RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/2591, LEE 24/4569
en
(gemachtigden: M. Schepers en S. Di Vincenzo).
1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekeningen kinderopvangtoeslag over de jaren 2021 en 2022. Eiseres bestrijdt deze besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de bestreden besluiten in stand kunnen blijven.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres en haar (toeslag)partner hebben drie kinderen: [kind 1] geboren in 2010, [kind 2] , geboren in 2014 en [kind 3] geboren in 2018.
Verweerder heeft de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2021 definitief berekend op € 3.096,- en voor het jaar 2022 op € 1.112,-. Verweerder heeft [kind 3] aangemerkt als ‘eerste kind’ op grond van de Wet kinderopvang en het Besluit kinderopvang (Bko).
Met de bestreden besluiten van 23 april 2024 en 7 oktober 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiseres (deels) ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres betoogt dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en dat de gevolgen daarvan onevenredig zijn. Zij voert aan dat zij en haar partner drie kinderen hebben die met tussenpozen van vier jaar zijn geboren, waardoor telkens slechts één kind gebruikmaakt van (dure) dagopvang. Hierdoor komen zij gedurende twaalf jaar niet in aanmerking voor het hoogste toeslagenpercentage. Dit leidt volgens eiseres tot aanzienlijke financiële verschillen ten opzichte van ouders met kleinere leeftijdsverschillen tussen hun kinderen, omdat zij dezelfde kosten moet betalen. Nu het vervullen van een kinderwens niet voor iedere ouder in hetzelfde tempo mogelijk is, acht eiseres dit onderscheid niet gerechtvaardigd.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, dan wel het evenredigheidsbeginsel. Hij voert aan dat de wetgever een duidelijke keuze heeft gemaakt om het ‘eerste kind’ (dus het kind met het hoogste aantal uren kinderopvang) de laagste tegemoetkoming toe te kennen. Ouders met kinderen die vlak op elkaar zijn geboren, hebben op hetzelfde moment namelijk meer kinderen op de opvang en daardoor op hetzelfde moment meer kosten aan kinderopvang. De wetgever heeft deze kosten willen compenseren. De kinderopvangtoeslag wordt dus afgestemd op de feitelijke inkomenssituatie. Dit is volgens verweerder niet onredelijk. Het beleid heeft ook geen onevenredige nadelige gevolgen voor eiseres.
5. De rechtbank overweegt dat het gegeven dat volgens eiseres tussen ouders onderling geen onderscheid mag worden gemaakt, nog niet betekent dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarvoor moet er juist sprake zijn van gelijke gevallen die niet gelijk worden behandeld. Daarvan is hier geen sprake. De wet maakt namelijk (wel) onderscheid tussen ouders met kinderen die vlak na elkaar zijn geboren en ouders met kinderen die niet vlak na elkaar zijn geboren. Van gelijke gevallen is dus geen sprake, zodat ook geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wetshistorie blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om onderscheid te maken tussen het ‘eerste kind’ (dus het kind met het hoogste aantal uren kinderopvang) en de volgende kinderen die op hetzelfde moment met het ‘eerste kind’ gebruik maken van kinderopvang. Uit de Kamerstukken (en het Bko) komt duidelijk naar voren dat ouders meer compensatie krijgen voor deze volgende kinderen en dat deze keuze noodzakelijk is om het doel te bereiken, namelijk dat blijven werken loont zodra men kinderen krijgt. Op deze manier loont blijven werken ook voor ouders met kinderen die vlak na elkaar zijn geboren. Deze ouders hebben op hetzelfde moment meerdere kinderen op de (dure) kinderopvang en zij hebben dus op hetzelfde moment meer kosten. De tegemoetkoming is daarmee gebaseerd op de draagkracht van de ouders. Deze bewuste keuze van de wetgever maakt de uitwerking van het besluit van verweerder niet alleen noodzakelijk, maar ook evenwichtig en geschikt. Volgens vaste rechtspraak voldoet het bestreden besluit daarmee aan de vereisten van het evenredigheidsbeginsel. Ook van andere onevenredige gevolgen voor eiseres is niet gebleken. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus ook niet.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet kinderopvang
Artikel 1.8
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die 33,3 procent of minder bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte van het bedrag dat als vaste eigen bijdrage van de ouder in mindering wordt gebracht op de kinderopvangtoeslag. Daarbij kunnen het toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner, de aanwezigheid van een partner en het aantal kinderen in aanmerking worden genomen.
Besluit kinderopvangtoeslag
Artikel 3
1. Indien meer dan één kind van een ouder gebruik maakt van kinderopvang, wordt voor de kinderopvangtoeslag onderscheid gemaakt tussen het eerste kind en de overige kinderen.
2. Het kind met het hoogste aantal uren kinderopvang wordt voor de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag als eerste kind beschouwd.
3. In het geval meer kinderen van een ouder een zelfde aantal uren gebruik maken van kinderopvang, wordt het kind met de hoogste kosten van kinderopvang als eerste kind beschouwd.
4. In het geval meer kinderen van een ouder een zelfde aantal uren gebruik maken van kinderopvang met gelijke kosten van kinderopvang, stelt de Belastingdienst/Toeslagen vast welk kind als eerste kind moet worden beschouwd.