RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.331300.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.061557.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 november 2025 te Groningen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 november 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij, op 30 november 2025, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, met een mes in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair. poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De raadsvrouw heeft hiertoe een feitelijke toedracht geschetst die er kort gezegd op neerkomt dat verdachte (en zijn groepje) degenen zijn geweest die achtervolgd en aangevallen werden door het groepje van het slachtoffer. Deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf van verdachte en het lijf van zijn vrienden, waartegen hij genoodzaakt was zich te verdedigen (noodweersituatie) begon in [adres] en duurde nog immer voort op het moment dat verdachte en het slachtoffer tegenover elkaar kwamen te staan in de ondergrondse fietsenstalling nabij [bedrijf] . Door vervolgens met een mes naar het slachtoffer uit te halen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan, heeft verdachte weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijke gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging (noodweerexces). Verdachte handelde vanuit doodsangst en paniek (nu hij er immers ook van overtuigd was dat het slachtoffer dan wel één van de andere aanvallers een pistool of een mes bij zich had).
Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat er op het moment dat verdachte en het slachtoffer elkaar troffen in de ondergrondse fietsenstalling geen sprake (meer) was van een noodweersituatie, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep toekomt op putatief noodweer(exces). Er was sprake van
verontschuldigbare dwaling aan de kant van verdachte omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen omdat hij zich het dreigende gevaar verontschuldigbaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld, waarbij hij te ver is gegaan in deze verdediging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het beroep op noodweerexces als het beroep op putatief noodweer(exces) verworpen dienen te worden.
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of er (op enig moment) sprake was een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en vervolgens of de door verdachte tegen deze aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (een zogenoemde noodweersituatie).
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier in voldoende mate aannemelijk is geworden dat het verdachte is geweest die in eerste instantie werd aangevallen door het slachtoffer en zijn groep, namelijk in [adres] . Op dit moment bestond er voor verdachte een noodweersituatie, waarbij hij een mes heeft getrokken om de belagers op afstand te houden en waarna hij samen met zijn groepje kans zag om weg te rennen bij de groep van het slachtoffer richting [bedrijf] en uiteindelijk de ondergrondse fietsenstalling in.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de noodweersituatie op het moment dat verdachte zich beneden in de fietsenstalling bevond ten einde was gekomen. Uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden blijkt dat het enige tijd, te weten een aantal minuten, heeft geduurd voordat het slachtoffer ook de ondergrondse fietsenstalling inkwam. Het slachtoffer had niets in zijn handen op dat moment en deed niets, zoals ook door verdachte is verklaard in zijn verhoor bij de politie.
Het feit dat de noodweersituatie was geëindigd, sluit een geslaagd beroep op noodweerexces echter niet uit. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn indien zoals in het onderhavige geval op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie reeds is geëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat.
Daarvoor is nodig dat de gedragingen van verdachte het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank getuigen de gedragingen van verdachte veeleer van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid (en derhalve van een aanval) dan van een toestand van hevige angst en paniek zoals door de verdediging betoogd. De rechtbank betrekt daarbij de volgende omstandigheden.
Allereerst wijst de rechtbank op de zich in het dossier bevindende camerabeelden waarop te zien is dat verdachte op het moment dat hij de fietsenstalling in gaat zijn mes dichtklapt. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte zich op dat moment (al) niet meer zodanig bedreigd voelde dat hij zich met dat mes zou moeten verdedigen zoals hij vlak daarvoor wel deed. Verder wijst de rechtbank op het hierboven al genoemde tijdsverloop tussen het moment waarop verdachte en het slachtoffer de ondergrondse fietsenstalling inkwamen. Op de camerabeelden is ook te zien dat verdachte op enig moment op het vrijwel stilstaande slachtoffer afrent waarbij hij fel naar hem uithaalt met het mes. Dat mes had hij klaarblijkelijk weer handmatig uitgeklapt voordat hij op het slachtoffer afrende. De rechtbank stelt in dat verband opnieuw vast dat het slachtoffer op dat moment niets deed.
De rechtbank is dan ook, alles bij elkaar genomen, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het betreffende handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige angst en paniek dat dit (nog) kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt, zoals bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande kan het subsidiaire beroep op putatief noodweerexces evenmin slagen en wordt ook dit beroep verworpen.
De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering (waarbij de officier van justitie zich ten aanzien van de vraag of ook het geadviseerde locatieverbod dient te worden opgelegd, heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd, gelet op het door haar gevoerde verweer dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de omtrent hem opgemaakte
reclasseringsrapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een mes naar een ander uit te halen, ten gevolge waarvan deze een forse steekwond in zijn hals heeft opgelopen. De zich in het dossier bevindende fotos van het letsel van het slachtoffer maken op pijnlijke wijze duidelijk hoeveel geluk hij heeft gehad dat het door verdachte op hem uitgeoefende geweld geen fatale afloop heeft gehad en dat het lichamelijke letsel dat hij hierdoor heeft opgelopen in die zin relatief beperkt is gebleven.
Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem niet alleen letsel, maar ook een zeer beangstigende ervaring bezorgd. Een en ander heeft zich afgespeeld in een openbare fietsenstalling, waar mensen die hun fiets kwamen stallen of ophalen, getuige zijn geweest van deze geweldsuitbarsting, met voorstelbare gevoelens van ontzetting en onveiligheid.
De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan en overweegt dat het plegen van een dergelijk strafbaar feit de oplegging van een forse vrijheidsstraf in beginsel dan ook zonder meer rechtvaardigt.
Ter beantwoording van de vraag hoe de onderhavige zaak precies moet worden afgedaan, houdt de rechtbank echter ook rekening met de specifieke omstandigheden van dit geval en voorts met de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren.
Ten aanzien van de specifieke omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat er, zonder daarmee iets af te willen doen aan de ernst van het door verdachte gepleegde geweld, in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden met het feit dat het slachtoffer zichzelf bepaald niet onbetuigd heeft gelaten en degene is geweest die samen met zijn groep in eerste instantie de agressor was (zoals de rechtbank eerder in dit vonnis bij de strafbaarheid van verdachte reeds heeft overwogen).
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de door Reclassering Nederland omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapportages. In de meest recente reclasseringsrapportage d.d. 19 maart 2026 geeft de reclassering kort gezegd aan dat het leven van verdachte op alle leefgebieden ogenschijnlijk stabiel lijkt te zijn en schat zij het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering geeft voorts aan dat zij het wegingskader adolescentenstrafrecht heeft toegepast, maar dat daaruit geen zwaarwegende indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht naar voren zijn gekomen. De reclassering adviseert de rechtbank derhalve om verdachte te berechten volgens het volwassenenstrafrecht en om hem te veroordelen tot een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door haar geformuleerde bijzondere voorwaarden (die tot doel hebben bij te dragen aan een zelfstandige en stabiele toekomst voor verdachte). Mede gelet op zijn nog jonge leeftijd ziet de reclassering een meerwaarde in het opleggen van deze bijzondere voorwaarden.
Ook de rechtbank heeft oog voor de nog jonge leeftijd van verdachte en acht het van belang dat hij hulp en begeleiding krijgt, teneinde nieuwe problemen te voorkomen en om ervoor zorg te dragen dat verdachte een zelfstandige en stabiele toekomst tegemoet gaat.
Alles afwegende is de rechtbank daarom van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 15 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ten aanzien van het als bijzondere voorwaarde op te leggen locatieverbod zal de rechtbank bepalen dat dit alleen geldt voor het gebied binnen de Diepenring in het centrum van Groningen en enkel gedurende de tijd tussen 20:00 uur en 07:00 uur, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om bijvoorbeeld mocht dit op enig moment aan de orde zijn overdag aan het werk te gaan in dit gebied.
De rechtbank legt daarmee dus een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist, omdat zij van oordeel is dat met deze straf, in dit specifieke geval, op de juiste wijze recht wordt gedaan .
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 392,60 ter vergoeding van materiële schade en 2.500,000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Primair omdat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] , voor zover deze ziet op materiële schade, niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW), is voldaan. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden.
Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, de zogenoemde Rotterdamse schaal en het eigen aandeel van de benadeelde, acht de rechtbank een vergoeding van 1.500,00 billijk.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] zal toewijzen tot een bedrag van 1.500,00 en dat zij de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 1 december 2023 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 352 dagen,
waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 december 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 6 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf, maar ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat zij tenuitvoerlegging niet opportuun acht.
Nu veroordeelde het bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet evenwel op het feit dat deze proeftijd bijna was afgelopen en op de straf die bij dit vonnis aan verdachte wordt opgelegd, acht de rechtbank toewijzing van de vordering echter niet redelijk en evenmin wenselijk, en zal zij deze afwijzen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Ten aanzien van 18.331300.25, primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18. 061557.23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 1 december 2023.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. G.H. Boekaar en
mr. H. van der Werff, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.