RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-240580-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boelstra, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Stadskanaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een auto met hoge en/of aanmerkelijke snelheid en/of zonder aanzienlijk te remmen op voorgenoemde [slachtoffer] in is gereden en/of tegen voorgenoemde [slachtoffer] is aangereden, althans is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Stadskanaal, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen en/of rib, althans enig botbreuken, heeft toegebracht door met een auto met hoge en/of aanmerkelijke snelheid en/of zonder aanzienlijk te remmen op voorgenoemde [slachtoffer] in te rijden en/of tegen voorgenoemde [slachtoffer] aan te rijden, althans te botsen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Stadskanaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto met hoge en/of aanmerkelijke snelheid en/of zonder aanzienlijk te remmen op voorgenoemde [slachtoffer] in is gereden en/of tegen voorgenoemde [slachtoffer] is aangereden, althans is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer niet bewezen kan worden, nu onduidelijk is hoe hard verdachte reed.
Daarnaast is er te weinig objectieve informatie over de gevolgen bij het slachtoffer. De raadsvrouw verwijst daarbij naar ECLI:NL:GHAMS2023:669.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de
rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Het juridische kader
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn gedragingen om het leven zou komen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De vaststaande feiten
De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan. Het slachtoffer heeft op 24 juli 2024 terwijl hij fietste en verdachte op de weg reed in zijn auto, na een klein verkeersincident, tegen de auto van verdachte getrapt. Hierop is verdachte het slachtoffer gaan achtervolgen. Na enige tijd raakt verdachte het slachtoffer kwijt. Even later treffen het slachtoffer en verdachte elkaar opnieuw, waarna verdachte weer de achtervolging inzet. In de steeg achter [adres] in Stadskanaal is verdachte - met zijn auto - tegen het slachtoffer - op zijn fiets en zonder helm - gebotst en is laatstgenoemde op de weg gevallen waarbij hij zijn sleutelbeen en rib heeft gebroken en diverse schaafplekken heeft opgelopen. Verdachte is vervolgens - met een dan loshangend kenteken - naar huis gereden.
Overweging en conclusie
De rechtbank neemt - naast de vaststaande feiten - in overweging dat op de beelden te zien is dat het slachtoffer hard fietst en zijn uiterste best doet om aan verdachte ontkomen. Ook is te zien dat verdachte met een aanzienlijk snelheidsverschil in de steeg achter het slachtoffer aanrijdt en tegen hem aanbotst. Verdachte remt pas als hij het slachtoffer heeft geraakt, rijdt daarna achteruit en vertrekt.
De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm en gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Naar algemene ervaringsregels - de auto versus een fietser - was de kans op voornoemd gevolg, te weten de dood van het slachtoffer, eveneens aanmerkelijk. Het is daarbij niet aan verdachte te danken dat de gevolgen niet vele malen ernstiger zijn.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 24 juli 2024 te Stadskanaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een auto met aanmerkelijke snelheid en zonder te remmen op voorgenoemde [slachtoffer] in is gereden en heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair. poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Daarnaast vordert hij een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een lagere straf, omdat verdachte (zeer) overspannen was en sprake is van een eenmalig incident. Daarnaast is hij first offender, mantelzorger voor zijn vrouw en heeft hij zelf hulp gezocht bij zijn huisarts.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 1 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Na een minutenlange en doelbewuste achtervolging is verdachte in zijn auto met aanzienlijke snelheid tegen het fietsende en vluchtende slachtoffer gebotst. Verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer bewust in levensgevaar gebracht. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard dat hij erg bang was en dat hij dacht dat verdachte hem omver of zelfs dood wilde rijden. Het slachtoffer heeft zowel voor als ten tijde van de botsing doodsangst moeten doorstaan. Dat het letsel beperkt is gebleven tot twee botbreuken en schaafplekken, mag dan ook een wonder heten. De aard en ernst van het door verdachte gepleegde feit rechtvaardigt daarom in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat verdachte in de periode voorafgaand aan het delict spanningen ervoer op verschillende leefgebieden. Inmiddels heeft hij gesprekken gehad bij de praktijkondersteuner van de huisarts en gewerkt aan het reduceren van stress. Verdachte is first offender en het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Daarnaast is verdachte mantelzorger voor zijn vrouw. De rechtbank weegt het voorgaande in strafverminderende zin mee. Uit het CBR rapport van 13 december 2024, opgemaakt door R. Graveland , psychiater, is na onderzoek gebleken dat verdachte rijgeschikt is en ten tijde van het delict geen sprake was van een psychiatrische stoornis.
Straf
Anders dan de officier van justitie heeft geëist zal de rechtbank, gelet op het CBR rapport, aan verdachte geen ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Daarnaast houdt de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden. Een andere straf dan een gevangenisstraf acht de rechtbank gezien de ernst van het feit niet passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2026.