RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
Autoriteit Persoonsgegevens (de AP), verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2823
en
(gemachtigden: C. Beckers en J.M.A. Koster).
1. Deze uitspraak gaat over een klacht die eiseres heeft ingediend bij de AP. Eiseres heeft een inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG) ingediend bij een advocatenkantoor. Naar aanleiding van de reactie op dat verzoek heeft eiseres een klacht ingediend bij de AP. Zij is het niet eens met het besluit van de AP op haar klacht en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de AP zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de AP zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiseres heeft bij [het advocatenkantoor] een verzoek om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de AVG ingediend.
Naar aanleiding van de reactie van het advocatenkantoor op haar verzoek heeft eiseres op 10 februari 2025 een klacht ingediend bij de AP.
Met het besluit van 4 april 2025 heeft de AP geconcludeerd dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Daarom legt de AP geen maatregel op aan het advocatenkantoor.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft de AP het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De AP heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daar schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de AP deelgenomen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 5 februari 2025 heeft eiseres bij [het advocatenkantoor] een verzoek ingediend om inzage in haar persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de AVG. Ze verzoekt om inzage in alle persoonsgegevens die het advocatenkantoor met betrekking tot haar heeft verwerkt in het kader van haar faillissementsproces.
Op 6 februari 2025 heeft het advocatenkantoor in een e-mail aan eiseres laten weten dat haar naam bij het kantoor onbekend is. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres haar verzoek nader toegelicht, onder meer door een dossier en onderliggende opdrachtgevers te noemen. Op 7 februari 2025 heeft het advocatenkantoor nogmaals aan eiseres laten weten dat het niets kan vinden met de aangedragen gegevens.
Op 10 februari 2025 heeft eiseres een klacht ingediend bij de AP. Zij stelt dat er niet inhoudelijk wordt gereageerd op haar verzoek terwijl het advocatenkantoor over het dossier beschikt.
Met het besluit van 4 april 2025 heeft de AP besloten geen maatregel op te leggen aan het advocatenkantoor, omdat het heeft geconcludeerd dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de AP het advocatenkantoor gevraagd om een schriftelijke reactie op de klacht en het bezwaar van eiseres.
Het advocatenkantoor heeft een zienswijze naar voren gebracht. Daarin stelt het kantoor dat ten tijde van het contact met eiseres onduidelijk was wie eiseres was. Volgens het kantoor kan inmiddels uit het bezwaar van eiseres worden opgemaakt dat het kantoor in het verleden een justitiabele heeft bijgestaan, maar is artikel 15 van de AVG niet bedoeld om informatie te verzamelen van de advocaat van een voormalig wederpartij. Ook stelt het kantoor dat het, gelet op het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht van advocaten, bevestigt noch ontkent welke positie het in deze heeft gehad. Daarmee wordt het inzagerecht beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Eiseres heeft de AP desgevraagd laten weten dat deze zienswijze geen aanleiding is om haar bezwaarschrift in te trekken en dat zij haar bezwaar handhaaft.
Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft de AP het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, omdat het advocatenkantoor artikel 15 van de AVG niet heeft overtreden.
Beoordeling door de rechtbank
Miskent de AP de reikwijdte en de werking van artikel 15 AVG?
4. Eiseres stelt dat het recht op inzage uit de AVG autonoom is en niet kan worden vervangen door civiel-procedurele opvraagmogelijkheden. De AP miskent de reikwijdte en werking van artikel 15 van de AVG door te stellen dat zij processtukken kan verkrijgen via de rechtbank, waardoor haar klacht niet onder artikel 15 van de AVG zou vallen.
De AP stelt zich in het bestreden besluit, onder punt 6, op het standpunt dat, voor zover eiseres inzage wenst in de processtukken van het faillissementsproces, zij deze kan opvragen bij de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken. Daarom komt de AVG-klacht volgens de AP niet voor toewijzing in aanmerking.
Op de zitting heeft de AP toegelicht dat in punt 6 van het bestreden besluit is bedoeld aan te geven dat de AVG niet van toepassing is op een verzoek van eiseres om processtukken of een openbaar dossier te verkrijgen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit punt 7 van het bestreden besluit dat artikel 15 van de AVG volgens de AP wel van toepassing is voor zover het verzoek en de klacht van eiseres zien op inzage in haar persoonsgegevens. Het feit dat eiseres de processtukken kon opvragen bij de rechtbank is door de AP dan ook niet ten grondslag gelegd aan het oordeel dat het advocatenkantoor artikel 15 van de AVG niet heeft overtreden. De rechtbank oordeelt dat de AP de reikwijdte van artikel 15 van de AVG daarmee niet heeft miskend. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook niet.
Heeft de AP zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een overtreding van de AVG?
6. Eiseres stelt dat het advocatenkantoor aantoonbaar haar persoonsgegevens heeft verwerkt, gelet op de (openbare) faillissementszaak. Daarom had de AP moeten oordelen dat wel degelijk sprake is van verwerking van haar persoonsgegevens.
Daarnaast stelt eiseres dat een verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG een informatieplicht heeft om de betrokkene te informeren over het bestaan van verwerking, de categorieën persoonsgegevens en de doeleinden. Deze informatieplicht geldt ook wanneer (delen van) documenten onder de geheimhoudingsplicht vallen. Deze geheimhoudingsplicht is namelijk niet absoluut en verbiedt niet categorisch dat informatie wordt verstrekt. Omdat de verwerking van haar persoonsgegevens plaatsvond in een openbare procedure, waarbij de ontvangers van haar persoonsgegevens kenbaar zijn, is een weigering op grond van het beroepsgeheim een ongerechtvaardigde beperking van artikel 15 van de AVG. Dat artikel heeft namelijk rechtstreekse werking en de effectieve uitoefening van rechten op grond van dat artikel mag niet worden beperkt door de geheimhoudingsplicht.
Ook stelt eiseres dat de inconsistente houding van het advocatenkantoor in strijd is met de verantwoordingsplicht van artikel 5, tweede lid, van de AVG en het transparantiebeginsel van artikel 12 van de AVG. Het advocatenkantoor heeft namelijk eerst feitelijk onjuist verklaard dat het eiseres niet kende en beriep zich pas later op het beroepsgeheim.
Verder stelt eiseres dat de AP onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke rol van het kantoor in het faillissement en de evidente inconsistentie in de verklaringen van het kantoor. Omdat het recht op toegang tot persoonsgegevens een essentieel onderdeel is van het recht op privacy is een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging vereist.
De AP stelt zich op het standpunt dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden bij het beantwoorden van het inzageverzoek van eiseres. Volgens de AP is het inzagerecht van artikel 15 van de AVG niet absoluut. Op grond van artikel 23 van de AVG is in Nederland artikel 41 van de UAVG van toepassing. In lid 1, onder i, van dat artikel is bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke het inzagerecht buiten toepassing kan laten met het oog op de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Deze uitzonderingsmogelijkheid geldt voor de geheimhoudingsplicht van een advocaat. Die geheimhoudingsplicht strekt zich ook uit tot de vraag of iemand zich tot een bepaalde advocaat heeft gewend en, zo ja, ter zake waarvan. Omdat eiseres in haar verzoek vermeende opdrachtgevers bij naam heeft genoemd zou iedere bevestiging of ontkenning van het advocatenkantoor over het verwerken van haar persoonsgegevens prijsgeven of deze partijen zich tot het advocatenkantoor hebben gewend. Ook het enkel noemen van informatiecategorieën zou die informatie prijsgeven. Daarom was de weigering van het advocatenkantoor gerechtvaardigd ter bescherming van de rechten van anderen. Daarnaast ziet artikel 15, vierde lid, van de AVG, waarin is bepaald dat het recht om kopieën te verkrijgen geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen, op het inzagerecht in zijn volle omvang.
Volgens de AP maakt de aanvankelijke verklaring van het kantoor dat het niets kon vinden dit niet anders. Uit de stukken die het kantoor heeft overgelegd blijkt namelijk dat het kantoor eerst in de veronderstelling verkeerde dat eiseres een voormalig cliënt was. Toen bekend werd dat eiseres geen cliënt maar wederpartij was heeft het kantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aan het inzageverzoek kon voldoen vanwege de geheimhoudingsplicht. Het kantoor kon volstaan met de mededeling dat het bevestigt noch ontkent dat het een positie heeft gehad in deze kwestie. Daarom is er geen sprake van een schending van artikel 5, tweede lid, of artikel 12 van de AVG.
De AP stelt zich op het standpunt dat het de klacht van eiseres in passende mate heeft onderzocht, zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, onder f, van de AVG. Op de zitting heeft de AP toegelicht dat het verzoek van eiseres ziet op de verwerking van haar persoonsgegevens in het kader van haar privé-faillissement in de dossiers van de door haar genoemde schuldeisers. Daarmee ziet het verzoek van eiseres volgens de AP op de relatie tussen cliënt en advocaat. Een nader onderzoek naar de feitelijke rol van het advocatenkantoor in het faillissement zou niets veranderen aan de uitkomst van het onderzoek, omdat dit niets verandert aan de geheimhoudingsplicht.
7. De rechtbank overweegt dat het inzagerecht van artikel 15 van de AVG niet absoluut is. Op grond van artikel 41, eerste lid, onder i, van de UAVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het inzagerecht buiten toepassing laten met het oog op de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
8. De AP heeft een zienswijze opgevraagd bij het advocatenkantoor. Daarin stelt het kantoor zich op het standpunt dat het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht van advocaten maken dat geen informatie kan worden verstrekt. Het inzagerecht van eiseres wordt daarmee volgens het kantoor beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de AP gelegen om te onderzoeken welke rechten en vrijheden van anderen volgens het advocatenkantoor beschermd worden met de beperking van het inzagerecht van eiseres. Daarbij overweegt de rechtbank dat sprake is van een openbare faillissementsprocedure. In een dergelijke procedure doet een schuldeiser een faillissementsverzoek dat wordt ingediend door een advocaat. Verder is er een steunvordering nodig voor een faillissement. Ook deze steunvordering behoort tot het faillissementsverzoek. Verweerder in een faillissementsprocedure, later de failliet, krijgt dat faillissementsverzoek en daarmee ook de naam van de schuldeisers en de advocaat of de advocaten. Dat betekent dat het niet anders kan dan dat eiseres weet wie de verzoekende schuldeisers en de advocaat of advocaten in haar faillissementsprocedure zijn geweest. De stelling dat iedere bevestiging of ontkenning van het advocatenkantoor over het verwerken van haar persoonsgegevens zou prijsgeven of deze partijen zich tot het advocatenkantoor hebben gewend, gaat voor wat betreft deze faillissementsprocedure dan ook niet op.
10. De rechtbank volgt de AP daarnaast niet in de stelling dat het verzoek van eiseres alleen ziet op de verwerking van haar gegevens in de dossiers van de door haar genoemde schuldeisers. Het initiële verzoek van eiseres is immers breed geformuleerd. Eiseres specificeert enkele voorbeelden van informatie waarvan zij inzage verlangt, maar stelt daarbij expliciet dat haar verzoek niet is beperkt tot de genoemde voorbeelden. Ook noemt zij hierbij geen namen van schuldeisers. Pas naar aanleiding van de reactie van het kantoor, dat het geen informatie heeft kunnen vinden, heeft eiseres enkele schuldeisers bij naam genoemd, om haar verzoek te verduidelijken. Deze verduidelijking is naar het oordeel van de rechtbank geen beperking van haar eerdere verzoek tot slechts de dossiers van genoemde schuldeisers.
11. De rechtbank overweegt verder dat uit overweging 63 van de considerans van de AVG volgt dat als er sprake is van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, de betrokken rechten tegen elkaar moeten worden afgewogen. Voor zover mogelijk moet ervoor worden gekozen de persoonsgegevens te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat deze overwegingen er niet toe mogen leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden.
12. Dat betekent dat de AP in dit geval het belang van eiseres om te weten of het advocatenkantoor haar persoonsgegevens verwerkt moet afwegen tegen de rechten en vrijheden van anderen die volgens het advocatenkantoor beschermd worden met de beperking van het inzagerecht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat de AP deze belangenafweging heeft gemaakt. Dit geldt eens te meer nu de AP niet duidelijk heeft gemaakt welke rechten en vrijheden van anderen dan daadwerkelijk worden beschermd met de beperking. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de AP onvoldoende onderzoek gedaan naar deze rechten en vrijheden van anderen.
13. Gelet op het bovenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de AP een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de AP hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet de AP het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 juli 2025;
- draagt de AP op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de AP het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 15
Recht van inzage van de betrokkene
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a. a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 23 Beperkingen
Artikel 57 Taken
1. De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van:
2. De in lid 1 bedoelde wettelijke maatregelen bevatten met name specifieke bepalingen met betrekking tot, in voorkomend geval, ten minste:
1. Onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken, verricht elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied de volgende taken:
(….)
f) zij behandelt klachten van betrokkenen, of van organen, organisaties of verenigingen overeenkomstig artikel 80, onderzoekt de inhoud van de klacht in de mate waarin dat gepast is en stelt de klager binnen een redelijke termijn in kennis van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek, met name indien verder onderzoek of coördinatie met een andere toezichthoudende autoriteit noodzakelijk is;
Artikel 77 Recht om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit
1. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevensinbreuk maakt op deze verordening.
2. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel 78.
Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 41. Uitzonderingen op rechten betrokkene en plichten verwerkingsverantwoordelijke
1. De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de
artikelen 12 tot en met 21 en artikel 34 van de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van:
2. Bij de toepassing van het eerste lid houdt de verwerkingsverantwoordelijke rekening
met in ieder geval, voor zover van toepassing: