RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.012760.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.294575.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] ,
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.M. Penn, advocaat te Maastricht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] , met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door meermalen, althans eenmaal,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, doordat
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door aan haar (gebroken) pols te draaien en/of aan haar (kunst)been te trekken;
2
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
3
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een scootmobiel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 70 gram hennep, te weten 14 gripzakjes van 5 gram gevuld met hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu deze willekeurig is. Evenzeer als verdachte is ook aangeefster [slachtoffer] als bewoonster van de woning waarin de politie de hennep heeft gevonden verantwoordelijk voor het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep, die in hun gezamenlijke slaapkamer lag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu het openbaar ministerie beslist over wie voor welke feiten wordt vervolgd. In deze zaak hebben zowel verdachte als aangeefster verklaard dat de aangetroffen hennep van verdachte was, reden waarom voor vervolging van verdachte is gekozen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Daarnaast geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat iemand anders, van wie de gedraging (mogelijk) evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging zou dienen te zijn, niet wordt vervolgd, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tegen verdachte.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak aangeefster in het bijzijn van de politie een tas met hennep uit de gezamenlijke slaapkamer heeft gepakt en aan de politie heeft overgedragen. Uit het procesdossier blijkt dat verdachte dagelijks hennep gebruikt. Hij heeft ook verklaard dat de hennep in de tas van hem was.
Dat het openbaar ministerie er onder die omstandigheden voor heeft gekozen om alleen verdachte en niet aangeefster te vervolgen, is goed navolgbaar en niet in strijd met enige rechtsregel.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen en dat het openbaar ministerie kan worden ontvangen in de vervolging.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig haar schriftelijke requisitoir veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Zij heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde het volgende aangevoerd. Aangeefster heeft spontaan, consistent en betrouwbaar verklaard, ook over haar eigen gedachten en gevoelens, terwijl zij zich in haar verklaringen ook positief over verdachte heeft uitgelaten. Steunbewijs voor haar verklaringen is aanwezig in het proces-verbaal waarin de politie beschrijft dat verdachte spontaan opmerkte dat hij aangeefster niet had verkracht. Verder zit er steunbewijs in de chatberichten van verdachte aan aangeefster met dreigende teksten. Ook de bevindingen over de situatie in de woning en de spullen die de politie daar aantreft (de broekriem, een lege drankfles en vernielde spullen, de scootmobiel) steunen haar verklaring. Dat geldt ook voor de berichten in het dossier die aangeefster heeft gestuurd aan haar vrienden: zo blijkt dat aangeefster haar vriendin [getuige] in december 2024 liet weten dat verdachte en zij relatieproblemen hadden, en aan ene [naam 2] had aangeefster laten weten dat zij zorgen had over haar veiligheid. Verder ondersteunen de kort na het incident waargenomen emoties van aangeefster haar verklaring dat zij is mishandeld en verkracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - op gronden zoals in de pleitnota verwoord - vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet wist noch had kunnen weten dat bij aangeefster de wil ontbrak om seks te hebben. Zij heeft dit niet tegen hem gezegd en zij heeft zich niet fysiek tegen hem verzet. De verklaringen van aangeefster daarover zijn niet consistent noch betrouwbaar. Aangeefster had zelf in de nacht van 10 op 11 januari meer alcohol gedronken dan zij tegenover de politie heeft toegegeven. Verbalisanten van de politie hebben beschreven dat zij vroeg in de ochtend van 11 januari contact hadden met aangeefster en dat zij zodanig onder invloed was van alcohol dat zij eerst haar roes moest uitslapen.
Aangeefster verklaarde tijdens de seks enerzijds verstijfd en in shock te zijn, maar tegelijkertijd ook tegen verdachte te hebben gezegd dat zij geen seks met hem wilde. Dat is niet met elkaar te rijmen.
Uit het procesdossier blijkt niet dat zij letsel of pijn heeft opgelopen door toedoen van verdachte. Geweld en mishandeling zijn daarom niet te bewijzen.
Daarnaast is er voor de verklaringen van aangeefster geen steunbewijs. De door de politie bij aangeefster waargenomen emoties kunnen evengoed een reactie zijn op de beschadiging van haar scooter en de akelige berichten die zij van verdachte had ontvangen. Verdachte en aangeefster hadden eerst seks, waarna zij ruzie kregen over de financiële vergoeding die aangeefster zou ontvangen voor het ongeval waarbij zij haar pols had gebroken, welke vergoeding verdachte met haar wilde delen. Aangeefster wilde dat niet maar wilde hem haar huis uit zetten, en heeft geprobeerd dat te organiseren door hem valselijk te beschuldigen van verkrachting.
De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1 primair
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 9 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 11 januari 2025 heb ik in haar woning in [plaats] seks gehad met [slachtoffer] . Ik heb die avond een halve fles (70 cl) rum gedronken en cannabis gerookt. Wij hadden een seksuele relatie en woonden samen in haar woning. Zij had eerder haar heup en pols gebroken en was geopereerd. Ik ben mantelzorger voor haar geweest. Ik heb haar die nacht tekstberichten gestuurd zoals I kill you, You fly, en Maar jij gaat van balkon. Ook heb ik de band van haar scootmobiel met een mes lek gestoken. Ik was toen heel boos.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (met bijlagen) d.d. 14 januari 2025, opgenomen op pagina 56 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025009348 (onderzoek Hiervefall) d.d. 21 maart 2025, voor zover inhoudend als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:
Vrijdag is er iets gebeurd wat [verdachte] boos heeft gemaakt, met een stel dat hem geld schuldig was voor weed. Ik ging die vrijdag vervolgens naar [bedrijf] voor werk waar ik naar huis werd gestuurd omdat ik ziek was. Toen ik thuis kwam is [verdachte] naar de winkel gegaan en kocht hij een grote fles Captain Morgan. Hij begon alleen te drinken van die Captain Morgan. Vervolgens begon hij te smsen, bellen en roepen in zijn telefoon.
Ik werd toen al wel een beetje bang. Ik vroeg hem of hij rustiger kon worden. Hij was onrustig en opgefokt. Door die telefoon was hij bezig met het stel. Maar zo nu en dan ook tegen mij. Deed hij boos tegen mij. Ik begon bang te worden. Hij ging ook met spullen gooien waaronder stoelen. Hij was steeds bezig; of met de telefoon of met mij. Ik wist op een gegeven moment niet meer tegen wie hij het had. Ik had een kom bij mij uit voorzorg voor overgeven. Hij smeet die kom weg en die kom ging stuk. Later ging hij gooien met flessen en met een vork naar mij. Hij kwam naar mij toe en toen zei hij dat hij seks wilde. Ik zei tegen hem dat ik ziek was en ik koorts had. Ik was niet lekker. Hij ging tegenover mij zitten op de bank. Hij deed zijn broek open en trok een Gucci riem uit zijn broek. De linker heup is geopereerd. Hij begon mij met zijn riem te slaan op mijn geopereerde heup. Net als met een zweep. Ik begon te huilen en ik zei hem dat het pijn deed. Hij zei “Moet ik de riem omdraaien en jou met de gesp slaan? Dat doet meer pijn”.
Hij droeg witte schoenen. Toen hij nog op de bank zat en hij gevraagd had of hij met de gesp moest slaan, trok hij zijn schoen uit en wees hij met de hak van de schoen naar mij toe. Hij had de schoen vast bij de neus en zei “Moet ik je hiermee slaan?”
Hij begon mijn broeken uit te doen. Ik zei hem “Ik wil dit niet. Ik ben ziek”. Ik smeekte hem. Hij greep ook mijn pols. Mijn pols waar ik aan ben geopereerd en hij zei “Wil je weer een gebroken pols en heup hebben?” Hij had zijn hand gebald als een vuist en bewoog die naar mijn gezicht. Alsof hij mij wilde gaan slaan met zijn vuist. Hij deed het niet. Ik zag de gestoordheid in zijn ogen. Ik zag in zijn ogen dat hij razend was.
Hij had intussen mijn broek en legging uitgetrokken. Hij heeft zichzelf uitgekleed.
Hij hield mijn pols vast en ging op mij liggen. Dit was op de hoekbank. Ik zei hem voorzichtig te zijn vanwege mijn heup. Ik zei hem dat het pijn deed. Hij kon niet binnendringen. Hij ging met zijn vingers erin (van de hand die vrij was) om een ingang te kunnen maken. Hij probeerde nog eens binnen te komen maar dit lukte niet. Hij probeerde weer om binnen te komen en dit ging iets beter. Ik voelde dat hij met zijn vingers erin ging en daarna kwam hij wel binnen met zijn penis.
Toen ging hij eruit en hij begon mij daar te likken. Toen stopte hij met likken en ging hij een derde keer naar binnen en kwam hij klaar. Ik was alleen maar bang dat hij mijn pols of heup ging breken. Dat zou mij teveel zijn.
V: Je hebt het over binnendringen. Waar drong [verdachte] binnen bij jou?
A: In de vagina.
V: Wat dacht jij toen [verdachte] bovenop jou kwam en probeerde binnen te dringen?
A: Ik was alleen maar bang dat hij mijn pols en heup zou gaan breken. En mijn kaak zou breken. Dat hij mij niet zou gaan slaan met zijn vuisten.
Ik probeerde van alles om mij te weren. Hij dreigde mij. Hij vroeg ook aan mij of ik niet wilde vliegen vanuit het balkon en dat hij mij wilde gooien van het balkon. Dit heeft hij ook met de buurman gedaan.
V: Wat kon [verdachte] aan u zien dat u angst had?
A: Dat wist hij. Hij zei ook “Are you afraid? Are you afraid now?” Dat wist hij wel. V: Wat kon [verdachte] aan u zien of horen toen hij u uitkleedde?
A: Ik zei de hele tijd tegen hem dat hij mij met rust moest laten. Ik probeerde hem uit te leggen dat ik ziek was en hij mij met rust moest laten. Hij zag ook aan mij dat ik verschrikt was. Ik durfde mij niet meer te verweren want ik was bang dat hij mijn pols zou breken. In augustus was mijn pols gebroken.
Ik was bang voor mijn leven. Voordat hij wegging vroeg hij mij nog eens of ik wilde vliegen van het balkon.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten de in bijlage 1 bij de aangifte opgenomen screenshots van Whatsapp berichten van verdachte aan aangeefster op 10 en 11 januari 2025, onder meer inhoudend:
“Maar jij gaat van balkon”; “Ik ga je breken”;
“I gonna hit you”; “Come inside You fly”; “I kill you”.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden
d.d. 11 januari 2025, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant]:
Informatief gesprek met [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ().
Op 11 januari 2025 omstreeks 14:00 uur hadden wij een informatief gesprek met [slachtoffer] . ()
[slachtoffer] vertelde ons het volgende:
()
[verdachte] heeft aan mijn gebroken pols gedraaid. Hij zei dat hij mij zou slaan en mijn kaak zou breken. Hij dreigde mijn pols en kaak te breken. Hij dreigde mij te slaan en heeft ook aan mijn been gedraaid waar ik een prothese heb. Dit deed mij pijn.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2025, opgenomen op pagina 8 van het aanvullende proces-verbaal met nummer PL0100-2025009348-4, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op zaterdag 11 januari 2025, was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met de surveillance voor de gemeente Hoogeveen .
Omstreeks 12.37 kregen wij het verzoek van het Operationeel Centrum Drachten om een collega te bellen. Ik hoorde de collega zeggen dat er drie personen voor het politiebureau in Hoogeveen staan. Ik zag twee
vrouwen en een man staan. Ik zag en hoorde dat één van de vrouwen in het gebrekkig Engels sprak en paniekerig over kwam. Dit bleek betrokkene [slachtoffer] te zijn. Ik begreep uit haar verhaal dat zij problemen heeft met een man die bij haar in huis woont en dat hij haar met de dood heeft bedreigd en heeft mishandeld. Ze liet mij direct een WhatsApp gesprek zien tussen haar en hem. Ik zag bovenin de naam [verdachte] staan. Ik zag veel berichten, waarin meerdere doodsbedreigingen stonden. Ik zal hier een fotoblad van maken en bij dit proces-verbaal voegen. Ik zag dat de man [verdachte] betrof.
Ik hoorde haar zeggen dat er afgelopen nacht ook al politie aanwezig is geweest. Ik heb vervolgens aangegeven dat wij in de politie systemen gingen zoeken en bekijken wat er afgelopen nacht is gebeurd en afgesproken. Ik zag dat er collega's omstreeks 02.00 uur, naar het genoemde adres zijn gestuurd. Er was namelijk een melding van huiselijk geweld. Ik las dat het verhaal voor de collega's niet helemaal duidelijk was in verband met de taalbarrière. Ik las dat de betrokkene [verdachte] niet meer aanwezig was en dat de collega's de betrokkene
[slachtoffer] naar een andere plek hebben gebracht.
Ik ben vervolgens samen met mijn collega teruggelopen naar [slachtoffer] . Ineens hoorde ik betrokkene [getuige] zeggen dat [slachtoffer] in de tussentijd aan haar had verteld dat ze is verkracht door betrokkene [verdachte] . Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat dit rond 01.00 uur vannacht is gebeurd, drie maal. Ik hoorde haar zeggen dat zij mishandeld zou worden als ze geen seks zou hebben. Ik hoorde haar zeggen dat haar kaak dan gebroken zou worden.
Betrokkene: Achternaam [getuige] Voornamen [getuige]
Geboren [geboortedatum] 2000 Geboorteplaats [geboorteplaats]
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2025, opgenomen op pagina 37 van voornoemd procesdossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op zaterdag 11 januari omstreeks 21:00 uur, was ik samen met mijn collega belast met het thuis brengen van het slachtoffer [slachtoffer] . () aan [adres] . Het was niet schoon en opgeruimd en er lagen meerdere kapotte spullen op de grond.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met fotos bijgevoegd d.d. 11 januari 2025, opgenomen op pagina 41 van voornoemd procesdossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op zaterdag 11 januari 2025 was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met incidentenafhandeling. Omstreeks 19:00 uur gingen wij ter aanhouding onderweg naar [adres] . Aldaar is verdachte [verdachte] woonachtig welke buiten heterdaad moest worden aangehouden ter zake verkrachting onder dwang, bedreiging en mishandeling. Omstreeks 19:15 uur kwamen wij op eerder genoemd adres. Om 19:20 uur pakte ik samen met collega [verbalisant] de verdachte vast voor zijn voordeur en zei ik tegen de verdachte dat hij was aangehouden, niet tot antwoorden verplicht was en recht had op een advocaat. Ik zei tegen de verdachte dat hij in het dienstvoertuig te horen kreeg waarvan hij verdacht werd, gezien er ook buren rondliepen, en wij anders de privacy van verdachte hierdoor niet kon waarborgen. De verdachte vertelde ineens uit zichzelf dat hij haar niet had verkracht en dat dit een manier was om hem weg te krijgen.
8. De eigen waarneming van de rechtbank die bij het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2026 door haar persoonlijk is gedaan op pagina 48 van voornoemd procesdossier, voor zover inhoudende:
De rechtbank neemt op foto 6 op het afgebeelde bed een mes en een broekriem waar.
9 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2025, opgenomen op pagina 172 van voornoemd procesdossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op zaterdag 11 januari 2025, was ik, verbalisant [verbalisant] met collega [verbalisant] belast met een dienst ten behoeve van de incidentenafhandeling in [plaats] . Op die dag, omstreeks 19.00 uur, gingen wij naar [adres] voor een aanhouding buiten heterdaad. Op het cellencomplex nam ik nog een speekseltest af bij [verdachte] . Ik zag dat deze speekseltest positief testte op cannabis. Ik hoorde [verdachte] ook verklaren dat hij vandaag meerdere joints had gerookt.
Bewijsmotivering
Bewijs in zedenzaken
Voorop staat dat zedenzaken vaak gekenmerkt worden door beperkt bewijs. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn immers meestal slechts twee personen aanwezig, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de verdachte het ten laste gelegde ontkent, is doorgaans de verklaring van het slachtoffer over de seksuele handelingen het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Vaste rechtspraak is dat de rechter dan ook alleen tot een bewezenverklaring kan komen als de (betrouwbaar geachte) verklaring van het slachtoffer voldoende wordt ondersteund door ander bewijs.
Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten wordt bekrachtigd door ander bewijs. Dit bewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan de belastende verklaring en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van het slachtoffer. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.
De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van het slachtoffer moet worden onderscheiden van de vraag of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is. Dit neemt niet weg dat het steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer.
Aan de rechtbank ligt dus ter beantwoording voor of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is, en zo ja, of deze voldoende ondersteund wordt door ander bewijs. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank is van oordeel dat aangeefster in haar verhoor consistent en specifiek heeft verklaard over de seksuele handelingen (waaronder het seksueel binnendringen) die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Aangeefster benoemt concrete gebeurtenissen en omstandigheden en vermeldt daarbij details over de toenemende psychische ontregeling van verdachte in de bewuste nacht, het geweld dat hij tegen haar gebruikte en zijn verbale dreigementen, die lijken op de bedreigingen die hij haar later in tekstberichten heeft gestuurd (I kill you, You fly, Maar jij gaat van balkon).
De raadsman heeft aangevoerd dat aangeefster zelf onder invloed van alcohol was. De raadsman heeft daarbij kennelijk het oog op de passage in het proces-verbaal van aangifte waarbij wordt verwezen naar
een waarneming die hun collegas in de bewuste nacht zouden hebben gedaan over mogelijk alcoholgebruik door aangeefster. Een dergelijke waarneming is niet rechtstreeks in het procesdossier geverbaliseerd en aangeefster heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor haar toestand in die nacht, namelijk dat zij koorts had en in paniek verkeerde. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze passage in het proces-verbaal van aangifte dus niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.
Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat de verdachte zowel ter terechtzitting als in zijn verhoor bij de politie heeft bekend dat hij op zijn initiatief seks met aangeefster heeft gehad en haar bedreigende tekstberichten heeft gestuurd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt zij deze verklaring als uitgangspunt voor de bewijsvoering.
De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte, anders dan aangeefster, geen geloofwaardige verklaring heeft afgelegd. In zijn verhoor bij de politie op 12 januari 2025 heeft verdachte verklaard in goede harmonie seks met aangeefster te hebben gehad, maar pas in zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting heeft hij die verklaring aangevuld over de ruzie over geld die zij zouden hebben gekregen ná de seks, welke ruzie de reden zou zijn geweest voor zijn bedreigende berichten, het beschadigen van haar scooter en daardoor haar angst. Die latere aanpassing van zijn verklaring tast de geloofwaardigheid daarvan aan.
De bewering van verdachte ter terechtzitting dat aangeefster hem uit haar huis wilde hebben zodat zij haar zoon in Nederland onderdak zou kunnen bieden, vindt verder ook geen steun in het procesdossier.
Steunbewijs
De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
In de eerste plaats heeft verdachte zelf erkend dat zij op zijn initiatief seks hebben gehad. Dat de politie verdachte bij zijn aanhouding zonder enige voorafgaande vraag of informatie hoorde zeggen dat hij haar niet had verkracht, steunt eveneens de beschuldiging. Daarnaast heeft de politie later op 11 januari 2025 gezien dat aangeefster paniekerig was en dat haar vriendin [getuige] toen vertelde dat zij net van aangeefster had gehoord dat verdachte haar had verkracht. Verder ondersteunen de bedreigende berichten die verdachte aan aangeefster heeft gestuurd en de beschadiging van haar scootmobiel zijn agressie en boosheid jegens haar. De waarneming van de politie dat er spullen in hun huis waren vernield, bevestigt haar verklaring daarover ook.
Tussenconclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verklaring van aangeefster en over het steunbewijs acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht.
De vervolgvraag is of de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat aangeefster de seksuele handelingen niet wilde. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Juridisch kader onder de Wet seksuele misdrijven
Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht (Sr) is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als (gekwalificeerde) opzetverkrachting of schuldverkrachting.
Voor beide varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt.
Bij opzetverkrachting is strafbaar degene die seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl diegene daadwerkelijk weet dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetvariant.
Ontbrak bij aangeefster de wil tot seksuele handelingen?
De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij de seks niet wilde. Zo heeft zij meerdere keren tegen verdachte gezegd dat zij ziek was, koorts had en geen seks wilde. Uit angst voor pijn en letsel bood zij zo min mogelijk weerstand toen verdachte haar begon te zoenen, haar uitkleedde, haar vagina likte en met zijn vingers en penis haar vagina binnendrong. Zij durfde niet tegen te werken of nee tegen hem te zeggen, omdat hij (meermaals) had gedreigd haar geweld te zullen aandoen.
Wist verdachte dit?
Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zich achteraf niet herinnert dat aangeefster de seks niet wilde, was het verdachte die onder invloed van middelen in boze en opgefokte toestand seks had met aangeefster. Aangeefster nam daartoe geen enkel initiatief. Zij heeft meermaals tegen verdachte gezegd dat zij dit niet wilde en zij heeft gehuild. Deze hoorbare en zichtbare uitingen waren kenbaar voor verdachte. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat bij aangeefster de wil ontbrak tot seks.
Gekwalificeerde opzetverkrachting?
Verdachte was als mantelzorger doordrongen van de medische toestand en lichamelijke kwetsbaarheid van aangeefster. In de bewuste nacht was hij opgefokt en agressief. Hij heeft aangeefster uitgekleed.
Vervolgens heeft hij haar op haar geopereerde heup geslagen met zijn broekriem, is hij op haar gaan liggen, en heeft hij haar geopereerde pols en haar geopereerde been gedraaid. Hij heeft gedreigd haar te slaan en heeft gezegd dat hij haar kaak en pols zou breken. Op grond van dit handelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte dwang, geweld en bedreiging heeft toegepast.
Conclusie
De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen.
Feiten 2, 3 en 4
De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Feit 2 (bedreiging aangeefster)
Feit 3 (beschadiging scootmobiel)
Feit 4 (opzettelijk hennep aanwezig hebben)
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op meerdere tijdstippen op 11 januari 2025 te [plaats] , met een persoon, te weten [slachtoffer] ,
seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door meermalen of eenmaal
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door
2
hij op 11 januari 2025 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tekstberichten en spraakberichten te sturen waarin hij, verdachte, meermaals zegt en schrijft dat hij, verdachte, [slachtoffer] om het leven zal brengen (“I kill you”), en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] van het balkon zal gooien als zij niet meewerkt, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op 11 januari 2025 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een scootmobiel, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft beschadigd;
4
hij op 11 januari 2025 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 70 gram hennep, te weten 14 gripzakjes van 5 gram gevuld met hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II van die wet.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair: gekwalificeerde opzetverkrachting;
2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
4. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Heropening van het onderzoek ter zitting
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:
Strafrecht) in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] en locatieverbod voor Hoogeveen, en
- een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (op grond van artikel 38z
Wetboek van Strafrecht).
Ook heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden. De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen heeft verdachte op 8 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, welke proeftijd is aangevangen op 23 maart 2023 toen het vonnis onherroepelijk werd. Als voorwaarden werden onder meer gesteld dat verdachte zich niet schuldig zou maken aan een nieuw strafbaar feit en dat hij zou meewerken aan toezicht door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf niet langer dan 24 maanden. Een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel en/of een contact- en locatieverbod zijn niet nodig. Verdachte heeft immers verklaard dat hij geen contact meer met aangeefster wil en dat hij nooit meer in Hoogeveen hoeft te komen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, zodat de proeftijd doorloopt en het reclasseringstoezicht kan worden hervat.
Oordeel van de rechtbank
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is tijdens de beraadslaging in raadkamer gebleken dat het onderzoek ten aanzien van de persoon van verdachte niet volledig is geweest, zodat het onderzoek moet worden heropend. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Over verdachte hebben zowel psychiater dr. A.W.M.M. Stevens als de reclassering eind 2025 een rapportage uitgebracht. De psychiater heeft in haar onderzoek informatie over verdachte verkregen van GGZ-instellingen en behandelaars binnen de penitentiaire inrichting (hierna: PI), waar verdachte is behandeld en/of heeft verbleven. Ook heeft de psychiater eerder opgemaakte rapporten over verdachte geraadpleegd.
Uit deze bronnen komt naar voren dat verdachte in het verleden is gediagnosticeerd met schizofrenie, die verdachte ervaart in de vorm van terugkerende psychotische episodes. Ook is een stoornis in het gebruik van cannabis aanwezig, evenals een gokverslaving. Instabiliteit in stemming en gedrag en suïcidaliteit worden ook gezien.
Verdachte is zowel in gedwongen als vrijwillig kader zowel ambulant als klinisch behandeld. Ook heeft hij verbleven op een forensisch psychiatrische afdeling. Er zijn aanwijzingen gezien voor een paranoïde
psychotisch toestandsbeeld, dat blijvend aanwezig is.
De psychiater dr. Stevens heeft geconcludeerd dat verdachte kampt met een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde, terwijl verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een psychotisch toestandsbeeld liet zien en onder invloed was van cannabis en alcohol.
De psychiater kon door de ontkennende proceshouding van verdachte niet onderzoeken of en zo ja, hoe de vastgestelde psychopathologie van invloed is geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Daarom was het niet mogelijk een duidelijk aandeel van specifieke psychopathologie in het ten laste gelegde te kunnen vaststellen, noch een eventueel, individueel bepaald, pathologisch bepaald recidiverisico te onderbouwen. Evenmin was het mogelijk het recidiverisico te bepalen of een advies te geven over een behandeling om het recidiverisico te verminderen.
Desondanks meent de psychiater dat verdachte baat zou hebben bij een klinische behandeling op veiligheidsniveau 2, gericht op het aanleren van meer passende copingmechanismen en het aanleren op een adequatere manier om stress en spanning te hanteren (anders dan het gebruiken van drugs).
Daarnaast vindt de psychiater het zinvol om te bekijken of bij afbouw van de antipsychotische medicatie en zonder gebruik van cannabis, psychotische symptomen zouden terugkeren. Bij een bewezenverklaring zou het seksueel grensoverschrijdende gedrag veel aandacht moeten krijgen in de behandeling. Ook zou er aandacht moeten zijn voor het resocialisatietraject, waarbij ook aandacht moet zijn voor daginvulling en dagbesteding. Ook kan in het resocialisatietraject een beschermde woonvorm worden overwogen.
De reclassering heeft geconcludeerd dat de problematiek van verdachte een hoog risico op letsel voor anderen teweegbrengt, terwijl er een hoog risico is op onttrekking aan voorwaarden. Desalniettemin wordt geadviseerd geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht het recidiverisico in te perken. Wel wordt geadviseerd om twee maatregelen op te leggen. Enerzijds een direct geldend contact- en locatieverbod, en anderzijds voor zover na detentie noodzakelijk een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hem in de PI de geneesmiddelen Olanzapine en Quetiapine zijn voorgeschreven. Dit zijn antipsychotica die ook worden voorgeschreven bij slaapproblemen, terwijl verdachte daar apart ook Lorazepam voor krijgt. De rechtbank ziet ook hierin een aanwijzing voor psychotische problematiek. Verdachte zelf heeft verklaard de medicatie niet nodig te hebben.
Tot slot overweegt de rechtbank dat verdachte in het verleden meermaals is veroordeeld voor ernstige geweldsfeiten.
Samengevat stelt de rechtbank vast dat verdachte wordt veroordeeld voor een ernstig zedenfeit, terwijl hij eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten. Er is bij verdachte sprake van een psychotische stoornis, terwijl hij geen, of slechts beperkt, ziekte-inzicht heeft. Er lijkt sprake van een hoog recidiverisico. Belangrijke vragen over toerekenbaarheid, eventuele behandelmogelijkheden en het daarbij benodigde beveiligingsniveau zijn echter onbeantwoord gebleven, mede door de ontkennende proceshouding van verdachte.
De rechtbank acht het onder deze omstandigheden noodzakelijk dat verdachte nader wordt onderzocht door een nog te benoemen psychiater én psycholoog, teneinde deze vragen alsnog beantwoord te krijgen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen acht, zoals hiervoor overwogen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de stukken in handen van de officier van justitie stellen, teneinde zorg te dragen voor de uitvoering van het hiervoor bedoelde onderzoek.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek ter terechtzitting;
- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde zorg te dragen voor multidisciplinaire rapportage pro Justitia;
- schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van één maand, maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid;
- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat, met kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en aan de benadeelde partij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. H. Brouwer en
mr. H.R. Eising, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2026.