RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-383643-24
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-305393-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Godding, advocaat te Maastricht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Kromdijk.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-383643-24:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 augustus tot en met 3 augustus 2024 te Nieuw-Amsterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door meermalen, althans eenmaal,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, doordat
2
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Assen, met een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten zijn, verdachtes, hand(en) de billen van die [slachtoffer 2] heeft betast en/of aangeraakt terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te
vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door zeer plotseling en/of onverhoeds die [slachtoffer 2] van achteren te benaderen en/of die [slachtoffer 2] hiermee heeft overrompeld, terwijl zij aan het werk was.
Parketnummer 18-305393-25:
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Veenhuizen , gemeente Noordenveld opzettelijk brand heeft gesticht, door in een cel van de [instelling 2] met behulp van een aansteker, in elk geval (open) vuur in aanraking te brengen met kleding/textiel en/of een matras, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Veenhuizen , gemeente Noordenveld opzettelijk en wederrechtelijk een cel van de [instelling 2] met inventaris (waaronder een televisie, rookmelder, ventilatie, kast, bed, matras en/of een koelkast), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [instelling 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Beoordeling van het bewijs
d.d. 6 augustus 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL01002024211962 d.d. 14 december 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-383643-24:
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 2 ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het onder 1 ten laste gelegde.
Parketnummer 18-305393-25:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde brandstichting. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er door de brandstichting levensgevaar te duchten is geweest, omdat ten tijde van de brandstichting medewerkers en andere gedetineerden in het cellencomplex aanwezig waren.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-383643-24:
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn, vanwege innerlijke tegenstrijdigheden en inconsistenties. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster onvoldoende steun in
de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt volgens de raadsvrouw niet eenduidig dat de seks die aangeefster met verdachte had onvrijwillig was.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het gekwalificeerde deel, aangezien niet uit het dossier blijkt dat verdachte aangeefster onder invloed heeft gebracht of afhankelijk heeft gemaakt van drugs.
Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Er kan niet vastgesteld worden dat verdachte op de getoonde camerabeelden herkenbaar is en daarop is bovendien de verweten gedraging niet te zien.
Parketnummer 18-305393-25:
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van brandstichting met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-383643-24:
Feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Op de camerabeelden is te zien dat aangeefster [slachtoffer 2] tijdens haar werk door een persoon op haar billen wordt geraakt. Verdachte is echter niet herkenbaar op deze camerabeelden. De herkenning van verdachte door aangeefster acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van daderschap, omdat zij bij confrontatie met hem enkele dagen na het incident niet met zekerheid wist of het dezelfde persoon betrof. Er kan dus niet op basis van objectieve bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de billen van aangeefster heeft aangeraakt.
Feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 10 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb wel eens seks gehad met [slachtoffer 1] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden
Op 6 augustus 2024 () hielden wij een informatief gesprek met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] vertelde ons het volgende:
“Vrijdagavond (de rechtbank begrijpt: op vrijdag 2 augustus 2024) kwam [getuige 1] naar mijn kamer (de rechtbank begrijpt: op het adres [adres]). Ik moest naar [verdachte] toe. Ik ben meegegaan naar de kamer. [verdachte] wou seks. Ik wilde niet. Hij kreeg mijn broek en onderbroek uit. Toen ik zei dat ik niet
wilde, wilde hij mijn kleding op de gang gooien. [getuige 1] zat gewoon bij ons. ()
Op zaterdag kwam [getuige 1] weer bij mij aan de deur. [getuige 1] wilde me weer mee hebben naar de kamer van [verdachte] . Ik wilde niet, maar het lukte haar toch om me mee te krijgen. We gingen weer naar zijn kamer. Hij wilde weer seks natuurlijk. Hij is anaal en vaginaal bezig geweest.”
We vroegen [slachtoffer 1] wat er bij haar naar binnen ging. Uiteindelijk noemde ze het zijn
staaf die bij haar naar binnen is gegaan. Ze vertelde verder: “Dan hebben we weer seks. () Hij stoot steeds met zijn ding tegen mijn baarmoederhals aan. Dat doet hartstikke pijn. Hij trok aan mijn haren. () Hij kon echt wel horen dat ik boos was.”
Er zijn geen voorbehoedsmiddelen gebruikt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 augustus 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:
A: Vrijdag kwam [getuige 1] bij mij aan de deur. Ik moest mee naar boven. Hij probeerde me uit te kleden. Hij probeerde van achteren mij te pakken. Hij deed mijn benen naar achteren. Hij hield mijn handen vast op mijn rug. Trok aan mijn haren. Hard.
()
A: Ik moest van [verdachte] gaan liggen op het bed. Toen moest er weer wat gebeuren, seks. V: Hoe lig jij?
A: Ik zit op de rand van het bed. Ik moest hem pijpen. Dan moet ik weer seks hebben met hem. V: Maar jij pijpt hem, en dan?
A: Hij trekt mijn broek en shirt naar beneden en probeert me van achteren te pakken.
V: Hoe lig of zit jij?
A: Eerst zit ik. Dan moet ik op mijn buik gaan liggen en doet hij zijn werk wel. Ik lag op het bed. Hij doet mijn benen naar voren toe. Hij pakt me bij mijn enkels. Hij gaat anaal erin. En dan van onderen in de vagina.
V: Waarmee gaat hij bij jou anaal en vaginaal erin? A: Met zijn pik.
()
O: Vertel eens alles over de zaterdag? Hoe gaat het als je binnenkomt?
A: Ik moet op het bed zitten. Hij drukt me daar heen. Hij doet zijn broek weer naar beneden. Hij draait mij om.
V: Hoe dan want jij zit?
A: Hij pakt mij bij de arm en zegt draaien. Op mijn hurken. Dan pakt hij je bij de schouders. Dan doet hij anaal. Gaat hij met zijn piemel erin. En dan vaginaal.
V: En dan?
A: Ja dan gaat hij seksen. Dan trekt hij aan mijn schouders en aan mijn haar. V: Hoe wist [verdachte] dat jij niet wilde?
A: Ja dat zei ik. Ik zei: “nee he weer seks, bah ik ben er flauw van”.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:
A: Ik krijg telefoon van [verdachte] , willen jij en [slachtoffer 1] bovenkomen. Wij naar boven en hij gaat gelijk seksuele dingen met elkaar doen, orale bevrediging.
V: Wat heb je gezien van wat er gebeurd is tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] ? A: Penetratie en pijpen.
V: Wat vond [slachtoffer 1] er van?
A: Hij ging ruw met haar om en trok aan haar haren. Ze zei: "au au", dat hoorde ik. Ze lag voorover en hij nam haar van achteren.
V: En hoe zat het met [slachtoffer 1] dan? A: Die werd gewoon in elkaar geslagen.
V: Wat merkte je ervan dat [slachtoffer 1] niet wilde?
A: Ze wilde dat niet maar ze wist ook dat ze anders klappen kreeg. Die keer dat ik erbij zat gebeurde het gewoon. Ik zag dat ze orale seks en penetratie hadden op bed. Ik zag ook dat hij haar aan de haren trok. Ze zei, au au au, je doet mij pijn. Hij deed nog meer trekken. Ik zag hem gewoon neuken. De penis in de vagina.
V: Hoe vaak heb je haar opgehaald voor [verdachte] ?
A: Vier keer of zo, hij telefoneerde mij en zei dan: " [getuige 1] , wil je [slachtoffer 1] even naar boven sturen."
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6
december 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:
V: We hebben contact met jou opgenomen omdat wij van [slachtoffer 1] hebben begrepen dat zij als eerste met jou heeft gesproken over wat haar is overkomen. Kun je je dit
gesprek nog herinneren?
A: () Ze heeft verteld dat ze was misbruikt door [verdachte] . Dat heeft ze op vrijdag of zaterdag gedaan. Op die maandag was ik weer aan het werk. Ik ben toen naar haar toe gegaan en verteld dat ik gehoord heb dat er iets gebeurd is en of zij mij hier iets over wil vertellen.
V: Wanneer heeft dit gesprek plaatsgevonden?
A: Het gesprek met haar was op maandag 5 augustus. V: Vertel eens alles wat [slachtoffer 1] jou heeft verteld?
A: Ze vertelde dat ze ongeveer anderhalve maand werd opgehaald door haar buurvrouw. Dat ging voor haar te hard de seks of ze wilde niet meer en dan ging hij toch door, [verdachte] ging dan door. Ik vroeg aan haar, "wat doet hij dan?" Ze vertelde dat hij aan haar haren trok () Ik vroeg toen aan haar wanneer de laatste keer was dat zij seks hadden. Zij vertelde dat dit afgelopen vrijdag en zaterdag was. Waarbij hij vrijdag haar ID kaart en taxipas afnam, omdat zij geen seks wilde. Ze had duidelijk nee gezegd. Toch dwong hij haar tot seks. Dat dwingen gebeurde doordat hij haar handen op de rug hield en hij haar tikte en aan haar haren trok. () Wat ook steeds een terugkerend iets was, was dat er onbeschermde seks was.
()
A: Ja we hebben wel gezien dat [slachtoffer 1] na dit incident een enorme terugval heeft gehad en er slechter aan toe is. Ze heeft meer medicatie nodig gehad. Om haar te sederen.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van een aangever.
Dit betekent dat in een geval als het onderhavige de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de beweringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Betrouwbaarheid verklaringen van aangeefster
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] over de seksuele handelingen die volgens haar door verdachte onder dwang bij haar zijn verricht betrouwbaar zijn. Deze verklaringen moeten kritisch, zorgvuldig en behoedzaam worden bezien.
Aangeefster heeft op twee momenten een belastende verklaring afgelegd, namelijk tijdens het informatief gesprek zeden en tijdens haar aangifte. De rechtbank merkt op dat de verklaringen op bepaalde delen weliswaar inconsistenties vertonen en niet altijd concreet zijn, maar aangeefster heeft op essentiële punten wel eenduidig verklaard. Zo komen de aard van de handelingen en de wijze waarop dit gebeurde grotendeels met elkaar overeen. Uit de verklaringen van aangeefster volgt kort samengevat dat zij door getuige [getuige 1] werd opgehaald bij haar kamer om naar verdachte te gaan. In de kamer van verdachte is verdachte bij aangeefster tegen haar wil vaginaal, anaal en oraal binnengedrongen. Uit beide verklaringen van aangeefster komt naar voren dat verdachte hierbij geweld gebruikte door aan haar haren te trekken, hardhandig haar kleding uit te doen en haar bij de schouders en enkels vast te houden.
Aangeefster beschrijft verder dat verdachte tijdens de seks tegen haar baarmoederhals aanstootte en dat dat pijnlijk was. De seks gebeurde zonder condoom. Getuige [getuige 1] was steeds bij het seksueel misbruik aanwezig. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de verklaringen uitgebreid en gedetailleerd zijn.
De verklaringen van aangeefster komen bovendien niet alleen onderling inhoudelijk op specifieke en essentiële punten met elkaar overeen, maar ook met die van haar begeleider [getuige 2] . Zij heeft een verklaring afgelegd over wat [slachtoffer 1] over het misbruik aan haar heeft verteld. Deze de auditu-verklaring is weliswaar ontoereikend om als steunbewijs te dienen, maar mag wel worden meegewogen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Van belang in dat verband is dan of, en zo ja in hoeverre, in deze de auditu-verklaring onderdelen van de verklaringen van aangeefster worden bevestigd. Dat daarvan sprake is blijkt uit hetgeen getuige [getuige 2] verklaart, inhoudende dat aangeefster aan haar heeft verteld dat verdachte haar tijdens de onvrijwillige en onbeschermde seks aan haar horen trok en dat zij bloedde als gevolg van de harde, pijnlijke penetratie.
De inconsistenties in de verklaringen van aangeefster ten aanzien van de frequentie en de tijdstippen waarop één en ander zich heeft afgespeeld maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verklaringen van aangeefster in het geheel als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. De aanwezige discrepanties zijn van ondergeschikt belang en raken niet de kern van het verwijt. De rechtbank ziet in de kwetsbaarheid van aangeefster en haar afhankelijkheid van cocaïne en in het feit dat bepaalde handelingen meermalen zijn gebeurd bovendien een verklaring voor de ondergeschikte inconsistenties. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Steunbewijs
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door haar betrouwbaar geachte verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier genoeg steunbewijs biedt voor de verklaringen van aangeefster. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de getuigenverklaring van [getuige 1] . Zij bevestigt dat zij aangeefster ophaalde en tijdens de seks tussen verdachte en aangeefster in dezelfde ruimte aanwezig was. Zij heeft gezien dat verdachte en aangeefster op bed orale seks hadden en dat er penetratie plaatsvond. Verdachte ging ruw met aangeefster om door aan haar haren te trekken en haar te slaan. Het was voor deze getuige ook duidelijk dat aangeefster geen seks wilde, omdat ze meerdere keren “au” riep.
De rechtbank hecht in dit verband tevens waarde aan hetgeen de begeleider van aangeefster heeft verklaard over de toestand van aangeefster na het tenlastegelegde. Aangeefster heeft een enorme terugval in drugsgebruik gehad en was er slechter aan toe.
Opzetverkrachting
De rechtbank is anders dan de raadsvrouw van oordeel dat niet gesproken kan worden van consensuele seks, enkel omdat verdachte aangeefster ook in drugs voorzag. De redenering dat aangeefster met de seks instemde voor drugs en er dus geen sprake zou zijn van onvrijwilligheid, volgt de rechtbank niet. Blijkens de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 1] heeft aangeefster verbaal geprotesteerd tegen de seks. Van een positieve wilsuiting is geen sprake geweest. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting niet kunnen aangeven waar hij uit opmaakte dat aangeefster instemde met de seks. Uit het voorgaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte wist dat bij aangeefster de wil tot seksueel contact ontbrak. Dat hij gezien zijn achtergrond en problematiek mogelijk onvoldoende besef heeft gehad van het strafbare karakter van zijn handelen maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Conclusie
Gelet op het voorgaande vinden de verklaringen van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank dan ook in voldoende mate steun in bewijsmateriaal dat niet afkomstig is uit dezelfde bron en staan deze dus niet op zichzelf, maar zijn zij ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen.
Doordat tevens bewezen kan worden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van dwang en geweld tijdens de opzetverkrachting, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 18-305393-25:
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
opgenomen op pagina 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL031VNN_2025038932
d.d. 5 juni 2025, inhoudend de verklaring van [getuige 3] .
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 januari 2025 in de Penitentiaire Inrichting (hierna P.I.) te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in zijn cel, door vuur in aanraking te brengen met een matras. De rechtbank is van oordeel dat bij de brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Door de brand te stichten heeft verdachte gezien de vaststaande feiten en omstandigheden naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gevaar voor de vloer, muren en aanwezige goederen in zijn cel veroorzaakt. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat bij de brandstichting tevens sprake is geweest van naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te duchten levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. De enkele omstandigheid dat de brand is ontstaan in een cellencomplex waar ook andere personen aanwezig waren is daartoe onvoldoende. Bepalend zijn onder meer de plaats en omvang van de brand, de aard van de gebruikte materialen, de aanwezigheid van personen in of nabij het pand en de concrete mogelijkheid dat het vuur of de rook zich zodanig had kunnen ontwikkelen dat levensgevaar of ernstig letsel te voorzien was. In het onderhavige geval kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de brand zich heeft kunnen uitbreiden tot een zodanige omvang dat overslag naar aangrenzende ruimtes te duchten was of dat de rookontwikkeling of brandintensiteit van dien aard was dat hierdoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan. De enkele verklaring van getuige [getuige 4] is daartoe onvoldoende. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder parketnummer 18-383643-24 onder 1 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-305393-25 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-383643-24:
1
hij op tijdstippen in de periode van 2 augustus tot en met 3 augustus 2024 te Nieuw-Amsterdam met [slachtoffer 1] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten door meermalen, althans eenmaal,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan van en vergezeld van dwang en/of geweld, doordat
Parketnummer 18-305393-25:
hij op 25 januari 2025 te Veenhuizen , gemeente Noordenveld opzettelijk brand heeft gesticht, door in een cel van de [instelling 2] met behulp van een aansteker, vuur in aanraking te brengen met een matras, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor alle in de cel aanwezige goederen te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-383643-24:
1. opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld, meermalen gepleegd.
Parketnummer 18-305393-25:
primair opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder parketnummer
18-383643-24 onder 1 en het onder parketnummer 18-305393-25 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarbij in overweging gegeven de controle en aanwijzingen omtrent alcohol en drugs in handen van de reclassering te leggen, zonder dat aan verdachte een geheel verbod wordt opgelegd. Zo wordt volledige teruglegging door de reclassering voorkomen als verdachte een keer de mist in gaat. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde opname in een zorginstelling vordert de officier van justitie oplegging van deze voorwaarde met een maximale duur van twaalf maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de psychiatrische rapportage van dr.
T.W.D.P. van Os d.d. 29 januari 2026, de rapportage van de reclassering d.d. 10 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting in een instelling waar het slachtoffer ook verbleef. Hij liet het slachtoffer meermalen ophalen naar zijn kamer. Vervolgens heeft verdachte haar kleding uitgetrokken, haar bevolen op bed te gaan zitten, haar vastgehouden, aan haar haren getrokken en haar op verschillende manieren gepenetreerd. Verdachte is daarbij aan de verbale protesten van het slachtoffer voorbij gegaan, heeft zich op geen enkele manier bekommert over de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer en zich enkel laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft doen lijken alsof het slachtoffer eerder grip op hem had en de seks vrijwillig was, terwijl uit het dossier het tegenovergestelde blijkt. Verdachte wist van haar drugsafhankelijkheid en heeft daar misbruik van gemaakt.
Een verkrachting betekent per definitie een ernstige en grove aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het betreft in zijn algemeenheid een uitermate schokkende, ingrijpende, beangstigende en vernederende gebeurtenis voor het slachtoffer met niet zelden langdurige psychische en emotionele naweeën alsook nadelige gevolgen op seksueel gebied. In onderhavige zaak blijkt dat de bewezenverklaarde feiten ten minste twee keer zijn gebeurd.
Daarnaast heeft verdachte zich op 25 januari 2025 schuldig gemaakt aan brandstichting in de [instelling 2] , waarbij gevaar voor goederen is ontstaan. Brandstichting betreft een (potentieel) bijzonder destructief en gevaarzettend feit, waarbij voor goederen en/of personen zeer gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Daarnaast kan brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid oproepen bij anderen en aanzienlijke materiële schade tot gevolg hebben.
Mate van toerekeningsvatbaarheid
Uit de over verdachte opgemaakte Pro Justitia-rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in gebruik van alcohol en cocaïne. De psychiater onthoudt zich van een advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid tijdens de opzetverkrachting. De psychiater adviseert verdachte de brandstichting in verminderde mate toe te rekenen, omdat hij vanwege zijn beperkte draagkracht met een overmaat van negatieve gevoelens onvoldoende in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen.
De rechtbank komt gelet op voorgaande tot het oordeel dat de bewezenverklaarde brandstichting in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en zal daarmee bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het rapport de opzetverkrachting ook in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Weliswaar leed verdachte ten tijde van de opzetverkrachting ook aan psychische problematiek, maar er zijn geen aanwijzingen dat verdachte als gevolg van een stoornis niet volledig vrij is geweest in het bepalen van zijn gedrag. De psychiater benoemt nadrukkelijk dat bij de brandstichting verdachte leed aan een overmaat van negatieve gevoelens (suïcidaliteit, frustratie en woede). Er blijkt nergens uit dat verdachte ook dit soort negatieve gevoelens had bij de opzetverkrachting.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het Pro Justitia-rapport en het reclasseringsrapport blijkt van een zeer belaste voorgeschiedenis van verdachte. Verdachte heeft meerdere opnames gekend in een gedwongen kader wegens verwardheid en achterdocht. De reclassering acht het gelet op de gevoeligheid voor psychotische ontregeling noodzakelijk dat verdachte abstinent blijft van alcohol en drugs. Uit de rapportages blijkt een noodzaak tot begeleiding
en behandeling voor de persoonlijkheidsproblematiek en drugsproblematiek. Verdachte staat hiervoor open.
De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten kennelijk tegen zijn zin bij de betreffende instelling verbleef. Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat plaatsing bij deze instelling herstel van zijn drugsproblematiek in de weg stond.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor over de ernst van het feit is overwogen, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse gevangenisstraf. De persoonlijke omstandigheden van verdachte geven de rechtbank evenwel aanleiding om een groot deel hiervan voorwaardelijk op te leggen, nu de rechtbank het belang van behandeling groot acht.
Door de reclassering is een geheel alcohol- en drugsverbod geadviseerd als bijzondere voorwaarden. Hoewel de rechtbank het standpunt van de officier van justitie over deze formulering begrijpt, wordt gelet op het rapport van de psychiater van groot belang geacht dat verdachte abstinent blijft van verdovende middelen. Vooral ook omdat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde onder invloed van cocaïne heeft gepleegd en het gebruik van verdovende middelen van invloed is op de psyche van verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd in het advies van 10 maart 2026. Voornoemde voorwaarden houden onder meer en zakelijk weergegeven - in dat verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht, zich zal laten opnemen in een forensische kliniek en aansluitend zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang en zich ambulant zal laten behandelen.
Verdachte heeft zich bereid verklaard om deze voorwaarden na te leven.
Op grond van het bepaalde in artikel 14e Sr zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Parketnummer 18-383643-24, feit 1:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade,
vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Parketnummer 18-383643-24, feit 2:
2. [ [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 58,52 ter vergoeding van materiële schade en 750,00
ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot benadeelde partij [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Met betrekking tot benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd dat zij in haar vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de gevorderde vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu zij vrijspraak ten aanzien van beide feiten heeft bepleit. Subsidiair verzoekt zij de vordering van [slachtoffer 1] te matigen tot een bedrag van 2.500,00.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende grondslag voor het toewijzen van de vordering tot immateriële schadevergoeding. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoel in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde zo voor de hand
liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen.
De gevorderde immateriële schade is tot een bedrag van 2.500,00 niet of onvoldoende betwist door de verdediging, zodat de rechtbank de vordering voor dat bedrag zal toewijzen. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 157, 243 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder parketnummer 18-383643-24 onder 1 en het onder parketnummer
18-305393-25 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat veroordeelde zich meldt bij Tactus Reclassering [adres]
, zo vaak als de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. dat veroordeelde zich zal laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De behandeling start zo snel mogelijk na het aflopen van de detentieperiode. De klinische behandeling duurt maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. dat veroordeelde zich onder behandeling zal stellen bij een zorgverlener, nog te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De behandeling vangt aan direct volgend op het klinisch verblijf en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig
vindt, verblijft in een instelling voor beschermd of begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van
alcohol en drugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken controles. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1968;
7. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde:
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van parketnummer 18-383643-24; feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 2.500,00 en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van parketnummer 18-383643-24, feit 2:
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat benadeelde partij [slachtoffer 2] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. L.M.B. Soppe en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.