ECLI:NL:RBNNE:2026:1473

ECLI:NL:RBNNE:2026:1473

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 26/1251
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek kennelijk ongegrond. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 8 april 2026, zoals gewijzigd bij besluit van 16 april 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Uitspraak

[naam uit plaats] , verzoeker

en

de burgemeester van Emmen

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 8 april 2026, zoals gewijzigd bij besluit van 16 april 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Bij besluit van 8 april 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker meegedeeld dat hij het pand op het perceel [adres] (het pand) op 22 april 2026 zal sluiten voor de duur van zes maanden, omdat de politie op 27 november 2025 2.029 gram hennep heeft aangetroffen. De sluiting stopt dus op 22 oktober 2026, aldus de burgemeester. Verzoeker, die het pand verhuurt, heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 april 2026 is het besluit van 8 april 2026 gewijzigd. De wijzigingen zien op de datum waarop drugs is aangetroffen en op de sluitingstermijn. De drugs zijn volgens dat besluit niet op 27 november 2025 aangetroffen, maar op 27 januari 2026. De sluitingstermijn is bekort met drie maanden omdat uit onderzoek is gebleken dat het pand ten tijde van het besluit van 8 april 2026 niet langer in gebruik was als lokaal, maar als woning.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

Bij brief van 16 april 2026 is verzoeker verzocht om het spoedeisend belang per omgaande nader te onderbouwen.

Bij e-mailbericht verzonden op 16 april 2026 heeft verzoeker gereageerd. Hij heeft vier argumenten naar voren gebracht. Ten eerste wijst hij erop dat de sluiting van het pand hem is meegedeeld in een brief die hij heeft ontvangen op 14 april 2026. De sluiting is voorzien per 22 april 2026, dat is een zeer korte termijn. Hierdoor is het voor hem feitelijk onmogelijk om de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten, aldus verzoeker. Ten tweede heeft verzoeker bij brief gedateerd 31 maart 2026 een voornemen ontvangen van het bevoegd gezag. Het voornemen strekt ertoe dat een last onder dwangsom zal worden opgelegd. Door sluiting wordt het praktisch onmogelijk om herstelmaatregelen te nemen, terwijl bij niet-naleving aanzienlijke dwangsommen kunnen worden verbeurd. Ten derde leidt het niet-schorsen van het bestreden besluit tot directe en aanzienlijke schade. Het pand kan gedurende de sluiting niet worden gebruikt, daarnaast treedt waardevermindering van het pand op. Ten slotte zijn de gevolgen van de sluiting feitelijk onomkeerbaar. Zelfs indien het besluit in een later stadium onrechtmatig wordt bevonden, kan de schade die ontstaat door de sluiting niet worden hersteld, aldus verzoeker.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van onverwijlde spoed in de zin van de Awb. Het is een keuze van de wetgever dat het maken van bezwaar de werking van het besluit waartegen dat bezwaar is gericht niet schorst. Als verzoeker, als gevolg van het bestreden besluit, geen herstelmaatregelen kan nemen, dan kan hij het bevoegd gezag vragen om verlenging van de begunstigingstermijn zodat hij geen dwangsom(men) zal verbeuren. Weliswaar is aannemelijk dat schade wordt geleden omdat huurinkomsten worden gederfd, maar als zou blijken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dan kan verzoeker het bevoegd gezag vragen om schadevergoeding. De gestelde waardevermindering is niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter dat passeert.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.H. ter Beek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand