RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/020701-26
parketnummer vordering na voorwaardelijke veroordeling 16/097702-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.M.M.M. Vogels, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 januari 2026 te Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd alarm)pistool, van het merk Blow, type TR92K, kaliber 9mm Kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of (voor dat vuurwapen geschikte) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer kogelpatro(o)nen van het merk S&B, type volmantel, kaliber 9mm Kort, voorhanden heeft/hebben gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
[verbalisant] .
Bewijsoverweging
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte het vuurwapen en de munitie tezamen en in vereniging met één of meer anderen voorhanden heeft gehad, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 21 januari 2026 te Emmen een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd alarm)pistool van het merk Blow, type TR92K, kaliber 9mm Kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en voor dat vuurwapen geschikte munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten kogelpatronen, type volmantel, kaliber 9mm Kort, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank de strafeis volgt en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van twintig maanden toewijst, verdachte geen kans meer maakt in de procedure waarin de IND voornemens is zijn verblijfsvergunning in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Gelet hierop en gelet op verdachtes jonge leeftijd, heeft de raadsman verzocht te bepalen dat een gedeelte van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het reclasseringsadvies van GGZ Tactus Verslavingszorg d.d. 25 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in de openbare ruimte voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Ongecontroleerd vuurwapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen. Verdachte heeft geen openheid willen geven over hoe hij aan het vuurwapen kwam en waarom hij het vuurwapen bij zich had. Deze proceshouding werkt in negatieve zin mee bij de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte bij vonnis van 28 november 2023 is veroordeeld wegens poging tot doodslag. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij daarbij met een vuurwapen heeft geschoten. Bij vonnis van 27 juni 2023 is verdachte veroordeeld wegens onder meer vuurwapenbezit.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Tactus
Verslavingszorg. In dit advies wordt beschreven dat verdachte na afloop van zijn detentie wegens poging tot doodslag een jaar lang een klinische behandeling heeft gevolgd. Tijdens deze behandeling is vastgesteld dat verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en dat hij kampt met antisociale cognities en gedragspatronen, waardoor de ontwikkeling van een antisociale persoonlijkheidsstoornis niet kan worden uitgesloten. Hoewel verdachte zich conformeerde aan de klinische behandeling, toonde hij weinig tot geen intrinsieke motivatie. Na afloop van de klinische behandeling is verdachte begeleid gaan wonen. Sindsdien verloopt het reclasseringstoezicht moeizaam en conformeert verdachte zich niet meer aan de afspraken. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Gelet op verdachtes houding en omdat hij, in geval van een bewezenverklaring, gedurende het reclasseringstoezicht is gerecidiveerd, ziet de reclassering geen mogelijkheden meer om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken. De reclassering adviseert daarom een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een openbare ruimte, zoals in het onderhavige geval, geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt
als uitgangspunt en weegt hierbij in strafverzwarende zin mee dat verdachte eerder is veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en dat verdachte is veroordeeld wegens poging tot doodslag waarbij hij een vuurwapen heeft gebruikt. Verder weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat het vuurwapen was geladen en dat het vuurwapen zich binnen handbereik van verdachte bevond.
De rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het feit en de persoon van verdachte geen aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 16/097702-23)
Bij onherroepelijk vonnis van 28 november 2023 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan twintig maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat hij voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. Daarnaast zijn daarbij bijzondere voorwaarden gesteld, waarbij de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en verdachte begeleidt.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 2 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank de strafeis volgt en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf toewijst, verdachte geen kans meer maakt in de procedure waarin de IND voornemens is zijn verblijfsvergunning in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Gelet hierop en gelet op verdachtes jonge leeftijd, heeft de raadsman verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging niet volledig toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Nu verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, komt de vordering in beginsel voor volledige toewijzing in aanmerking. De rechtbank zal echter in matigende zin rekening houden met de nog jonge leeftijd van verdachte. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat verdachte nog langere tijd in een proeftijd bij een voorwaardelijke straf blijft lopen. De rechtbank heeft hiermee tot doel verdachte ervan te doordringen dat hij zich in de toekomst dient te onthouden van het
plegen van een nieuw strafbaar feit.
De rechtbank zal daarom de vordering gedeeltelijk toewijzen en de tenuitvoerlegging van tien maanden gevangenisstraf gelasten en daarbij de proeftijd verlengen met één jaar. Omdat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om met behulp van reclasseringstoezicht gedragsverandering te bewerkstelligen of het recidiverisico te verminderen, zal de rechtbank bepalen dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
16. 097702-23:
Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 november 2023, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
Wijzigt de bij dat vonnis opgelegde voorwaarden in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen, zodat thans alleen de algemene voorwaarde geldt.
Verlengt de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2026.
Mr. R. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.