ECLI:NL:RBNNE:2026:1492

ECLI:NL:RBNNE:2026:1492

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 18.010523.24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wegens het aan zijn schuld te wijten teweegbrengen van een ontploffing tijdens de jaarwisseling van 2023 naar 2024 en het illegaal voorhanden hebben en tot ontbranding brengen van professioneel (en daarmee illegaal) vuurwerk, samen met twee medeverdachten. Immateriële schade benadeelden toegekend. Rechtbank oordeelt dat sprake is van aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[verdachte] ,

Tenlastelegging

Beoordeling van het bewijs

Bewezenverklaring

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Strafmotivering

Benadeelde partijen

Toepassing van wetsartikelen

Uitspraak

De rechtbank

een gevangenisstraf voor de duur van 197 dagen.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.010523.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 en 31 maart 2026, welk onderzoek is gesloten op 14 april 2026.

Verdachte is op 30 en 31 maart 2026 verschenen, telkens bijgestaan door mr. J.M. Suurmeijer, advocaat te Stadskanaal.

Het openbaar ministerie is op beide zittingen vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair

hij in of of omstreeks de periode van 31 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing aan de [straatnaam] teweeg heeft gebracht door:

woning(en) gelegen aan de [straatnaam] en/of de bewoner(s) van de aangrenzende woning(en) en/of de personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een andere of anderen, te duchten was;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam

ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat er een ontploffing teweeg is gebracht en/of een brand is ontstaan, terwijl daarbij

2

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 1 januari 2024, te [plaats] , gemeente Oldambt, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, als degene die anders dan beroepshalve vuurwerk tot ontbranding bracht, opzettelijk handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten waarvan hij/zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren konden optreden voor mens en/of milieu, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen grote hoeveelheden (zwaar) vuurwerk met knaleffect en/of met hoge massa-explosiviteit tot ontbranding gebracht in of nabij een woonwijk te [plaats] ;

3

hij in of omstreeks de periode van 31 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk (lijst II en/of lijst III) en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten (onder andere):

voorhanden heeft gehad en/of tot ontbranding heeft gebracht, terwijl hij verdachte en/of zijn mededaders geen gespecialiseerde kennis hadden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair en veroordeling voor de feiten 1 subsidiair, 2 en 3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman primair het volgende aangevoerd. Er moet worden gekeken naar de situatie ter plaatse kort voor en op het moment van de ontploffing. Wat er in de uren daaraan voorafgaand is gebeurd speelt geen rol bij het ontstaan van de ontploffing. Van opzet of schuld is geen sprake. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde handelingen heeft verricht op het moment van de ontploffing. Van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel was ook geen sprake. Het is niet vast te stellen hoeveel vuurwerk er op het moment van de ontploffing nog daadwerkelijk in de tuin aanwezig was, wat maakt dat het effect van een ontploffing van dat vuurwerk niet aan te duiden is.

De ontploffing die er geweest is heeft bij de directe omstanders niet tot noemenswaardig letsel geleid, zelfs niet tot zwaar lichamelijk letsel.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat er een andere oorzaak voor de ontploffing is of dat een andere persoon dan verdachte of de twee medeverdachten de ontploffing heeft veroorzaakt.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder acht de rechtbank het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing niet bewezen omdat naar het oordeel van de rechtbank van verdachte niet gezegd kan worden dat hij met dat opzet gehandeld heeft. Ook kan uit de inhoud van het dossier en uit het verhandelde ter zitting niet afgeleid worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ontploffing zou volgen door zijn handelwijze met betrekking tot het afsteken van het vuurwerk. Dat geldt temeer daar de rechtbank het niet buiten redelijke twijfel acht dat verdachte de kans heeft aanvaard dat hij daardoor zelf ernstig gewond zou raken dan wel het leven zou laten.

De rechtbank stelt uit het dossier1 en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast met betrekking tot feit 1 subsidiair.

Op 31 december 2023 zijn verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig op het adres [adres] te [plaats] , het toenmalige woonadres van verdachte.2

Die avond en nacht wordt door verdachte en de medeverdachten zwaar vuurwerk in de tuin geplaatst. Het gaat om een grote hoeveelheid zwaar vuurwerk met hoge massa-explosiviteit, waaronder shells met een knaleffect, die op verschillende momenten in dozen wordt aangevoerd.3 Verdachte en medeverdachten steken het zware vuurwerk ook af. Op de camerabeelden is te zien dat ook vuurwerk wordt gegooid in een vuurton die op de weg voor de woning staat. Te zien is dat er vonken in het rond vliegen, deels over het uitgestalde vuurwerk in de tuin. Medeverdachte [medeverdachte 1] giet af en toe iets uit een jerrycan (vermoedelijk benzine), waardoor het vuur in de ton hoog oplaait. Ook is hij te zien met een brandende sigaret in zijn mond terwijl hij met het vuurwerk bezig is. Verdachte en beide medeverdachten slaan ook met een schop in de vuurton, waardoor vonken ontstaan, en rondvliegen.4

Rond 01:06 uur op 1 januari 2024 is te zien dat er rook komt uit een doos in de tuin. Rond 01:07 uur zijn er grotere rookpluimen te zien, waarna om 01:07:16 uur een explosie plaatsvindt en er vonken en vuur verspreid worden over de tuin en tussen de dozen.5 De deskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat een brandend deeltje tegen of in een kartonnen doos terecht is gekomen en die doos heeft laten branden/smeulen, waardoor vuurwerk (meest aannemelijk een shell/mortierbom) in die doos is ontploft, hetgeen een kettingreactie van ontploffingen in de tuin in gang heeft gezet.6 De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het NFI-rapport, mede gelet op de ter terechtzitting van 30-31 maart 2026 getoonde camerabeelden.7

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de medeverdachten daarmee grovelijk onvoorzichtig hebben gehandeld, waardoor het teweegbrengen van de ontploffing aan hun schuld te wijten is.

Verdachten hebben gezamenlijk het vuurwerk in de tuin neergezet en afgestoken in de omschreven omstandigheden. Ook is er vuurwerk in de vuurton gegooid. Er zijn door hen onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat vuur of vonken of vuurwerkrestanten in aanraking konden komen met (de inhoud van) de vuurton en met het vuurwerk dat nog in de tuin lag. Doordat vuurwerk wat in de tuin lag is ontploft door een brandend deeltje, is uiteindelijk een explosie ontstaan, waarna een kettingreactie van ontploffingen is gevolgd.

Voor het alternatieve scenario dat iemand anders dan verdachten de explosie heeft veroorzaakt, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank ziet de door de deskundige van het NFI genoemde oorzaak bevestigd in de getoonde camerabeelden.

Tot slot volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het NFI-rapport dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. De deskundige heeft omschreven dat de reeks aan ontploffingen heeft geleid tot druk- en schokgolven, hitte en vuurverschijnselen, weggeslingerde brandende effectladingen en brandende vuurwerkresten, en scherven van het vuurwerk zelf en van omgevings-materialen. Deze explosie-effecten kunnen ieder op zich tot letsel en schade leiden. Samengevat was er daardoor gevaar ontstaan voor alle gradaties van lichamelijk letsel, inclusief dodelijk letsel voor personen.8

Dat onbekend is hoeveel vuurwerk er nog in de tuin lag op het moment van de explosie en hoe zwaar dit vuurwerk was, zoals de raadsman heeft gesteld, maakt dit niet anders. Dat er nog zwaar vuurwerk lag, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast.

Gelet op de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

Het tweede tenlastegelegde feit, het medeplegen van het afsteken van vuurwerk als niet professional terwijl verdachte wist dat daardoor gevaar voor mens en/of milieu kon ontstaan, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 maart 2026, de eerder vermelde camerabeelden9 en op grond van eerder vermeld NFI-rapport.

Feit 3, het medeplegen van het als niet professional voorhanden hebben en afsteken van professioneel vuurwerk, acht de rechtbank bewezen op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 maart 2026, eerder vermeld NFI-rapport en de camerabeelden.10

De rechtbank acht de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1 subsidiair

hij in de periode van 31 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met anderen, grovelijk onvoorzichtig

- meerdere dozen met zwaar vuurwerk met knaleffect en met hoge massa-explosiviteit, op korte afstand van open vuur (brandende vuurton) heeft geplaatst en heeft laten staan, en

woningen gelegen aan de [straatnaam] en de bewoners van de aangrenzende woningen en de personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en de naastgelegen omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden is ontstaan;

2

hij in de periode van 31 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, op verschillende tijdstippen, tezamen en in vereniging met anderen, als degene die anders dan beroepshalve vuurwerk tot ontbranding bracht, opzettelijk handelingen heeft verricht en heeft nagelaten waarvan hij wist dat daardoor gevaren konden optreden voor mens en milieu, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen grote hoeveelheden zwaar vuurwerk met knaleffect en met hoge massa-explosiviteit tot ontbranding gebracht in een woonwijk te [plaats] ;

3

hij in de periode van 31 december 2023 tot en met 1 januari 2024 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten:

voorhanden heeft gehad en/of tot ontbranding heeft gebracht, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders geen gespecialiseerde kennis hadden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair medeplegen van aan zijn schuld te wijten teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2 medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

3 medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, bij bewezenverklaring van de feiten 2 en 3, gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest, te weten 17 dagen. Mocht de rechtbank ook tot een veroordeling voor feit 1 komen, heeft de raadsman subsidiair gepleit voor een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf met een proeftijd van een jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 25 maart 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met twee medeverdachten, tijdens de jaarwisseling van 2023 naar 2024 in een woonwijk, zonder voldoende voorzorgsmaatregelen te nemen, zwaar en grotendeels illegaal vuurwerk afgestoken met een enorme explosie tot gevolg. Door zo te handelen heeft verdachte onaanvaardbare veiligheidsrisicos genomen. Die risicos hebben zich in dit geval ook deels verwezenlijkt. Er zijn verschillende woningen en autos beschadigd en meerdere personen zijn lichtgewond geraakt. Ook was er gevaar voor het milieu. Dit feit heeft een enorme impact gehad op buurtbewoners, zoals ook naar voren is gekomen uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Diverse bewoners ondervinden nog steeds de gevolgen van de explosie.

Verdachte wordt tevens veroordeeld voor het, samen met de medeverdachten, illegaal voorhanden hebben en tot ontbranding brengen van professioneel (en daarmee illegaal) vuurwerk. Professioneel vuurwerk bevat een substantieel zwaardere of explosievere lading dan het vuurwerk dat in Nederland aan consumenten verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan, zoals in dit geval ook is gebleken, enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Het afsteken van professioneel vuurwerk brengt risicos met zich mee, niet alleen voor degene die het afsteekt, maar ook voor de omstanders. Ernstige gehoorbeschadiging, zwaar lichamelijk letsel of zelfs overlijden kunnen daarvan de gevolgen zijn. Dat verdachte niet heeft stilgestaan bij deze risicos neemt de rechtbank hem kwalijk.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft door de vuurwerkexplosie moeten verhuizen en psychische klachten ontwikkeld, waarvoor hij in behandeling is bij een psycholoog. Verdachte heeft een vaste baan en een blanco strafblad. De rechtbank houdt ook rekening met het tijdsverloop tussen de afronding van het onderzoek en de behandeling van de zaak op zitting.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 17 dagen, gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, zou betekenen dat verdachte zijn baan kan verliezen. Bovendien acht de rechtbank deze straf niet passend, nu verdachte van het zwaarste feit (het opzettelijk veroorzaken van de explosie) wordt vrijgesproken. Hoewel het gevaar voor herhaling als laag wordt ingeschat door de reclassering, zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen opleggen, om de ernst van de bewezenverklaarde feiten te benadrukken, alsmede een taakstraf van 180 uren. Aan de voorwaardelijke straf zal een proeftijd van 2 jaren worden verbonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd op 1 jaar te stellen, zoals door de raadsman is verzocht.

Ten aanzien van feit 1 hebben de volgende personen zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

13. [ [benadeelde 13] , tot een bedrag van 74,10 ter vergoeding van materiële schade en 500,- ter vergoeding van immateriële schade;

13. [ [benadeelde 14] , tot een bedrag van 1.986,31 ter vergoeding van materiële schade, telkens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

[benadeelde 15] heeft ook een schadevergoedingsformulier ingediend, maar zonder bedragen in te vullen. Ook heeft hij op het hem eerder toegezonden wensenformulier niet aangegeven dat hij schadevergoeding wil. Deze benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen het volgende standpunt ingenomen.

[benadeelde 1] : vordering toewijsbaar, met uitzondering van de gevorderde 1.000,- aan toekomstige kosten.

[benadeelde 2] : toewijsbaar tot een bedrag van 4.467,28. De rest, 50%, is eigen schuld. [benadeelde 3] : toewijsbaar tot 6.375,- oftewel 75%. De rest is eigen schuld.

[benadeelde 14] : toewijsbaar tot 1.499,22 ( 1.986,31 minus 487,09, het bedrag dat door de verzekering is vergoed).

Alle overige vorderingen zijn volledig toewijsbaar. De toegewezen bedragen dienen telkens

te worden vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman subsidiair ten aanzien van de vorderingen het volgende standpunt ingenomen.

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] : referte ten aanzien van de door [benadeelde 1] gevorderde eigen risico zorgverzekering en afwijzing van het door [benadeelde 2] gevorderde bedrag van 129,- en niet-ontvankelijkheid voor het overige gevorderde materiële schade. De door [benadeelde 1] gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd. De immateriële schade die [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben gevorderd moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de eigen schuld van deze benadeelden een uitgebreide afweging vergt, waarvoor geen plaats en ruimte is in deze procedure.

[benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 6] : afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de door [benadeelde 5] gevorderde materiële schade, omdat de schade bij de verzekering geclaimd had kunnen worden. Referte ten aanzien van de door [benadeelde 4] gevorderde materiële schade.

De gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze schade zonder objectieve onderbouwing niet voor vergoeding in aanmerking komt. Meer subsidiair moet deze schade worden gematigd.

[benadeelde 7] en [benadeelde 8] : afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid dan wel matiging van de gevorderde immateriële schade.

[benadeelde 9] en [benadeelde 10] : referte ten aanzien van de door [benadeelde 9] gevorderde materiële schade en de door [benadeelde 10] gevorderde immateriële schade. De door [benadeelde 9] gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard.

[benadeelde 11] en [benadeelde 12] : afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de gevorderde immateriële schade. Meer subsidiair moet de door [benadeelde 12] gevorderde schade worden gematigd.

[benadeelde 13] : afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de gehele vordering.

[benadeelde 14] : afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de gevorderde materiële schade, omdat deze niet is onderbouwd. Ook blijkt niet waarom de verzekering deze kosten niet dekt.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

Deze benadeelde partijen waren als bezoekers aanwezig op het adres waar de vuurwerkexplosie plaatsvond. [benadeelde 1] was de hele avond en gedurende de jaarwisseling in de woning, terwijl broer en zus [benadeelde 2 en 3] het grootste deel van de avond en tijdens de jaarwisseling in de tuin van de woning stonden of zaten en ook hebben bijdragen aan het gevaarzettende gedrag. Ten aanzien van de vorderingen is er ter zitting onder andere discussie ontstaan over de mate van eigen schuld. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of en in welke mate verdachte jegens de benadeelde partijen schadeplichtig is. Schorsing van het onderzoek zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal deze benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1. subsidiair bewezen verklaarde. De schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De benadeelde heeft een bedrag gevorderd van 3.563,58, bestaande uit de post autoschade.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een ernstige normschending en dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde buurtbewoners -ook de benadeelden die geen lichamelijk letsel hebben opgelopen- zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing moet worden aangenomen dat sprake is van aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Verdachte en zijn medeverdachten hebben immers een enorme vuurwerkexplosie veroorzaakt in een woonwijk, waarbij de impact voor de benadeelden - buurtbewoners- groot was, ook emotioneel.

Dit betekent dat aan benadeelde een bedrag aan immateriële schade kan worden toegewezen, ook al is in dit geval geen sprake van objectief vastgesteld geestelijk letsel. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie 19.3 sub b van de Rotterdamse Schaal, waarbij de toe te kennen bedragen uiteenlopen van 1.000,- tot 5.000,-. De rechtbank ziet aanleiding om het door de benadeelde gevorderde bedrag aan immateriële schade te matigen tot 3.000,-.

Dit betekent dat aan de benadeelde een bedrag wordt toegekend van in totaal 6.563,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 5]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1. subsidiair bewezen verklaarde. De schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Dat de benadeelde zijn verzekering niet heeft aangesproken, is zijn eigen keuze en betekent niet dat verdachte niet aansprakelijk is voor deze schade. De benadeelde heeft aan materiële schade een bedrag van 6.580,64 gevorderd, bestaande uit de posten opruimwerkzaamheden ad 750,- en herstelwerkzaamheden woning ad 5.830,64.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Gelet op hetgeen ten aanzien van benadeelde [benadeelde 4] is overwogen, zal de rechtbank ook aan benadeelde [benadeelde 5] een bedrag van 3.000,- toekennen. Dit betekent dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van 9.580,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8]

De benadeelden hebben een bedrag van 5.000,- gevorderd aan immateriële schade. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de gevorderde immateriële schade, worden deze vorderingen toegewezen tot een bedrag van 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. Voor het overige worden de vorderingen afgewezen.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 9]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1. subsidiair bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag bestaat uit de posten eigen risico leaseauto ad 350,- en eigen risico opstalverzekering + inboedelverzekering ad

100,-. [benadeelde 9] heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Dit bedrag van 800,-. kan ook op grond van artikel 6:106 lid 1 BW worden toegekend. Dit betekent dat de gehele

vordering, in totaal 1.250,-, wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 10]

Benadeelde [benadeelde 10] heeft een bedrag van 1.800,- aan immateriële schade gevorderd. Benadeelde heeft als gevolg van de vuurwerkexplosie PTSS-klachten ontwikkeld en EMDR-therapie gevolgd, hetgeen blijkt uit de ter onderbouwing bijgevoegde stukken en de toelichting die namens de benadeelde ter zitting is gegeven. Het gevorderde bedrag zal volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 11]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De benadeelde heeft fysiek letsel aan de vuurwerkexplosie overgehouden en ook psychische schade. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade van 2.500,- zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2024.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 12]

Het gevorderde bedrag aan immateriële schade van 1.000,- kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 13]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De benadeelde heeft letsel overgehouden aan de vuurwerkexplosie en heeft de vordering onderbouwd met notas. Het gevorderde bedrag van 74,10 ter vergoeding van materiële schade bestaat uit de posten fotos

ziekenhuis ad 46,53 en oxazepam ad 27,57. Daarnaast heeft de benadeelde 500,- gevorderd ter zake immateriële schade. De gehele vordering van in totaal 574,10 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024.

ten aanzien van de vordering van [benadeelde 14]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De benadeelde heeft gesteld dat de schade aan zijn auto is begroot op 1.986,31. Uit de stukken blijkt dat een bedrag van 487,09, is vergoed door de verzekering. Daarom kan een bedrag van 1.499,22 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoedingen niet meer aan de

benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 158 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.1.1, 1.2.2 en 1.2.7 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in de vordering niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in de vordering niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] in de vordering niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn

bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.563,58 (zegge: zesduizend vijfhonderddrieënzestig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 3.563,58 aan materiële schade en 3.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 57 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 9.580,64 (zegge: negenduizend vijfhonderdtachtig euro en vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 6.580,64 aan materiële schade en 3.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 72 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 6] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,-(zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 7] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,-(zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,-(zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.250,-(zegge: twaalfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 450,- aan materiële schade en 800,- aan immateriële

schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 12 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 10] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.800,-(zegge: achttienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 18 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 11] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,-(zegge: vijfentwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 12] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,-(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13] toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 13] aan de Staat te betalen een bedrag van 574,10 (zegge: vijfhonderdvierenzeventig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 74,10 aan materiële schade en 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan de benadeelde partij te betalen:

Verklaart de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 14] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.499,22 (zegge: veertienhonderdnegenennegentig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 15] in de vordering niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. H. Brouwer en

mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2026.

1. Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van

Politie Noord-Nederland met nummer 2024000406, 2024000572, 2024000886 (onderzoek Boompieper,

NN2R024002), gesloten op 5 augustus 2024.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 maart 2026.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2024, pagina 260 e.v.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2024, pagina 467 e.v.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2024, pagina 453 e.v.

6 Rapport NFI d.d. 29 juli 2024, los gevoegd bij het dossier.

7 Mediabestand [mediabestand] .

8 Rapport NFI d.d. 29 juli 2024, los gevoegd bij het dossier.

9 zie voetnoten 4 en 5

10 zie voetnoten 4 en 5

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A.M. Wolters
  • mr. H. Brouwer
  • mr. A.L.J.M.A. Janssens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?