RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de heffings- en invorderingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4894
(gemachtigde: mr. M.P.M. van de Ven),
en
(gemachtigde: T. de Graaf).
1. Deze uitspraak gaat over het Woo-verzoek van eiser. Eiser is het niet eens met het besluit op zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar alle gevraagde informatie aan eiser heeft verstrekt. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de heffingsambtenaar een deel van het Woo-verzoek van eiser ten onrechte niet heeft doorgezonden. Daarom is het beroep van eiser gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 19 april 2024 heeft eiser een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij de gemeente Leeuwarden.
Met het besluit van 6 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden het verzoek van eiser gedeeltelijk toegekend en gedeeltelijk afgewezen.
Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 16 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op 14 augustus 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op 27 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op dat verweerschrift. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2025 schriftelijk gereageerd op de reactie van eiser. Eiser heeft daar op 2 maart 2025 schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 19 april 2024 heeft eiser een Woo-verzoek ingediend bij de gemeente Leeuwarden. Hij verzoekt om ontvangst van alle onderliggende informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling of de aanslag waterzorgheffing 2024 rechtmatig aan hem is opgelegd. Ook verzoekt eiser om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ten aanzien van zowel de Verordening Riool- en waterzorgheffing van de gemeente Leeuwarden als ten aanzien van de departementen die betrokken waren bij de totstandkoming van de onderliggende Wet van 28 juni 2007 tot wijziging van onder meer de Gemeentewet met verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken.
Op 7 juni 2024 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd naar de gemeente wegens het uitblijven van een reactie op zijn verzoek.
Met het besluit van 6 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het verzoek van eiser gedeeltelijk toegekend en gedeeltelijk afgewezen.
Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Op 12 augustus 2024 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd naar de gemeente wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Op 2 september 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar door de gemeente. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer LEE 24/3754. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling is verstuurd voordat de beslistermijn is geëindigd. Eiser heeft geen verzet ingesteld tegen deze uitspraak, waardoor dit oordeel in rechte vaststaat.
Op 26 november 2024 heeft eiser opnieuw een ingebrekestelling gestuurd naar de gemeente wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Op 13 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar door de gemeente. De heffingsambtenaar heeft op 23 december 2024 op dat beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. Daarin erkent de heffingsambtenaar dat hij niet tijdig heeft beslist op het Woo-verzoek en het bezwaar van eiser. Ook erkent de heffingsambtenaar dat hij heeft nagelaten het Woo-verzoek van eiser door te zenden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, terwijl hij daartoe wel verplicht was op grond van artikel 4.2 van de Woo.
Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig nemen van een besluit afgewezen.
Per brief van 22 januari 2025 heeft de rechtbank eiser gevraagd of hij het beroep wil handhaven. Eiser heeft in zijn brief van 27 januari 2025 laten weten dat hij dat hij het niet eens is met het bestreden besluit en dat hij zijn beroep niet intrekt. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
Beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
4. Eiser heeft op 27 juni 2024 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar had op uiterlijk 21 november 2024 een besluit moeten nemen op het bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar dat niet heeft gedaan. Ook heeft de heffingsambtenaar niet binnen twee weken, nadat hij op 26 november 2024 in gebreke is gesteld, alsnog een besluit genomen. Eiser heeft op 16 december 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft op 16 januari 2024 echter alsnog een besluit op het bezwaar van eiser genomen. Omdat door de minister alsnog een besluit is genomen, is er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is voor dit deel dan ook niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2025, ingaan op de vraag of aan eiser een dwangsom had moeten worden toegekend, omdat niet tijdig is beslist. Deze vraag is namelijk gekoppeld aan de inhoudelijke afdoening van het bezwaarschrift.
Beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2025:
5. De rechtbank zal nu het beroep van eiser, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2025, behandelen aan de hand van de gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.
Procesorde:
6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser een pleitnota voorgedragen. Hierin heeft hij het vermoeden van eiser uitgesproken dat de gemeente verschillende brieven heeft geantedateerd. Ook heeft hij hierin gesteld dat het bezwaar van eiser ten onrechte is doorgestuurd naar de onafhankelijke Adviescommissie bezwaarschriften.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser deze punten niet eerder in de beroepsprocedure naar voren heeft gebracht. Hij heeft de rechtbank gevraagd deze punten buiten behandeling te laten wegens strijd met de goede procesorde.
Naar het oordeel van de rechtbank verzet de goede procesorde zich tegen het betrekken van deze gronden in de procedure. Deze gronden zijn namelijk niet eerder in de procedure naar voren gebracht, terwijl dat wel had gekund. Hierdoor heeft de heffingsambtenaar geen tijd gehad om zich voor te bereiden op deze gronden en zich er inhoudelijk over uit te laten.
Heeft de heffingsambtenaar alle gevraagde informatie op de juiste wijze verstrekt?
7. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet alle informatie waar hij om heeft verzocht aan hem heeft toegezonden. Op de zitting heeft eiser verduidelijkt dat de stukken die hij heeft genoemd in zijn brief van 27 oktober 2025, onder i. en ii, nog steeds niet aan hem zijn toegezonden. Het gaat om de antwoorden van de heffingsambtenaar op de vragen van de VVD over de waterzorgheffing 2024 en het memo Riool- en waterzorgheffing 2024 van Fiscaliade van 24 november 2023. Volgens eiser is het verwijzen naar de webpagina waarop deze stukken te vinden zijn onvoldoende.
Daarnaast stelt eiser dat de informatie die wel is verstrekt niet op een toegankelijke en klantvriendelijke wijze is verstrekt. Ook voelt hij zich geïntimideerd door het bestreden besluit. Op de zitting heeft hij toegelicht dat deze gevoelens voortkomen uit het verloop van de hele procedure. Met name de omstandigheid dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift van 23 december 2024 stelt dat het beroep van eiser deels gegrond is, maar het bezwaar van eiser met het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaart, leidt daartoe.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat wel degelijk inzicht is gegeven in, en verstrekking heeft plaatsgevonden van, alle verzochte informatie, voor zover die niet al openbaar was. De twee stukken waar eiser naar verwijst waren volgens de heffingsambtenaar al openbaar, omdat deze gepubliceerd waren op de website van de gemeente Leeuwarden. Omdat deze informatie in een gemakkelijk toegankelijk vorm voor het publiek beschikbaar is, heeft hij in overeenstemming met artikel 4.5, tweede lid, van de Woo gehandeld door te verwijzen naar de webpagina waarop de stukken te vinden zijn.
Verder erkent de heffingsambtenaar dat zowel de behandeling van het Woo-verzoek in eerste instantie, als het nemen van een beslissing op bezwaar, te lang heeft geduurd. Hij stelt zich echter op het standpunt dat er geen klantonvriendelijke dan wel intimiderende intentie schuilgaat achter de beslisprocedure of de beslissing op bezwaar.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van de gevraagde informatie voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Woo. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Met het primaire besluit heeft de heffingsambtenaar verschillende documenten aan eiser toegezonden. Uit de inventarislijst in bijlage 2 bij het primaire besluit volgt dat de al openbare stukken waarop het Woo-verzoek betrekking heeft zijn opgenomen in een aparte bijlage bij het besluit. In deze bijlage, onder 2O, verwijst de heffingsambtenaar naar het debat van de gemeenteraad van 29 november. Hierbij staat een link die leidt naar een webpagina van de gemeente Leeuwarden. Op deze webpagina kan de raadsvergadering van 29 november 2023 worden teruggekeken en zijn de bijbehorende stukken te raadplegen. Onder 5. staan, zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld, de antwoorden op de vragen van de VVD en het memo van Fiscaliade.
Op grond van artikel 4.5, tweede lid, van de Woo wijst het bestuursorgaan de verzoeker erop indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de heffingsambtenaar volstaan met een verwijzing naar de website van de gemeente Leeuwarden, omdat de stukken waar eiser om vroeg daarop op een gemakkelijk toegankelijke vorm beschikbaar waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Woo.
Op grond van artikel 2.4, derde lid, van de Woo, geschiedt de openbaarmaking van informatie op grond van de Woo op zodanige wijze dat de belanghebbende en belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt en op de in dat lid genoemde algemeen toegankelijke wijze.
Met de enkele stelling dat de verstrekking van de informatie door de heffingsambtenaar niet op een klantvriendelijke en toegankelijke wijze heeft plaatsgevonden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de eisen van artikel 2.4, derde lid, van de Woo.
Er is niet gebleken van andere stukken welke door eiser zijn verzocht maar die door de heffingsambtenaar niet zijn overgelegd. De enkele verwijzing naar een mail van een informatiespecialist van de Eerste Kamer door eiser is daarvoor onvoldoende.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift van 23 december 2024 stelt dat het beroep van eiser deels gegrond is, maar vervolgens een ander standpunt inneemt door het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond te verklaren, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals op de zitting is besproken is het verweerschrift van de heffingsambtenaar van 23 december 2024 een reactie op het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat verweerschrift ziet dus alleen op de vraag of de beslissing op bezwaar tijdig is genomen. Het bestreden besluit ziet daarentegen op de inhoud en daarin beslist de heffingsambtenaar op de vraag of terecht bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit. Dat de heffingsambtenaar ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar een ander standpunt inneemt dan ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft.
Heeft de heffingsambtenaar het Woo-verzoek ten onrechte niet doorgezonden?
8. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar zijn Woo-verzoek onverwijld had moeten doorgeleiden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op grond van artikel 4.2, eerste lid, tweede volzin, van de Woo
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij het Woo-verzoek van eiser inderdaad ten onrechte niet heeft doorgestuurd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij heeft dit per brief van 27 februari 2025 alsnog gedaan.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank had de heffingsambtenaar het Woo-verzoek van eiser moeten doorzenden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op grond van artikel 4.2, eerste lid, tweede volzin, van de Woo. De rechtbank stelt vast dat hij dit pas heeft gedaan na het bestreden besluit. Dat betekent dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 4.2 van de Woo. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
Welke gevolgen kan de rechtbank verbinden aan het gebrek in het bestreden besluit?
9. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat hij het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond had moeten verklaren, omdat hij het verzoek van eiser ten onrechte niet heeft doorgestuurd. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond verklaard had mogen worden, in het bestreden besluit een dwangsom had moeten toekennen ten aanzien van het niet tijdig genomen besluit op bezwaar. Hij heeft de rechtbank daarom gevraagd het beroep van eiser deels gegrond te verklaren, het bestreden besluit deels te vernietigen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat alle informatie openbaar is gemaakt, en een dwangsom wegens niet tijdig beslissen aan eiser toe te kennen.
De bestuursrechter beslecht een geschil zo veel mogelijk definitief. De bestuursrechter beziet, voordat hij overgaat tot vernietiging van een besluit, of een geconstateerd gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat kan als aannemelijk is dat de belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Als dat niet het geval is moet de rechter het besluit vernietigen op grond van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb. Hij beziet dan eerst of hij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kan laten. Dat kan niet als het dictum van het bestreden besluit anders moet komen te luiden. In dat geval beziet de rechter of hij zelf in de zaak kan voorzien.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de heffingsambtenaar het Woo-verzoek na het bestreden besluit alsnog heeft toegezonden naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. Toch is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser namelijk kennelijk ongegrond verklaard, waardoor de heffingsambtenaar op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb geen dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit heeft toegekend. Nu de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was heeft de heffingsambtenaar in het bestreden besluit ten onrechte op deze grond het verzoek om een dwangsom afgewezen. Daardoor is eiser benadeeld. Dat betekent dat het bestreden besluit vernietigd moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten. Het dictum van het bestreden besluit luidt namelijk ten onrechte ‘kennelijk ongegrond’. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 8.2.1. had de heffingsambtenaar het bezwaar deels gegrond moeten verklaren. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
De rechtbank zal het bezwaar van eiser ongegrond verklaren voor zover dat is gericht tegen het niet verstrekken van gevraagde informatie, omdat de rechtbank van oordeel is dat de heffingsambtenaar alle gevraagde informatie op de juiste wijze heeft verstrekt. De rechtbank zal het bezwaar van eiser, voor zover dat is gericht tegen het niet doorsturen van het Woo-verzoek naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gegrond verklaren. Ook zal de rechtbank bepalen dat de heffingsambtenaar een dwangsom wegens niet tijdig beslissen aan eiser verbeurt.
De heffingsambtenaar had op uiterlijk 21 november 2024 een besluit moeten nemen op het bezwaar. Eiser heeft een ingebrekestelling verstuurd op 26 november 2024, welke door de heffingsambtenaar is ontvangen op 28 november 2024. De eerste dag waarover de heffingsambtenaar een dwangsom is verschuldigd is 13 december 2024. Het bestreden besluit is van 16 januari 2025. Dat betekent dat de heffingsambtenaar een dwangsom verbeurt voor 34 dagen. Deze dwangsom bedraagt € 1.127,-.
Heeft eiser recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
10. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding voor het geval de behandeltermijn in bezwaar en beroep wordt overschreden. De rechtbank vat dit op als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg is in beginsel een termijn van twee jaar redelijk. In deze termijn is de bezwaarfase inbegrepen. Deze termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment dat de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 28 juni 2024. De rechtbank doet uitspraak op 17 april 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Daarom krijgt eiser géén immateriële schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Het beroep is gegrond voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2025, omdat het besluit in strijd is met artikel 4.2 van de Woo. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser ongegrond voor zover dat is gericht tegen het niet verstrekken van gevraagde informatie. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser gegrond voor zover dat is gericht tegen het niet doorsturen van zijn Woo-verzoek. De rechtbank concludeert daarbij dat dit gebrek alsnog is hersteld.
Omdat niet op het bezwaar van eiser is beslist binnen de daarvoor geldende termijn en het bezwaar niet kennelijk ongegrond verklaard had kunnen worden, heeft eiser recht op een dwangsom. Deze dwangsom bedraagt op grond van artikel 4:17 van de Awb € 1.127,-. De heffingsambtenaar moet deze dwangsom aan eiser betalen.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding voor rechtsbijstand bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder krijgt eiser een reiskostenvergoeding. Het gaat om een vergoeding voor een retour tweede klasse met het openbaar vervoer van het station Leiden naar Groningen van € 66,60,-. De totale vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.934,60,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser;
- verklaart het beroep gegrond, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2025;
- vernietigt het besluit van 16 januari 2025;
- verklaart het bezwaar van eiser gegrond voor zover dat is gericht tegen het niet doorsturen van zijn Woo-verzoek;
- verklaar het bezwaar voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.127,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.934,60,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
a. Het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
6. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
Wet open overheid
Artikel 2.4. Zorgplicht en openbaarmaking
a. in een voor hergebruik beschikbare vorm die voldoet aan de voorwaarden van de Wet hergebruik van overheidsinformatie;
b. of, indien verstrekking in een machinaal leesbaar open formaat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, in andere elektronisch doorzoekbare vorm;
c. of, indien elektronische verschaffing redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door verstrekking van een kopie van de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;
d. of, indien verstrekking van een kopie of de letterlijke inhoud redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, inlichtingen daaruit te verschaffen of door terinzagelegging.
(…)