ECLI:NL:RBNNE:2026:1465

ECLI:NL:RBNNE:2026:1465

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer LEE25/1836
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden. De woning van eiser ligt niet binnen het door het Instituut gehanteerde effectgebied. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om af te wijken van de gehanteerde trillingssnelheid van 1,81 mm/s ter plaatse van de woning. De rechtbank ziet ook verder geen grond om te oordelen dat het in artikel 6:177a van het BW neergelegde bewijsvermoeden hier wel moet worden toegepast. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade aan zijn woning het gevolg is van mijnbouwactiviteiten en het Instituut hoeft dan ook geen verder onderzoek te doen naar de oorzaak van de schade. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

[naam] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.R. Feitsma),

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigde: mr. S.C. Goldbohm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om vergoeding van schade aan zijn woning door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe aan dat het Instituut in zijn situatie het bewijsvermoeden had moeten toepassen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en totstandkoming van het besluit

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor schade aan zijn woning aan [adres] . Het betreft een tussenwoning met bouwjaar 1997. Bij de aanvraag heeft eiser vermeld dat het gaat om scheuren in de badkamer.

Het Instituut heeft de aanvraag met het besluit van 26 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat het geschil over?

In geschil is of het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW moet worden toegepast op de schade aan de woning van eiser.

Bewijsvermoeden en toepassingsgebied

3. Op grond van artikel 6:177a BW wordt bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. Dit bewijsvermoeden wordt door het Instituut toegepast bij gebouwen en werken die binnen het effectgebied vallen.

Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een advies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.

De wetgever heeft er destijds bewust voor gekozen om, mede gelet op voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, de geografische afbakening van het gebied waarbinnen het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing is niet bij wettelijke regeling vast te stellen. Het was wel de bedoeling dat het gebied veilig en ruim zou worden afgebakend.

Het Instituut heeft zich voor de grenzen van het effectgebied waarbinnen het bewijsvermoeden geldt, gebaseerd op het advies van het panel van deskundigen van 22 januari 2019. Dit panel adviseerde bij het bepalen van de geografische reikwijdte van mogelijke schade-effecten door de gaswinning twee uitgangspunten te hanteren:

(1) een grens van 6 kilometer buiten de omtrek van het Groningenveld en de gasopslag Norg, in verband met de mogelijke effecten van bodemdaling en -stijging, en

(2) een minimale trilling van 2 mm/s als gevolg van een beving met epicentrum gelegen in het Groningenveld, waarbij tot op heden de impact van de zwaarste beving tot nu toe (de aardbeving van Huizinge van 16 augustus 2012) bepalend is.

Het panel baseerde zich voor het 6 km-criterium op onderzoek van de TU Delft uit 2018 waaruit volgde dat diepe bodemdaling onder uitzonderlijke omstandigheden op indirecte wijze tot schade aan een gebouw kon leiden. Het panel heeft daarom deze mogelijkheid in zijn advies meegenomen. Daarbij is er vanuit gegaan dat als schade door diepe bodemdaling optreedt, dit niet mogelijk is buiten de straal van 6 km.

Het Instituut heeft het advies gevolgd. Het Instituut heeft hierbij mede van belang geacht dat het 6 km-gebied in de praktijk een grote overlap vertoonde met het gebied dat door het 2 mm/s-criterium wordt bepaald.

In de loop van 2020 heeft het Instituut geconstateerd dat het 6 km-criterium principiële vragen opriep en dat - bij gebrek aan definitieve antwoorden op deze vragen - er een onwerkbare situatie ontstond. De door het Instituut ingeschakelde onafhankelijke deskundigen moesten ook schade beoordelen aan woningen waar - kort gezegd - geen trillingen door aardbevingen waren opgetreden, maar die wel lagen binnen de 6 km-contour van het Groningenveld of de gasopslag Norg. Dit was dus het deel van het effectgebied waar de twee criteria elkaar niet overlapten. De onafhankelijke deskundigen zagen in deze dossiers in overwegende mate geen aanleiding voor enige schadevergoeding, omdat voor de aanwezige schades een autonome oorzaak bestond en verder niet viel in te zien hoe bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op die locatie tot schade kon hebben geleid of die zou kunnen hebben verergerd.

Omdat het bij directe en indirecte effecten van diepe bodemdaling om twee verschillende schademechanismen gaat, heeft het Instituut om twee adviezen gevraagd.

Op 9 maart 2021 hebben TNO en de TU Delft een rapport uitgebracht over de directe effecten van diepe bodemdaling en -stijging. Diepe bodemdaling treedt op door het legen van een gasveld op ongeveer 3 km diepte, dat leidt tot daling van het maaiveld. In het gebied van de gasopslag Norg treedt ook bodemstijging op wanneer de opslag wordt gevuld. De conclusie van het onderzoek is dat de directe effecten van diepe bodemdaling in het Groningenveld niet leiden of hebben geleid tot schade aan gebouwen. Deze bodembeweging leidt wel tot verandering van de hoogte van het maaiveld, maar dat gaat zo geleidelijk dat gebouwen daar geen directe schade van ondervinden.

Deltares heeft onderzoek gedaan naar de indirecte effecten van diepe bodemdaling en -stijging bij het Groningen gasveld en gasopslag Norg. Het gaat bij indirecte effecten om wijzigingen in de waterstand van oppervlaktewateren en in de grondwaterstand als gevolg van diepe bodemdaling. In het rapport van 30 augustus 2021 komt Deltares tot de conclusie dat indirecte effecten uitgesloten kunnen worden voor het overgrote deel van de twee gebieden die onderdeel zijn van de 6 km-contour, maar waar geen trillingen met een snelheid van 2 mm/s (met een 1% overschrijdingskans) zijn geweest. Dit is alleen anders voor 12 specifieke deelgebieden waar diepe bodemdaling- en stijging invloed heeft op het grond- en oppervlaktewatersysteem.

Het Instituut heeft vervolgens vastgesteld dat uit de onderzoeken van TNO & TU Delft en Deltares blijkt dat er in het overgrote deel van de twee gebieden waar de schadeafhandeling was stilgelegd, geen (in)directe schade kon zijn ontstaan door diepe bodemdaling. Omdat in deze gebieden ook geen trillingen zijn opgetreden door aardbevingen die kunnen hebben geleid tot schade aan gebouwen, was er in die gebieden geen door mijnbouw veroorzaakt schademechanisme aanwezig.

Het Instituut heeft daarop geconcludeerd dat de schade die in deze gebieden aan de gebouwen aanwezig was, redelijkerwijs niet door mijnbouw zou kunnen zijn ontstaan als bedoeld in artikel 6:177a BW. Dit leidde tot de conclusie dat het bewijsvermoeden niet van toepassing was op deze schade.

Het Instituut besloot daarom vanaf 17 mei 2021 het beleid aan te passen. Vanaf die dag was het bewijsvermoeden alleen van toepassing in het effectgebied dat alleen nog wordt bepaald door het 2 mm/s-criterium. Dit betekent dat in elk individueel geval moet worden vastgesteld of een gebouw of werk ligt op een plek waar de trillingsterkte voldoet aan de grenswaarde van 2 mm/s (met 1% overschrijdingskans) van één of meerdere bevingen. Er geldt een uitzondering voor de 12 deelgebieden, waarin indirecte effecten van bodemdaling tot schade kunnen leiden.

Op 2 november 2022 heeft ingenieursbureau Movares in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een peer review van de onderzoeken van TNO & TU Delft en Deltares uitgevoerd. Movares komt tot de conclusie dat de onderzoeken goed zijn uitgevoerd en geen evidente fouten bevatten. Maar er is in het onderzoek van TNO en TU Delft onvoldoende rekening gehouden met onzekerheden in de gebruikte data en berekeningen betreffende directe effecten van diepe bodemdaling en -stijging. Die onzekerheden leiden ertoe dat de kans op schade door diepe bodemdaling en -stijging op specifieke plekken mogelijk wordt onderschat.

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft aanleiding gezien via een wetswijziging het toepassingsgebied voor het bewijsvermoeden nader geografisch te specificeren en daarmee duidelijkheid te geven over het gebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is. De tijdelijke stopzetting van de schadeafhandeling en het niet langer hanteren van het 6 km-criterium hebben tot nadelige effecten voor de voorspelbaarheid van het beleid geleid voor bewoners ten zuidoosten van het Groningenveld en de omgeving van de gasopslag bij Norg. Daarbij speelde ook een rol dat de staatssecretaris het onwenselijk vond dat deze bewoners geen beroep meer konden doen op toepassing van het bewijsvermoeden, daar waar dat voorheen wel mogelijk was. Zie de brief van de staatssecretaris van 29 november 2022 en de nota van toelichting bij het Besluit van 26 oktober 2023, tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen in verband met het aanwijzen van het gebied waarbinnen het bewijsvermoeden geldt.

Het Besluit van 26 oktober 2023 is op 1 januari 2024 in werking getreden. Art. 10oa luidt als volgt:

4. Het vermoeden, bedoeld in artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geldt in ieder geval in het gebied dat valt:

a. binnen de reikwijdte van de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk waar een minimale trilling van 2 millimeter per seconde met een overschrijdingskans van 1 procent is berekend; of

b. binnen 6 kilometer van de grens van het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.

Waarom is eiser het niet eens met de afwijzing?

5. Eiser stelt dat de bestreden beslissing in strijd is met de Tijdelijke wet Groningen. In het rapport ‘Groningers boven Gas 1. Conclusies en aanbevelingen’, naar aanleiding van de Parlementaire enquête, staat dat het toepassen van het bewijsvermoeden op de wijze zoals het Instituut dit doet, in strijd is met de geest van de Tijdelijke wet Groningen. De Parlementaire Enquêtecommissie heeft het Instituut expliciet opgeroepen de trillingstool niet langer op die wijze te gebruiken. Door niet conform het advies uit het rapport maatregelen te treffen, handelt het Instituut volgens eiser in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dit brengt volgens eiser reeds mee dat het beroep gegrond verklaard dient te worden. De schades dienen door het Instituut beoordeeld te worden en als het Instituut er niet in slaagt om het bewijsvermoeden te weerleggen, moet de schade aan de woning vergoed worden.

Daarnaast voert eiser aan dat het bewijsvermoeden wel degelijk van toepassing is omdat de schade scheurvorming in wanden/gevels betreft. Dergelijke schade kan in zijn algemeenheid door mijnbouwactiviteiten worden veroorzaakt. Uit de tekst van artikel 6:177a BW volgt dat voor het bepalen of fysieke schade al dan niet door mijnbouwwerkzaamheden kan zijn veroorzaakt, gekeken moet worden naar het type fysieke schade dat in het geding is en niet, zoals het Instituut dat doet, naar de vermeende trillingssnelheid die zou zijn opgetreden. Volgens eiser is niet uit te sluiten dat de grondversnelling boven de 2mm/s is geweest. De trillingstool gaat volgens eiser uit van de onjuiste veronderstelling dat de grondversnelling afneemt naarmate de afstand tot het epicentrum groter wordt. Er spelen ook andere factoren een rol dan afstand. Het is bijvoorbeeld onbekend wat de bodemopbouw ter plaatse van de woning is en of er bijvoorbeeld sprake is van lokale amplificatie (opslingereffect).

Tot slot brengt eiser naar voren dat zijn woning op de rand van het gebied ligt waar het bewijsvermoeden van toepassing is. De wijk waar de woning van eiser zich bevindt, ligt deels wel binnen het effectgebied. Er is elders in de wijk ook schade gekwalificeerd als mijnbouwschade. Dat is niet te rijmen met het gegeven dat het Instituut er kennelijk van overtuigd is dat de woning van eiser geen schade heeft opgelopen als gevolg van mijnbouwactiviteiten.

6. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat de schades aan de woning van eiser redelijkerwijs niet zijn ontstaan door de gaswinning uit het Groningenveld of de exploitatie van de gasopslag Norg of Grijpskerk. Daarom is het bewijsvermoeden niet van toepassing en bestond ook geen aanleiding tot individueel onderzoek naar de schades aan de woning.

Het oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat de woning niet is gelegen binnen het door het Instituut gehanteerde effectgebied. De maximaal berekende trilling vanuit het Groningenveld is lager dan 2 mm/s met een overschrijdingskans van 1%, namelijk 1,81 mm/s tijdens de beving van Huizinge in 2012. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de grenzen van het effectgebied op juiste wijze zijn vastgesteld en of het Instituut mocht uitgaan van de berekende trillingssnelheid.

Het Instituut hanteert een grens van een trillingssnelheid van 2 mm/ s met een overschrijdingskans van 1%. Dat betekent dat bij trillingen onder de 2 mm/s met een kans van 1% dat in werkelijkheid hogere trillingen zijn opgetreden, de kans op het ontstaan van fysieke schade kleiner is dan 1 op de 10.000. Buiten dit gebied bestaat er dus redelijkerwijs geen kans op mijnbouwschade. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) verschillende malen heeft geoordeeld dat het Instituut voor het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is, voornoemde grens mag hanteren. Ook heeft de Afdeling recent (opnieuw) bevestigd dat het Instituut voor het berekenen van de trillingssnelheden de trillingstool mag gebruiken. De rechtbank kan het betoog van verweerder volgen dat, omdat het een empirisch model is dat gebruik maakt van sensorwaarnemingen op diverse locaties in Groningen, ook de waargenomen spreiding in die sensorwaarnemingen en dus ook lokale amplificaties die samenhangen met ondergrondcondities een onderdeel van het model zijn. In wat eiser aanhaalt over de lokale amplificatie van trillingen heeft de Afdeling ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het Instituut de werkelijkheid onderschat door voor de berekening van de maximaal opgetreden trillingssnelheden de trillingstool te hanteren. Eisers betoog dat vanwege de bodemopbouw ter plaatse mogelijk sprake is van een opslingereffect, waardoor er een hogere trillingssnelheid moet worden gehanteerd, is bovendien op geen enkele wijze concreet gemaakt. De rechtbank ziet overigens ook in het verdere betoog van eiser geen aanleiding om af te wijken van de gehanteerde 1,81 mm/s ter plaatse van de woning. De stelling van eiser dat in dezelfde wijk schade aan woningen is gekwalificeerd als mijnbouwschade, is eveneens niet onderbouwd door bijvoorbeeld naar een specifiek adres te verwijzen. Dat woningen in dezelfde wijk wél binnen het effectgebied vallen, is bovendien het gevolg van de- reeds door de Afdeling goedgekeude- gebiedsafbakening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Instituut dus uit mogen gaan van de berekende trillingssnelheid ter plaatse en mogen concluderen dat de woning van eiser niet binnen het effectgebied ligt.

De rechtbank ziet ook verder geen grond om te oordelen dat het in artikel 6:177a van het BW neergelegde bewijsvermoeden hier wel moet worden toegepast. Eiser heeft niets aangevoerd waardoor aangenomen moet worden dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Dat is ook niet aannemelijk, omdat het gaat om een relatief jonge woning uit 1992 die ook niet op een bijzondere plek is gebouwd, zoals op de rand van een wierde.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bewijsvermoeden niet hoeft te worden toegepast op de woning van eiser. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat de schade aan zijn woning het gevolg is van mijnbouwactiviteiten. Eiser heeft dat niet gedaan. Het Instituut hoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen verder onderzoek te doen naar de oorzaak van de schade.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?