RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 267400709
zaaknummer: 11779198 BU VERZ 25-1420
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 24 februari 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats] ,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara B.V..
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R419 – ‘signalen geven in een ander geval of op andere manier dan mag’, verricht op 26 juni 2024, om 23:23 uur, op het Sontplein in Groningen. De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 24 februari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. P.A. Veenstra aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
2. Betrokkene betwist de verkeersovertreding en stelt dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Onder verwijzing naar jurisprudentie voert zij aan dat de enkele verklaring dat de verbalisant niet direct een dienstvoertuig tot zijn beschikking had, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Uit het aanvullend proces-verbaal volgt dat nog geen 100 meter zat tussen de pleeg- en parkeerlocatie en waar de verbalisant zich bevond. Het valt niet in te zien waarom de verbalisant niet op de bestuurder is afgelopen om een staandehouding te verrichten. Er wordt verzocht om een proceskostenvergoeding.
3. De vertegenwoordigster stelt dat geen reële mogelijkheid bestond tot staandehouding. Artikel 5 van de Wahv spreekt van “aanstonds” vaststellen van de identiteit van de bestuurder. Daarvan is geen sprake meer als de verbalisanten te voet moeten volgen. Van hen kon in dit geval niet gevraagd worden om het voertuig achter te laten en te voet te volgen.
Beslissing
4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen en een proceskostenvergoeding toekennen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Overwegingen
5. In principe houdt de ambtenaar de bestuurder staande op het moment dat een verkeersovertreding wordt vastgesteld. Dit is alleen anders als er geen reële mogelijkheid is om betrokkene staande te houden en zijn identiteit te controleren. Dan mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
De verbalisanten geven in het zaakoverzicht aan dat betrokkene niet is staande gehouden omdat zij geen beschikking over hun dienstvoertuig hadden, dat in de wasstraat stond. Een van de verbalisanten heeft op ambtsbelofte een aanvullend proces-verbaal opgemaakt met een schets van de situatie.
Hieruit blijkt naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende dat geen reële mogelijkheid bestond om de bestuurder staande te houden. “Aanstonds” is een rekkelijk begrip. Het valt in dit geval, gezien de kleine tussenafstand, niet in te zien waarom een van de verbalisanten niet naar de bestuurder toe kon lopen om een staandehouding te verrichten terwijl de auto in of bij de wasbox stond. In dit geval mocht de ambtenaar daarom niet op kenteken bekeuren. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal anderhalve punt toekennen met een waarde van € 666,00 voor het indienen van het administratief beroepschrift en de telefonische hoorzitting en één punt met een waarde van € 947,00 toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de inleidende beschikking als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op beide fasen.
De berekening is als volgt: (1,5 (procespunten) x € 666,00 (tarief) + 1 (procespunt) x € 947,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 243,25. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 243,25.
Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.