt is voor de openbare weg, zonder in het bezit te zijn van enig rijbewijs,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 april 2025 te Groningen als bestuurder van een voertuig (crossmotor), daarmee rijdende op de openbare weg, [adres] en/of [adres] , met een motorvoertuig dat niet geschikt is voor de openbare weg, zonder in het bezit te zijn van enig rijbewijs,

- heeft gereden op de stoep,

7.

hij in de periode van 30 maart tot en met 7 mei 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

8.

hij in de periode van 30 maart tot en met 7 mei 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 13 (kogel)patronen van het kaliber 9mm PAK (Fiocchi, LRN), zijnde omgebouwde (getransformeerde) knalpatronen, en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 (kogel)patronen van het kaliber .45 auto (Geco, Volmantel), voorhanden heeft gehad;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van parketnummer 18-323583-24 feit 1 primair dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd. Als de agenten verdachte benaderen, houdt hij [slachtoffer 3] voor zich en verschuilt hij zich achter haar terwijl een van de agenten zijn stroomstootwapen op hem probeert te richten. Door [slachtoffer 3] voor zich te houden heeft verdachte willen bewerkstelligen dat de agenten hem zouden laten gaan.

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat op de camerabeelden is te zien dat verdachte aangeefster een harde klap geeft en dat hij - als zij op de grond ligt- met zijn rechtervoet uithaalt en tegen haar hoofd schopt. Het hoofd en het aangezicht zijn kwetsbare onderdelen van het lichaam. Door met kracht tegen het hoofd te slaan en te schoppen heeft verdachte minstens voorwaardelijk opzet gehad op zwaar letsel.

Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25 feit 1 heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, te weten het tezamen in vereniging vervoeren van drugs. De nauwe en bewuste samenwerking blijkt eruit dat gezien wordt dat verdachte geld in ontvangst neemt en de medeverdachte vervolgens iets verstrekt.

Ten aanzien van het parketnummer 18-140364-25 heeft de officier het volgende aangevoerd. Voor feit 1 (vernieling telefoon) geldt dat de aangifte ondersteund wordt door de chats waarin verdachte aangeeft dat hij geld wil geven voor de telefoon. De vernieling van de auto onder feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte van [slachtoffer 15] , de fotos van de schade en de verklaring van getuige [slachtoffer 3] .

De onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte en de fotos van het letsel.

Voor feit 5 (belaging) blijkt dat verdachte meerdere keren per dag contact zoekt met aangeefster. Gelet op de context, frequentie en de aard van berichten is er sprake van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Voor de overige feiten heeft de officier van justitie eveneens veroordeling gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair onder feit 3 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, het onder parketnummer 18-291448-24,

feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegd, het onder parketnummer 18-323583-24 feit 1 en ten laste gelegde, het vervoeren/verhandelen van drugs ten laste gelegd onder feit 1 van parketnummer 18-069391-25 alsmede het onder parketnummer 18-140364-25 ten laste gelegde feit 1 (vernieling telefoon), feit 2 (vernieling auto), feit 3 (mishandeling) en feit 5 (belaging).

Ten aanzien van de vernieling van de auto ten laste gelegd onder feit 2 van parketnummer 18-140364-25 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld of de schade die twee weken later via fotos wordt getoond aan de politie het gevolg is van het handelen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24:

Feit 3 primair

Vrijspraak poging tot zware mishandeling

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Slaan, stompen en/of schoppen op het hoofd en lichaam kan een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengen. Dergelijk letsel is veelal het gevolg indien met veel kracht op of tegen een kwetsbaar lichaamsdeel, bijvoorbeeld op of tegen (een deel van) het hoofd wordt geslagen of gestompt. Het dossier bevat echter geen informatie over de manier waarop en de kracht waarmee door verdachte is geslagen, gestompt en geschopt. Hoewel verdachte heeft verklaard aangeefster te hebben geslagen, doch niet te hebben gestompt of geschopt, is niet bekend of aangeefster daardoor letsel heeft opgelopen en indien dit het geval was, waaruit dat letsel bestond. De rechtbank kan hieruit niet afleiden dat verdachte met zodanige kracht geweld heeft gebruikt dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat daardoor bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gepoogd aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24:

Feit 1

De rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe dat het, gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is dat verdachte aangeefster heeft vastgehouden met het oogmerk de verbalisanten daardoor te dwingen om verdachte niet aan te houden. Evenmin volgt

uit het dossier dat de verdachte hiermee gepoogd heeft verbalisanten te dwingen tot het nalaten van diens aanhouding. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de eventuele psychische druk zoals deze door de verbalisanten is ervaren, is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De agenten hadden onjuiste informatie van derden gekregen over de aanwezigheid van een mes, waardoor zij een andere inschatting hebben gemaakt van de situatie. Het gegeven dat verdachte en [slachtoffer 3] elkaar niet wilden loslaten en niet bij elkaar wilden weggaan, is door de agenten kennelijk aangemerkt als een bedreigende situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte anderen heeft gedwongen in de betekenis van zowel artikel 282a als artikel 179 van het Wetboek van Strafrecht, noch dat diens opzet daar op was gericht. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder feit 1.

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25:

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde.

Aangeefster verklaart dat verdachte haar telefoon zou hebben vernield. Verdachte verklaart dat aangeefster haar eigen telefoon heeft vernield. Getuige [slachtoffer 15] heeft enkel een kapotte telefoon gezien, maar heeft de gedraging waardoor de telefoon zou zijn beschadigd of vernield, niet waargenomen, waardoor haar verklaring voor geen van beide scenarios redengevend kan zijn. De rechtbank kan op basis van het dossier derhalve niet vaststellen wie de telefoon heeft vernield of beschadigd en zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 evenmin wettig en overtuigend bewezen. Verdachte erkent dat er een ruzie en een worsteling hebben plaatsgevonden, maar ontkent de ten laste gelegde handelingen. De aangifte wordt voor klein gedeelte ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen over het letsel van aangeefster. Daar staat tegenover dat op de telefoon van verdachte fotos zijn aangetroffen van 6 april 2025 waarop letsel bij verdachte te zien is. De verklaringen van aangeefster en verdachte staan aldus lijnrecht tegenover elkaar.

Om deze reden is voor de rechtbank onduidelijk gebleven wat er precies is gebeurd. Over wie begonnen is met geweld wordt door aangeefster en verdachte verschillend verklaard en er is geen ander bewijsmiddel dat hierover uitsluitsel kan geven. Verdachte zal daarom voor feit 3 worden vrijgesproken.

Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde.

Uit de inhoud van het dossier volgt het beeld van een turbulente relatie tussen verdachte en aangeefster. Deze relatie was, zo blijkt uit de verklaringen van zowel verdachte als aangeefster, doordrenkt van boosheid en er was veelvuldig sprake van over en weer aantrekken en afstoten. Aangeefster heeft eerder bij de politie verklaard dat zij verdachte opzettelijk afstoot om verdachte te triggeren, waarop verdachte dan weer reageert. De relatie werd eerder meermaals voortgezet na (een) periode(n) van aantrekken en

afstoten. Gelet op deze context is het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast te stellen of de berichten van dusdanige aard waren om daardoor aangeefster tegen haar wil te dwingen iets te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24:

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 8 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik stond op 14 augustus 2024 op het pleintje met [slachtoffer 3] . We hadden ruzie. Ik heb haar geslagen met de platte hand;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 111 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024228180 d.d. 12 september 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Hij sloeg mij twee kort achter elkaar in mijn gezicht. Hij sloeg de eerste keer met een half gebalde vuist en de tweede slag was met een gebalde vuist. Dit was beide met zijn rechterhand;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik zag dat de man, met de helm, met zijn rechter arm uithaalde en de vrouw een stomp gaf. Ik zag dat de man met zijn rechtervoet uithaalde en tegen het hoofd van de vrouw schopte;

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het

Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18-033481-24

De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18-192253-24:

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 8] .

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024131485 d.d. 20 juni 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 9] :

Op 19 Mei 2024 omstreeks 04:00 werd ik wakker in mijn huis. Ik woon aan [adres] . Omstreeks 04:40 uur zag ik op het beeldscherm van ons beveiligingscamerasysteem dat er vuur bij de voordeur was. Op dat moment omstreeks 04:41 uur hoorde ik een enorme knal. Ik zag dat het raam van de voordeur stuk was gegaan door de explosie. Ik zag dat er een brandplek op mijn voordeur zat door de explosie. Mijn deur is vernield door de knal;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2024, opgenomen op pagina 12 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik zag dat op 2024-05-19, 04:42:45 uur een persoon voor het perceel, op de stoep kwam aanlopen en even voor het perceel bleef staan. Ik zag vervolgens dat deze persoon naar de woning liep. Ik zag dat deze persoon in de camera keek en vervolgens even weg keek. Ik zag dat deze persoon een voorwerp afstak met vermoedelijk een aansteker. Ik zag dat deze persoon het voorwerp dat werd aangestoken ontvlamde. Ik zag dat deze persoon dit afgestoken voorwerp richting de woning gooide en hierna snel wegrende richting de straatzijde en uit beeld verdween. Ik zag dat er bij de woning na enkele seconden vuurflitsen en enorm veel rook te zien was. Ik hoorde ongeveer 10 seconden hierna een enorme knal en hierna was veel rook en vuurvonken te zien.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2024, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik, verbalisant [verbalisant] , bekeek de camerabeelden en ik zag gelijk aan zijn gezicht, zijn ogen dat het [verdachte] was. Het was geen enkele twijfel. Ik herkende [verdachte] direct voor 100%;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

De persoon en op still 1 herken ik als: [verdachte] . Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. De ronde vorm van zijn gezicht. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: De stand van zijn ogen en wenkbrauwen. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de still zag.

Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24:

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2024277801 d.d. 29 oktober 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 11] ;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 oktober 2024, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier d.d. 29 oktober 2024, inhoudend de verklaring van verdachte.

Ten aanzien van parketnummer 18-106511-25:

De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18-007386-25:

De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25:

De rechtbank acht feit 1, voor zover dat ziet op het vervoeren van 6,76 gram MDMA, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 8 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik moest de drugs bewaren voor iemand. Ik nam het met mij mee op straat omdat ik het niet kwijt mocht raken;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 18 december 2024, opgenomen op pagina 75 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met BVH-nummer NN 2024337385, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

BHV Goednummer: G1782017

- Nettogewicht: 6,76 gram.

Onderzoek aan '7 mini gripzakjes met groene rand met daarin in totaal 14 gele gleuftabletten met hoogdruk van "Spongebob"' (AAST3655NL).

Veiliggesteld monster afkomstig van goed AAST3655NL= AASP5921NL & AASP5922NL

De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig voor het in vereniging vervoeren van de drugs die bij de medeverdachte zijn aangetroffen, nu op basis van het dossier niet is komen vast te staan of de transacties die de verbalisanten hebben waargenomen daadwerkelijk transacties van drugs betroffen en zo ja, welke drugs die dan waren. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre van het ten laste gelegde medeplegen vrijspreken.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25:

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 april 2025, opgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025099099 d.d. 30 april 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 15] :

Zij deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer 14] , geboren op

[geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] . Op 6 april 2025 tussen 05:00 en 06:00 uur zat ik met mijn nichtje [slachtoffer 3] in de auto. Opeens kwam de ex van mijn nichtje genaamd [verdachte] opduiken. Vervolgens zag ik dat hij tegen de deur bijrijderskant aanschopte. Toen hij tegen de auto aanschopte voelde ik de auto bewegen. De schade bestaat uit een forse deuk in de deur. De auto met kenteken [kenteken] staat op naam van mijn moeder. Mijn moeder weet dat ik deze aangifte doe;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2025, opgenomen op pagina 116 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025088592 d.d. 21 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) schopte ook tegen de auto;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inclusief fotobijlage, d.d. 8 mei 2025, opgenomen op pagina 152 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

De foto's van de schade heeft [slachtoffer 14] inmiddels doen toekomen aan de politie.

De rechtbank is op basis van de verklaring van aangeefster en getuige in combinatie met de fotos van de schade, van oordeel dat voldoende vast staat dat verdachte de schade aan de auto heeft veroorzaakt.

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 6 primair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 7 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank acht feit 8 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18-291448-24 feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, het

onder parketnummer 18-033481-24, het onder parketnummer 18-192253-24 feit 1, feit 2, het onder parketnummer 18-323583-24 feit 2, het onder parketnummer 18-106511-25, het onder parketnummer 18-007386-25, het onder parketnummer 18-069391-25 feit 1, feit 2, het onder parketnummer 18-140364-25 feit 2, feit 4, feit 6 primair, feit 7 en feit 8 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24:

1.

hij op 9 september 2024 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord jou, ik schiet je. Ik schiet door je ramen vannacht, ik laat je kind hier kanker ontvoeren. Ik zweer het, ik steek haar;

2.

hij op 19 juli 2024 te Groningen een geldbedrag van 12,50 en een geldbedrag van 33,00, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een wederrechtelijk verkregen pinpas, zonder toestemming van die [slachtoffer 2] , voormelde bedragen te pinnen;

3.

hij op 14 augustus 2024 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met in haar gezicht te slaan, te stompen en een schop tegen haar hoofd te geven;

4.

hij op 9 september 2024 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en niet te doen, te weten met hem te praten en niet weg te lopen, door een telefoon en de sleutels van [slachtoffer 3] af te pakken en met de scooter van [slachtoffer 4] weg te rijden;

5.

hij op 9 september 2024 te Groningen [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] met grote kracht te duwen, waardoor zij op de grond viel;

Ten aanzien van parketnummer 18-033481-24:

hij op 30 januari 2024 te Groningen opzettelijk ambtenaren, te weten [slachtoffer 6] (hoofdagent bij politie Eenheid Noord-Nederland) en [slachtoffer 7] (brigadier bij politie Eenheid Noord-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: 'mongool' en 'kankermongool';

Ten aanzien van parketnummer 18-192253-24:

1.

hij op 11 juni 2024 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een deel van de inboedel, die aan [slachtoffer 8] , toebehoorde heeft vernield;

2.

hij op 19 mei 2024 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een deur en een ruit, die aan [slachtoffer 9] toebehoorde heeft vernield;

Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24:

2.

hij op 10 oktober 2024 te Groningen [slachtoffer 11] heeft bedreigd met met zware mishandeling, door

- die [slachtoffer 11] met een metalen kruk te slaan en slaande bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 11] ;

Ten aanzien van parketnummer 18-106511-25:

hij op 13 december 2024 te Groningen [slachtoffer 12] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

door die [slachtoffer 12] de volgende woorden toe te voegen:

- " Als ik vrij kom zoek ik je op, ik zoek uit waar je woont en steek ik je dood! Ik maak je

af kanker hoer", terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer 12] in haar hoedanigheid van ambtenaar van politie;

Ten aanzien van parketnummer 18-007386-25:

hij op 19 november 2024 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk muren en (kast)deuren, die aan [slachtoffer 13] toebehoorde heeft vernield.

Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25:

1.

hij op 10 december 2024 te Groningen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 6,76 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 10 december 2024 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,76 gram, van een materiaal, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25:

2.

hij op 6 april 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [kenteken] ), die aan [slachtoffer 14] toebehoorde, heeft beschadigd;

4.

hij in de periode van 2 tot en met 21 april 2025 te Groningen op een of meer momenten [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] foto's te sturen van een wapen en munitie en (spraak)berichten te sturen met als inhoud

6.

hij op 28 april 2025 te Groningen als bestuurder van een voertuig (crossmotor), daarmee rijdende op de openbare weg, [adres] en [adres] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door met een motorvoertuig dat niet geschikt is voor de openbare weg, zonder in het bezit te zijn van enig rijbewijs,

door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar voor anderen te duchten was;

7.

hij op 7 mei 2025 te Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

8.

hij op 7 mei 2025 te Groningen, munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 13 (kogel)patronen van het kaliber 9mm PAK (Fiocchi, LRN), zijnde omgebouwde (getransformeerde) knalpatronen, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 (kogel)patronen van het kaliber .45 auto (Geco, Volmantel), voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24

Ten aanzien van parketnummer 18-033481-24

1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van parketnummer 18-192253-24

Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van parketnummer 18-106511-25

1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van parketnummer 18-007386-25

1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

eendaadse samenloop met

2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

4. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

6. primair overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

7. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

8. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de naar zijn oordeel te bewijzen feiten wordt veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Bij deze strafeis heeft de officier van justitie ook rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, te weten een vernieling van een scooter en het verlaten van een plaats ongeval onder parketnummer 18-140364-25 gevoegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat toepassing moet worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet alleen moet worden gekeken naar de mogelijkheid van pedagogische beïnvloeding, maar ook naar de persoonlijkheid van verdachte, zijn ontwikkelingsniveau, zijn handelingsvaardigheden en zijn mogelijkheden om zijn eigen gedrag te organiseren.

Mede gelet op het voorgaande heeft de raadvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen en verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Indien de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel wil opleggen, heeft de raadsvrouw verzocht om als bijzondere voorwaarden enkel een meldplicht op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Toepassing adolescentenstrafrecht

De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing geven te geven aan het adolescentenstrafrecht en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft ondanks zijn jonge leeftijd een fors strafblad opgebouwd met daarin onder meer gewelds- en vermogensdelicten. Daarnaast zijn onder de vele feiten die thans aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen, een aantal zware feiten. De reclassering heeft in het advies van 22 december 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen, aangezien van een mogelijkheid tot pedagogische beïnvloeding geen sprake meer is. Verdachte is nauwelijks ontvankelijk voor beïnvloeding door en ondersteuning van volwassenen. Uit dossierinformatie blijkt dat zijn familie geen invloed op hem heeft. Bovendien zijn in het verleden meerdere sancties onder het jeugdstrafrecht mislukt.

Gelet op het voorgaande en in het bijzonder op de omstandigheid dat uit het rapport blijkt dat de verdachte nagenoeg niet ontvankelijk is gebleken voor een pedagogische aanpak, acht de rechtbank toepassing van het volwassenstrafrecht in deze passend en geboden.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 22

december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ter zitting door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, ter zake waarvan verdachte derhalve niet meer zal worden vervolgd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging, vernielingen, diefstal, mishandelingen, dwang, bedreigingen, het bezit en vervoeren van harddrugs, het voorhanden hebben van munitie en roekeloos rijgedrag. Deze feiten zijn gepleegd in een periode van anderhalf jaar. Verdachte heeft daarbij gezorgd voor angst en verdriet bij slachtoffers van de mishandeling en bedreigingen, zoals ook blijkt uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] en uit de ter zitting door [slachtoffer 1] op indringende wijze uitgesproken slachtofferverklaring. Verdachte heeft mensen in groot gevaar gebracht door het op zeer roekeloze wijze rijden op een crossmotor, waarbij er van geluk mag worden gesproken dat er geen doden of gewonden zijn gevallen. Door de vernielingen en het pinnen met een pinpas van iemand anders is er overlast en schade veroorzaakt. Vooral de vernieling van de deur van de woning van aangeefster [slachtoffer 9] acht de rechtbank zeer ernstig nu het tot ontsteking brengen van vuurwerk in de nabijheid van een woning tot zeer ernstige gevolgen had kunnen leiden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs en in verband daarmee ook het bezit daarvan. Door zo te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie. Het bezit hiervan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en de maatschappij in het algemeen mee.

Persoon van verdachte

Uit het reclasseringsrapport volgt dat vanaf jonge leeftijd sprake is van gedragsproblematiek bij verdachte, waarbij al vele behandelingen en hulpverlenende instanties zijn ingezet. Verdachte heeft onder toezicht gestaan van de jeugdreclassering en het afgelopen jaar ook van de volwassenenreclassering. Tot op heden kwam het toezicht meerdere keren niet van de grond; verdachte houdt zich niet aan de opgelegde bijzondere voorwaarden en de gemaakte afspraken. Ook binnen detentie kan hij zich nauwelijks conformeren aan regels. Er zijn momenteel problemen op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en geen dagbesteding. Er is sprake van een negatief sociaal netwerk, veelvuldig cannabisgebruik en van psychische problematiek. Dit zorgt ervoor dat de reclassering momenteel het risico op recidive als hoog inschat.

Gelet op de vele zorgen, de psychische problematiek, het hoge recidiverisico, de houding en motivatie van verdachte, acht de reclassering een klinische opname het meest wenselijk om enigszins gedragsverandering te bewerkstelligen. Aansluitend zou een beschermde woonsetting met voldoende ambulante behandeling noodzakelijk zijn om hem blijvend de juiste structuur, ondersteuning en begeleiding te bieden. Verdachte is voor dit genoemde wenselijke plan niet gemotiveerd, waardoor dit plan van aanpak op voorhand al kan worden ingeschat als onvoldoende haalbaar en/of uitvoerbaar.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en een ambulante behandeling. De reclassering adviseert tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Straf

Bij de oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten en de straffen die worden opgelegd voor soortgelijke feiten. Gelet op de hoeveelheid feiten en de ernst van de feiten is, naar het oordeel van de rechtbank, de enige passende straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst andermaal strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank stelt de proeftijd vast op drie jaren en zal daarbij slechts de algemene voorwaarde opleggen dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Hoewel de rechtbank diagnostiek en behandeling absoluut noodzakelijk acht, zal de rechtbank dit niet opleggen als bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht de voorwaarden voor deze verdachte te algemeen geformuleerd waardoor de kans op het niet-naleven als hoog moet worden ingeschat.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen gedurende na te melden termijn. Deze bijkomende straf wordt aan verdachte opgelegd in verband met de bewezenverklaring van, kort gezegd, het roekeloos rijden in de zin van art. 5a Wegenverkeerswet 1994.

Tevens zal de rechtbank aan verdachte een locatie- en een contactverbod opleggen, beide gedurende een periode van drie jaren, zoals nader aangeduid in het dictum.. De rechtbank zal deze verboden aan verdachte opleggen in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v, lid 2 sub a en b, Wetboek van Strafrecht. Gelet op de context van de (kennelijk inmiddels beëindigde) relatie en de veelheid van incidenten, dient er namelijk ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Derhalve zal de rechtbank deze maatregel dan ook dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 762,30 en 80,00 ter vergoeding van materiële schade en 4.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering volledig kan worden toegewezen. Voor het immateriële deel van de vordering heeft de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering afgewezen dient te worden. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadsvrouw gesteld dat niet goed vast te stellen is in welke mate de hulpverlening het gevolg is van het handelen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de telefoon, waarvoor een bedrag van 80,- wordt gevorderd, door het bewezenverklaarde feit is beschadigd. Benadeelde partij wordt ten aanzien van dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaard. Voor wat betreft de vordering van 762,30 geldt dat de moeder van de benadeelde heeft aangegeven rechthebbende van de scooter te zijn en heeft eveneens een vordering ter hoogte van hetzelfde bedrag ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering van [slachtoffer 3] in zoverre dient te worden afgewezen.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt. De relatie tussen verdachte en de benadeelde partij liep na het strafbare feit nog enige tijd door, waarna opnieuw strafbare feiten zijn gepleegd waarvoor eveneens schade wordt gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende duidelijk of en welk rechtstreeks causaal verband er is tussen het bewezenverklaarde en de psychische schade en de daardoor noodzakelijke behandeling van de benadeelde partij. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25 feit 4

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om een forse matiging van de toewijzing van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 4 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 250,00.

De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24 feit 1

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het strafbare feit geen onrechtmatige daad oplevert jegens de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt om afwijzing van de vordering gelet op de betoogde vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Ten aanzien van het ad informandum gevoegde feit bij parketnummer 18-140364-25

9. vernieling scooter op 30 november 2024

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 762,30 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard mede gelet op het tijdsverloop en de datum van herstel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering deels kan worden toegewezen, voor zover dat ziet op de vergoeding van het windscherm, de kap van de spiegel en de helft van de werkuren.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat alle reparaties een gevolg zijn van het strafbare feit. De reparatie had reeds eerder plaatsgevonden, maar zij had op dat moment geen officiële factuur gekregen. Deze heeft zij alsnog in juni gevraagd ter onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding.

De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 november 2024.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Beslag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geld mag worden teruggegeven aan verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geld dient te worden teruggegeven aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het geld teruggegeven dient te worden aan verdachte omdat uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat dit geldbedrag in relatie staat tot een strafbaar feit.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van parketnummer 96-023304-24

Bij onherroepelijk vonnis van 7 februari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 1.000,00 met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Ten aanzien van parketnummer 96-205991-24

Bij onherroepelijk vonnis van 7 februari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot2 weken hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Ten aanzien van parketnummer 96-245706-23

Bij onherroepelijk vonnis van 7 februari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot, een werkstraf van 8 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Ten aanzien van parketnummer 96-335793-23

Bij onherroepelijk vonnis van 7 februari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot, een werkstraf van 8 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 mei 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten onder parketnummer 18-140364-25 heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kunnen de vorderingen in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is besproken met betrekking tot de persoon van verdachte, ziet de rechtbank echter thans geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van de destijds opgelegde voorwaardelijke straffen te bevelen. .

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 266, 267, 284, 285, 300, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 van de Opiumwet, de artikelen26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5a en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-291448-24 feit 3 primair, parketnummer 18-323583-24 feit 1, parketnummer 18-140364-25 feit 1, feit 3 en feit 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18-291448-24 feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, het onder

parketnummer 18-033481-24, het onder parketnummer 18-192253-24 feit 1, feit 2, het onder parketnummer 18-323583-24 feit 2, het onder parketnummer 18-106511-25,

het onder parketnummer 18-007386-25, het onder parketnummer 18-069391-25 feit 1, feit 2

het onder parketnummer 18-140364-25 feit 2, feit 4, feit 6 primair, feit 7 en feit 8 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 10 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer18-069391-25 onder feit 6 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van 6 maanden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren:

zich, conform de aangehechte bijlage, niet zal ophouden rondom:

en dat hij geen direct of indirect contact zal opnemen met:

[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2005.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken hechtenis voor iedere keer

dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24

Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor de gevorderde materiële schade ad 80 en de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3] voor de gevorderde materiële schade ad 762,30 af.

Bepaalt dat [slachtoffer 3] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25 feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro); vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van parketnummer 18-232583-24 feit 1

Verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 3] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van het ad informandum gevoegde feit bij parketnummer 140364-25

9. vernieling scooter op 30 november 2024

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 4] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 762,30(zegge: zevenhonderdtweeënzestig euro en dertig eurocent); vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van parketnummer 96-023304-24

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 februari 2025.

Ten aanzien van parketnummer 96-205991-24

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 februari 2025.

Ten aanzien van parketnummer 96-245706-23

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 februari 2025.

Ten aanzien van parketnummer 96-335793-23

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 7 februari 2025.

Beslag

Gelast de teruggave aan [verdachte] van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geld ( 394,80), geregistreerd onder goednummer 1782019.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door J. Kunst, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2025.

Mr. T.R. Bosker en J. Kunst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Zwarts
  • mr. A.L.J.M.A. Janssens
  • mr. T.R. Bosker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?