[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: A. Denijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân, het college
(gemachtigde: S. Mejout).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het college heeft verzoeker op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget.
Met de brief van 10 februari 2026 heeft de Sociale Verzekeringsbank (de Svb) verzoeker bericht dat de Svb de declaratie van € 766,61 van zijn zorgverlener over de periode van december 2025 nog niet heeft betaald, omdat het budget € 10,17 tekortschiet. Met de brief van 24 februari 2026 heeft de Svb het tekort nogmaals aan verzoeker voorgelegd.
Verzoeker heeft het college in gebreke gesteld.
Uit onderzoek van het college blijkt een tekort van € 21,19 te zijn ontstaan in verzoekers budget in 2025. Na contact met de Svb is het college gebleken dat het college het tekort niet kan aanvullen. Verzoeker kan dat wel. Verzoeker heeft op 3 maart 2026 € 21,19 van het college ontvangen. Hij kan daarvan € 10,17 overmaken aan de Svb om het tekort aan te vullen, zodat zijn zorgverlener betaald kan worden. Verzoeker bericht het college op 9 maart 2026 dat hij ‘pertinent [weigert] mij door u te laten dwingen tot een onrechtmatige ‘vrijwillige storting’ […]’.
Met het besluit van 13 maart 2026 van de Svb is de openstaande betaling van december 2025 komen te vervallen.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het college op te dragen om het budget bij de Svb aan te vullen, zodat zijn zorgverlener betaald kan worden.
4. Volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld (formele connexiteit). Wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
5. Bij het verzoekschrift, ontvangen op 9 maart 2026, heeft verzoeker het bezwaar- of beroepschrift en het besluit niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 11 maart 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoeker is erop gewezen dat het verzoek anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
Verzoeker heeft diverse stukken overgelegd, maar geen afschriften van een connex bezwaar- of beroepschrift of van een connex besluit van het college.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat indien het verzoek ontvankelijk zou zijn, reeds uit 2.3 volgt dat een spoedeisend belang ontbreekt.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: