[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem, de inspecteur.
(gemachtigde: mr. [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om teruggave bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) voor het jaar 2022 van 15 maart 2024.
Eiseres is op 6 november 2024 in beroep gekomen bij de rechtbank tegen haar aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022 (zaaknummer LEE 24/4503). De rechtbank heeft bij het inschrijven van het beroep miskend dat eiseres óók een beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om teruggave bijdrage ZVW 2022 heeft aangetekend.
De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer LEE 24/4503 op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Gelijktijdig heeft de rechtbank ook deze zaak over het al dan niet tijdig beslissen op een verzoek om teruggave bijdrage ZVW behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en echtgenoot [naam 1] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] .
Op de zitting heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat er naast het beroep met zaaknummer LEE 24/4503 een nieuw zaaknummer wordt aangemaakt voor onderhavige zaak.
Feiten
2. Eiseres heeft op 15 maart 2024 (door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024) een verzoek gedaan om een beschikking teruggave bijdrage ZVW 2022 te nemen (het verzoek). In het verzoek is onder andere – en voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“Tevens bevat deze brief een verzoek /aanvraag om een beschikking bijdrage ZvW tijdvak 2022 te nemen, vanwege de dubbele bijdrage ZvW voor dit tijdvak. Telefonisch hebben wij besproken dat er uit de aangifte 2022 ook een beschikking teruggave (dubbele) bijdrage ZvW zou moeten rollen, voor zover dit niet automatisch gaat, doe ik ([kenmerknummer]) hierbij een expliciet verzoek, danwel teken ik bezwaar aan tegen een –nog fictieve - beschikking ZvW 2022.”
Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen. Op het formulier Dwangsom Bij niet tijdig beslissen heeft eiseres het volgende ingevuld:
“ Meerdere: d.d. 15-3-2024 verzonden, d.d. 17-3-2024 door de inspecteur ontvangen d.d. 19 maart 2024.
1. bezwaren tegen vooringenomen afwijken van de aangifte de IBaangifte 2022 was van d.d. 30-4-2023 de vooringenomen afwijken namens de inspecteur was bijna een jaar nadien: van d.d. 13-02-2024, het bezwaarschrift is door de inspecteur onvangen d.d. 19-3-2024 (post-NL);
2. Het bezwaarschrifte bevat ook een expliciet verzoekschrift aan de inspecteur een beslissing te nemen nl een beslissing te nemen omtrent de teruggave (dubbele) afdracht ZvW 2022. Die beslistermijn is anders nl 8 weken na d.d. 19-3-”
Met datum 10 februari 2025 heeft de inspecteur een beschikking teruggaaf bijdrage ZVW 2022 afgegeven. Het te ontvangen of te verrekenen bedrag is € 140.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat eiseres deze procedure is gestart als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de inspecteur. Lopende de beroepsprocedure heeft de inspecteur alsnog een beslissing genomen (2.2.). Het beroep ziet van rechtswege ook op de alsnog genomen beslissing van de inspecteur. Eiseres heeft alleen geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de beschikking van 10 februari 2025.
4. De rechtbank beoordeelt daarom alleen of de inspecteur tijdig op het verzoek heeft beslist en zo nee, of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd.
5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet tijdig op het verzoek heeft beslist. Eiseres heeft recht op een dwangsom van € 1.442. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Heeft eiseres recht op een dwangsom?
6. Eiseres heeft verzocht om een dwangsom vast te stellen, omdat de inspecteur volgens eiseres niet tijdig heeft besloten op het verzoek.
7. De inspecteur is van mening dat er geen dwangsom verschuldigd is. Volgens hem is er geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op de zitting heeft de inspecteur verder toegelicht dat een beschikking teruggave bijdrage ZVW normaliter voortvloeit uit een aangifte IB/PVV. Aangezien uit artikel 8, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) volgt dat een aangifte geen aanvraag is, kan gelet hierop volgens de inspecteur geen dwangsom worden toegekend.
8. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling pas aan de orde kan komen indien er sprake is van een beschikking op aanvraag. Onder een beschikking wordt verstaan, een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder besluit wordt een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijk rechtshandeling verstaan. Er is sprake van een aanvraag als een belanghebbende verzoekt een besluit te nemen. Het doen van een aangifte voor een rijksbelasting valt niet onder het begrip aanvraag, omdat dat uitdrukkelijk zo is geregeld in de belastingwet.
In zijn arrest van 19 april 2024 heeft de Hoge Raad onder andere – en voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Deze klacht is terecht voorgesteld. Belanghebbende heeft de Inspecteur door middel van de hiervoor in 2.3 bedoelde brief schriftelijk verzocht een besluit te nemen. Dit verzoek moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb, in aanmerking genomen dat geen wettelijk voorschrift bestaat waaruit iets anders voortvloeit. De beschikking die daarop behoort te worden genomen moet daarom worden aangemerkt als een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 Awb. [voetnoot 2: Vgl. HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134.] Daaraan doet, anders dan het Hof heeft overwogen, niet af dat de Inspecteur volgens artikel 18a, lid 2, AWR ook zonder een daartoe strekkend verzoek gehouden was de beschikking te geven, en wel binnen de in die bepaling gestelde termijn.”
Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat de beschikking van 10 februari 2025 is vastgesteld, nadat hij het verzoek had doorgegeven aan de afdeling die gaat over het verlenen van teruggaven bijdrage ZVW. Aangezien de inspecteur zelf het verzoek van eiseres heeft doorgestuurd, waardoor de beschikking is opgelegd, is de beschikking teruggave bijdrage ZVW in dit geval niet voortgekomen uit de aangifte IB/PVV. Gelet hierop kan de rechtbank het standpunt van de inspecteur dan ook niet volgen. De beschikking teruggave bijdrage ZVW is namelijk genomen naar aanleiding van het verzoek van eiseres, en niet naar aanleiding van de aangifte IB/PVV van eiseres.
De beschikking teruggaaf ZVW 2022 (2.2.) is een specifiek aan eiseres gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling die rechtsgevolgen heeft. Op basis hiervan heeft eiseres namelijk recht op een teruggave of verrekening van € 140 (2.2.). Er is dus sprake van een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Awb. De beschikking is verleend naar aanleiding van een verzoek van eiseres (2.2. en 8.2.). De rechtbank leest het in 8.1. aangehaalde arrest dan zo, dat de aanvraag van eiseres moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. De rechtbank overweegt dat er geen wettelijk voorschrift bestaat waaruit iets anders voortvloeit. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres recht heeft op een dwangsom.
Hoe hoog is de dwangsom?
9. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
De inspecteur heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De hoogte van de dwangsom bedraagt in dit geval het maximumbedrag van € 1.442. Dit omdat de inspecteur pas heeft beslist nadat er al meer dan 42 dagen waren verstreken, na afloop van de termijn van twee weken om alsnog te beslissen na de ontvangst van de ingebrekestelling (zie 2.1 en 2.2.).
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten onrechte geen dwangsom aan eiseres toegekend. Het beroep is daarom gegrond.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Eiseres heeft recht op een dwangsom voor een bedrag van € 1.442.
Omdat het zaaknummer LEE 26/374 is aangemaakt na de zitting van 2 februari 2026, heeft de rechtbank geen griffierecht geheven. Eiseres heeft in haar zaak met zaaknummer LEE 24/4503, gelijktijdig behandeld op de zitting van 2 februari 2026, al een proceskostenvergoeding in de vorm van reiskosten toegekend gekregen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak ook een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
Uitgesproken op 16 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.