RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] , eiser
De directie van de Dienst Wegverkeer (de RDW), verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/96
en
(gemachtigden: S.L.I. Meekel en F. Schuring).
1. Deze uitspraak gaat over gaat over het besluit van de RDW om de APK-erkenning van eiser tijdelijk in te trekken. Eiser is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW deze sanctie overeenkomstig de toezichtsbeleidsbrieven in redelijkheid kon opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het besluit van 31 oktober 2023 heeft de RDW de APK-keuringsbevoegdheid van eiser tijdelijk ingetrokken. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft de RDW het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de RDW deelgenomen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is erkenninghouder en keurmeester als bedoeld in artikel 1 van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK (de Regeling).
Een toezichthouder van de RDW heeft eiser gehoord. De aanleiding hiervoor was een melding van een voertuigeigenaar dat zijn voertuig was afgemeld voor de APK, terwijl hij het voertuig niet had aangeboden voor de APK.
Eiser heeft tijdens de horing aangegeven dat hij een ander voertuig, met een bijna identiek kenteken, heeft gekeurd, waarbij hij geen voertuiggegevens heeft geraadpleegd. Enige tijd na deze keuring kreeg de eigenaar van het voertuig een brief van de RDW dat de APK op zijn voertuig was verlopen. Deze eigenaar heeft toen contact opgenomen met eiser, die het voertuig nogmaals heeft gekeurd en heeft afgemeld bij de RDW. Ook hierbij heeft eiser de voertuiggegevens niet geraadpleegd.
Eiser heeft tijdens de horing verder aangegeven dat hij naar aanleiding van bovenstaande gebeurtenissen contact heeft opgenomen met de RDW. Hij zou daarna de RDW een mail sturen om te melden dat er een verkeerd kenteken was afgemeld voor de APK, en om te verzoeken om de keuring te verwijderen, maar is dit vergeten.
Met het besluit van 31 oktober 2023 (kenmerk RO2023/1332) heeft de RDW de APK-keuringsbevoegdheid van eiser voor de categorie voertuigen tot en met 3500kg ingetrokken, voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk. De RDW legt hieraan ten grondslag dat sprake is van een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Regeling, waarvoor zij een sanctie kan opleggen op grond van artikel 87, tweede lid, onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (de WVW 1994). De RDW stelt dat het tot dit besluit komt na afweging van de belangen en de afwezigheid van bijzondere feiten en omstandigheden. Daarbij weegt de RDW mee dat er in de afgelopen 24 maanden al eerder een overtreding is geconstateerd en dat het feit een overtreding van categorie II is.
Op 7 november 2023 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen dat besluit. Eiser stelt dat hij de aangetekende brief met het besluit van 31 oktober 2023 niet heeft ontvangen en dat deze ook niet op een postkantoor lag waar hij deze kon ophalen. De handtekening die is gezet voor ontvangst van de brief is niet van hem, omdat hij op de zaak was om APK-keuringen te verrichten, hetgeen hij kan aantonen door de tijden waarop auto’s zijn afgemeld voor de APK. Hierdoor was hij niet op de hoogte van de intrekking van zijn keuringsbevoegdheid.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift is de sanctie op 8 november 2023 opgeschort. Ook heeft er een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.
Met het besluit van 22 juli 2024 (kenmerk FK45F01) heeft de RDW het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Ontvankelijkheid
4. In het verweerschrift heeft de RDW zich op het standpunt gesteld dat eiser geen inhoudelijke gronden aanvoert tegen het bestreden besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Op de zitting heeft de RDW zich verder op het standpunt gesteld dat het beroepschrift van eiser één dag te laat is ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift heeft aangegeven dat hij in beroep gaat omdat hij het niet eens is met de beslissing. Hij benoemt hierbij als argumenten dat hij brieven niet ontvangt en het contact met de RDW niet soepel verloopt. Ook benoemt hij dat het gaat over een situatie in oktober 2023 en hij pas in juli 2024 bericht hierover krijgt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze argumenten aan te merken als gronden van beroep.
Verder stelt de rechtbank vast dat bestreden besluit is genomen op 22 juli 2024. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop het besluit bekend is gemaakt. Dat betekent dat de termijn om een beroepschrift in te dienen eindigde op 3 september 2024. Eiser heeft een beroepschrift ingediend bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) op 3 september 2024. Het CBb was niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Toch is het tijdstip van indienen bij een onbevoegd orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Dat betekent dat het beroep tijdig is ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift van eiser ontvankelijk is omdat het tijdig is ingediend en voldoet aan de wettelijke vereisten.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 87, tweede lid, onder f, van de WVW 1994 kan de RDW een erkenning intrekken indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
Op grond van artikel 27, derde lid, van de Regeling wordt geen keuring verricht voordat het kentekenregister is geraadpleegd ten aanzien van het opgegeven kenteken, het identificatienummer en de datum van eerste toelating.
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de Regeling, wordt pas overgegaan tot het afmelden van een voertuig, nadat de keurmeester aan de hand van het kentekenregister is nagegaan of de keuring van dat voertuig heeft plaatsgevonden.
De RDW heeft toezichtsbeleidsbrieven opgesteld, waarin het beleid met betrekking tot het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties is neergelegd. Dit beleid is een systeem van in ernst oplopende sancties, waarbij in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders. De Afdeling heeft eerder overwogen dat dit beleid als zodanig niet onredelijk wordt geacht.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) moet een bestuursorgaan handelen overeenkomstig opgestelde beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
De niet betwiste feiten
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser artikel 27, derde lid, en artikel 30, tweede lid, van de Regeling heeft overtreden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de opgelegde sanctie in overeenstemming met de toezichtsbeleidsbrieven van de RDW is opgelegd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de RDW het bezwaar van eiser ongegrond mocht verklaren, omdat het de sanctie in redelijkheid heeft kunnen opleggen. De rechtbank beoordeelt daarvoor aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het handelen overeenkomstig de toezichtsbeleidsbrieven onevenredig was voor eiser.
Was het handelen van de RDW overeenkomstig de toezichtsbeleidsbrieven onevenredig voor eiser?
7. Eiser stelt dat hij geen brieven van de RDW ontvangt, ook niet als deze aangetekend worden verstuurd. Verder stelt eiser dat het contact met de RDW via de mail niet soepel verloopt.
De RDW stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit op de juiste manier is aangeboden door het aangetekend te verzenden via PostNL. De RDW volgt eiser daarentegen wel in zijn stelling dat hij niet heeft getekend voor de ontvangst van het besluit. De gebruikte handtekening lijkt namelijk niet op de handtekening die eiser gebruikte bij de RDW om documenten te ondertekenen. Ook is er om 16:42 uur getekend voor de ontvangst op het woonadres van eiser, terwijl eiser enkele minuten later twee voertuigen afmeldde op het autobedrijf. Volgens de RDW zou het dus kunnen dat PostNL een fout heeft gemaakt. De RDW stelt zich echter op het standpunt dat het niet kon weten dat eiser niet op de hoogte was van het besluit. Op de zitting heeft de RDW toegelicht dat de RDW pas bekend werd met het feit dat eiser het primaire besluit mogelijk niet had ontvangen toen het bezwaarschrift van eiser was verwerkt door de afdeling juridische zaken, op 8 november 2023. De sanctie is toen alsnog zo snel mogelijk opgeschort. Deze opschorting is vroeg in de ochtend van 8 november 2023 ingegaan, waardoor eiser vanaf dat moment weer voertuigen kon keuren. De RDW rekent daarom dat 2 dagen van de sanctie al voor de opschorting daarvan zijn vervuld. De overige 12 dagen zijn ingegaan na het bestreden besluit. De sanctie is inmiddels dan ook voldaan.
De RDW stelt zich verder op het standpunt dat eisers stelling dat het contact met de RDW niet soepel verloopt er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ook wijst de RDW erop dat het bereikwaar was via verschillende e-mailadressen en telefoonnummers. Eiser is hierover geïnformeerd en ook is er rechtstreeks e-mail contact geweest tussen de behandelaar van het bezwaar en eiser.
Eisers beroepsgrond slaagt niet. Dat eiser het primaire besluit mogelijk niet heeft ontvangen en het mailcontact met de RDW als ‘niet soepel’ ervaart maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat handelen overeenkomstig de beleidsregel onevenredig is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Een besluit treedt niet in werking voordat het bekend is gemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.
Als een besluit aangetekend wordt verzonden met PostNL, aan het juiste adres, en de zending is niet retour ontvangen, staat de verzending vast. Als een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ontkent, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Als het poststuk volgens de gegevens van PostNL is uitgereikt aan een bewoner, dan wel gebruiker, van het adres van de geadresseerde, dan ligt het op de weg van de belanghebbende om feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het poststuk is uitgereikt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat in ieder geval kan worden getwijfeld of het primaire besluit aan hem is uitgereikt voordat deze in werking trad op 7 november 2023. Dit is aannemelijk omdat eiser niet om 16:42 kan hebben getekend voor ontvangst op zijn huisadres, terwijl hij om 16:46 en 16:47 voertuigen heeft afgemeld voor de APK op het autobedrijf. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Dat betekent dat het primaire besluit niet in werking mocht treden op 7 november 2023.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de RDW, zo snel mogelijk nadat duidelijk werd dat redelijkerwijs kon worden getwijfeld of het primaire besluit aan eiser was uitgereikt, en dus nadat duidelijk werd dat het besluit mogelijk niet in werking mocht treden, de werking van dat besluit opgeschort. Dat was op het moment dat het bezwaarschrift van eiser was verwerkt door de afdeling juridische zaken van de RDW, in de ochtend van 8 november 2023. Voor de periode dat de sanctie al wel in werking was getreden, namelijk op 7 november 2023 en voor een deel van de ochtend van 8 november 2023, zijn in het bestreden besluit twee dagen van de resterende sanctieduur afgetrokken. Daarmee heeft de RDW naar het oordeel van de rechtbank niet gehandeld in strijd met de bepalingen in de Awb over de inwerkingtreding van besluiten.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de stelling van eiser, dat het contact met de RDW ‘niet soepel’ loopt, ook niet leiden tot het oordeel dat het handelen overeenkomstig de toezichtbeleidsbrieven onevenredig is voor eiser. Zoals de RDW heeft toegelicht waren er verschillende e-mailadressen en telefoonnummers door middel waarvan eiser contact kon opnemen met de RDW. Eiser is op verschillende contactmogelijkheden gewezen in het primaire besluit, de ontvangstbevestiging van zijn bezwaarschrift en het bestreden besluit. Eiser heeft niet aangetoond dat hij tevergeefs heeft geprobeerd contact te zoeken met de RDW.
Is het bestreden besluit te laat genomen?
8. In zijn beroepschrift stelt eiser dat het bestreden besluit pas is genomen in juli 2024, terwijl het gaat over een situatie van oktober 2023. De rechtbank interpreteert deze beroepsgrond zo dat eiser stelt dat het bestreden besluit te laat is genomen.
De RDW stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat hoewel de beslissing op bezwaar buiten de wettelijke beslistermijn is genomen, eiser niet kenbaar heeft gemaakt dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft ook geen ingebrekestelling verstuurd. Verder is eiser niet benadeeld door het tijdsverloop, omdat hij in afwachting van het besluit op bezwaar APK-keuringen kon uitvoeren. Daarom kan de termijnoverschrijding er volgens de RDW niet toe leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Eisers beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het overschrijden van de beslistermijn geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is overschreden. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De wettelijke beslistermijnen van artikel 7:10 van de Awb zijn termijnen van orde. Als zo’n termijn wordt overschreden kan een belanghebbende beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Overschrijding van de termijn betekent niet dat de beslissing op bezwaar daardoor voor vernietiging in aanmerking komt.
Conclusie en gevolgen
9. Eisers gronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de sanctie die de RDW aan eiser heeft opgelegd in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 87
(…)
f. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK
Artikel 27
(…)
3. Er wordt geen keuring verricht dan nadat het kentekenregister is geraadpleegd ten aanzien van:
a. het voor het voertuig opgegeven kenteken;
b. het identificatienummer van het ter keuring aangeboden voertuig, en
c. de datum eerste toelating van het voertuig.