RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummers: C/18/23/179 F en C/18/26/1118 R
vonnis van 30 april 2026
in de zaak van:
[schuldenaar] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
aldaar voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
hierna te noemen de schuldenaar.
1. DE PROCEDURE
Het faillissement is op 14 november 2023 uitgesproken met benoeming van
Mr E. Eshuis, advocaat te Groningen, tot curator.
1. De schuldenaar voornoemd heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn
faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1. De curator heeft laten weten het verzoek te ondersteunen.
1. De rechtbank heeft op 23 april 2026 het verzoekschrift behandeld in raadkamer,
alwaar zijn verschenen de schuldenaar voornoemd en mr. R. de Vries, mr. M.H.J. Hamelink en mevrouw [naam] , namens mr. E. Eshuis, curator.
2. DE BEOORDELING
De curator heeft verklaard dat hij de mogelijkheden van een faillissementsakkoord
heeft onderzocht, maar dat een dergelijk akkoord geen reële mogelijkheid is.In het faillissement is nog geen verificatievergadering gehouden.Het verzoekschrift van de schuldenaar voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. De rechtbank zal het verzoek tot omzetting van het faillissement naar WSNP daarom toewijzen.
De WSNP duurt in principe 18 maanden. De curator heeft namens de schuldenaar verzocht om de looptijd van de WSNP te verkorten omdat de schuldenaar tijdens zijn faillissement heeft voldaan aan alle verplichtingen zoals die ook zouden gelden tijdens een WSNP en sinds juli 2025 zijn inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan het vrij te laten bedrag, afdraagt aan de boedel. De schuldenaar heeft tijdens het faillissement steeds full time gewerkt.
Volgens uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:714) kan het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen zijn op de dag waarop de eerste afdracht aan de faillissementsboedel is gedaan vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw. Die eerste afdracht moet in zoverre op één lijn worden gesteld met de eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Hierbij geldt dat de schuldenaar, om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment op de voet van art. 349a lid 1 Fw, tijdens het faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, moet hebben afgedragen aan de boedel en zich moet hebben ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar aan de hiervoor genoemde voorwaarden heeft voldaan.
De rechtbank zal het faillissement opheffen en gelijktijdig de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 1 juli 2025. De rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen als hierna vermeld.
3. BESLISSING
De rechtbank:
- heft bovenvermeld faillissement op;
- stelt het salaris van de curator en de verschotten vast op € 64.735,47 exclusief
omzetbelasting, waarop in mindering strekt het voorschot van € 39.609,89 exclusief omzetbelasting;
- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van
[schuldenaar] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te
[adres] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 1 juli 2025, waardoor deze termijn eindigt op 1 januari 2027;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga en tot bewindvoerder mevrouw
[naam] , gevestigd te [adres] , tel.nr. [telefoonnummer] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen;
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op30 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.