RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, het college,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
Zaaknummer: LEE 23/493
1.a. Vereniging Zuivere Energie (VZE), gevestigd te Vlagtwedde, eiseres sub 1.a.,
1.b. de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, eiseres sub 1.b.,
1.c. Vereniging Burgeriniative Saubere Luft Ost-Friesland e.v., rechtspersoon naar Duits recht, gevestigd te Emden (Duitsland), eiseres sub 1.c.,
1.d. Stadt Borkum, te Borkum (Duitsland), eiseres sub 1.d.,
hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,
(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en
(gemachtigden: mr. D. Korsse en mr. N.T. Knol).
Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EEW Energy from Waste Delfzijl (EEW), gevestigd te Farmsum, vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. F. Onrust).
1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een natuurvergunning aan EEW voor het uitbreiden van de huidige inrichting met het in werking hebben van een vierde verbrandingsinstallatie, te weten een monoslibverbrandingsinstallatie, op de locatie Oosterhorn 38 te Farmsum. Eiseressen zijn van mening dat deze vergunning niet verleend had mogen worden. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunningverlening.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan de beslissing om een vergunning te verlenen geen passende beoordeling ten grondslag ligt waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied Waddenzee niet zal aantasten. Eiseressen krijgen gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Aan EEW is op 13 juni 2007 een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet voor het oprichten en exploiteren van twee afvalverbrandingslijnen.
Bij besluit van 15 november 2019 heeft het college aan EEW vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het uitbreiden van de toenmalige inrichting met en het in werking hebben van een derde verbrandingslijn. Dit besluit is door deze rechtbank bij uitspraak van 8 oktober 2020 vernietigd. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een uitspraak van 20 oktober 2021. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de toename van de transportbewegingen die inherent zijn aan het project; met name scheepvaartbewegingen zijn door het college in het geheel niet meegenomen. Het college is opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen. Tegen dit nieuwe besluit staat beroep open bij de Afdeling.
Op 10 december 2021 heeft EEW een nieuwe aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning op grond van de Wnb voor het in werking hebben van verbrandingslijnen 1, 2 en 3. Op 21 juni 2022 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Hiertegen is beroep ingesteld bij de Afdeling.
Bij besluit van 15 december 2022 (het bestreden besluit) heeft het college aan EEW op grond van de Wnb een vergunning verleend voor het uitbreiden van de inrichting met het in werking hebben van een vierde verbrandingsinstallatie, te weten een monoslibverbrandingsinstallatie. Hierbij is overwogen dat het project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, onder meer omdat de uitstoot van stikstof en andere stoffen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen).
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben voor eiseressen [gemachtigde] deelgenomen, bijgestaan door de gemachtigde mr. B.N. Kloostra en de deskundigen S.R. van Uffelen en G.J. Cats,. Namens belanghebbende zijn B.J.H. Koolstra en W. de Jager verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. F. Onrust en de deskundige P.C. Dikkerboom. Voor het college is [vertegenwoordiger college] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Korsse en mr. N.T. Knol.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 8 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Procedureel
5. Eiseressen stellen allereerst dat het ontwerpbesluit ten onrechte niet is bekendgemaakt in Duitsland. Het project valt onder artikel 6 van het Verdrag van Aarhus, op grond waarvan een verplichting bestaat inspraak te organiseren voor het “betrokken publiek”. Het Verdrag van Espoo verplicht eveneens tot een dergelijke bekendmaking in Duitsland.
Het college is van mening dat bekendmaking conform artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en daarmee op een juiste wijze, heeft plaatsgevonden.
Deze grond slaagt. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging, in het in artikel 12 van de Bekendmakingswet voor het bestuursorgaan aangewezen publicatieblad op de in dat artikel bepaalde wijze kennis van het ontwerp.
In artikel 12 van de Bekendmakingswet is bepaald dat het college in een provinciaal blad in ieder geval zijn wettelijk voorgeschreven mededelingen doet in de vorm van een volledige publicatie en kennisgevingen in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud, met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen. Dit provinciale blad is een digitaal blad.
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag van Aarhus is bepaald dat het betrokken publiek bij openbare bekendmaking vroegtijdig en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze wordt geïnformeerd over onder meer de voorgestelde activiteit, de aard van mogelijke besluiten of het ontwerpbesluit en de mogelijkheden voor inspraak van het publiek.
In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Bekendmakingswet van 11 juni 2019, kenmerk 35218 nr. 3, is over Aarhus en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, het volgende opgenomen:
Zo verplicht artikel 6, tweede lid, de verdragspartijen het publiek te informeren over de inhoud van het te nemen besluit en de procedure. In het negende lid is bepaald dat elke verdragspartij waarborgt dat, wanneer een bestuursorgaan een besluit neemt waarbij het Verdrag tot inspraak verplicht, het publiek terstond over dat besluit wordt ingelicht in overeenstemming met de toepasselijke procedures. Het verdrag stelt aan deze verplichting geen vormvereisten. In de «Maastricht Recommendations on Promoting Effective Public Participation in Decision-making in Environmental Matters» zijn op basis van best practices richtlijnen opgesteld over de wijze waarop aan het verdrag uitvoering kan worden gegeven. Doelstelling daarbij is dat het bereik zo groot mogelijk moet zijn. Zo kan gedacht worden aan aankondigingen op de locatie waar het besluit betrekking op heeft, aanplakborden, kranten en websites (Recommendation 64). Recommendation 65 zegt dat radio, televisie en sociale media een goede aanvulling kunnen zijn, maar de in Recommendation 64 genoemde middelen niet kunnen vervangen. In onderhavig wetsvoorstel wordt gekozen voor de publicatie op de websites van de betreffende bestuursorganen (Recommendation 64, onder e), in aanvulling met de attenderingsservice. Het bereik is veel groter dan met de in de andere onderdelen van Recommendation 64 genoemde middelen. Met name de verspreiding van regionale dagbladen loopt terug. De effecten van bepaalde besluiten beperken zich bijvoorbeeld niet tot het verspreidingsgebied van bepaalde kranten. Met de attendering kan de kring van personen die worden bereikt, worden ingesteld afhankelijk van de omvang van het gebied waar het besluit effecten kan hebben. De attendering sluit goed aan bij de bevindingen en aanbevelingen van het Aarhus Convention Compliance Committee (hierna: ACCC) in de zaken ACCC/C/2006/16 (waarin werd overwogen dat burgers een redelijk kans hebben op de hoogste te raken van het voorgenomen besluit) en het al genoemde ACCC/C/202012/71, onder 76 (waarin wordt gesteld dat van een burger niet kan worden verwacht dat hijzelf regelmatig de website van een ministerie raadpleegt of er besluiten worden voorbereid waarbij hij belanghebbende is). In ACCC/C/2014/99, onder 104 stelt het ACCC dat exclusieve publicatie op internet mogelijk leden van het publiek uitsluit, als zij niet over internet beschikken. Met het grotere bereik van internet door de attendering lijkt aan het bezwaar van het ACCC tegemoet te worden gekomen. Anderzijds is de verplichting uit artikel 6 van het Verdrag van Aarhus niet beperkt tot belanghebbenden bij het voorgenomen besluit (Recommendation 137), maar voor eenieder. Daarom kan ook een attendering worden ingesteld op basis van eigen interesses.
De rechtbank stelt vast dat de wetgever zich bij de wijzigingen van de Bekendmakingswet heeft gebogen over de vraag of de thans voorgeschreven wijze van publicatie aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus voldoet. In de aangehaalde Memorie van Toelichting wordt uitgelegd waarom de wetgever van mening is dat daarvan sprake is. Met digitale bekendmaking kan een veel groter publiek worden bereikt dan bijvoorbeeld via regionale dagbladen. De rechtbank begrijpt verder uit deze toelichting dat hierbij een belangrijk gewicht wordt toegekend aan de mogelijkheden van het publiek om via een attenderingsservice op de hoogte te worden gehouden van publicatie van besluiten die effect hebben op de omgeving, dan wel het interessegebied van het publiek.
De rechtbank stelt verder vast dat het provinciale blad van de provincie Groningen geen attenderingsservice omvat. Door eiseres sub 1.c. is voorts onweersproken gesteld dat de attenderingsservice van overheid.nl, waarop de bekendmakingen ook worden gepubliceerd, geen publicaties uit de omgeving kan doorsturen naar inwoners van Duitsland. Duitse postcodes kunnen niet worden ingevoerd op deze website. Dit betekent dat buitenlandse belanghebbenden enkel op de hoogte kunnen worden gebracht van besluiten door zelf vooraf een interessegebied aan te geven op overheid.nl. De rechtbank is van oordeel dat het college op deze wijze een gebrekkige uitvoering heeft gegeven aan de actieve informatieplicht die het heeft om omwonenden en belanghebbenden op de hoogte te brengen van besluiten. Deze actieve informatieplicht geldt ook ten aanzien van de Duitse bewoners in dit grensgebied. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze groep tekort wordt geschoten.
Inhoudelijk
Is er sprake van één project?
6. Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de vergunning niet verleend had kunnen worden door gebruik te maken van intern salderen omdat geen sprake is van één project. Zij stellen zich op het standpunt dat de vierde verbrandingslijn van de EEW een op zichzelf staand project is.
Het college is van mening dat EEW met de vier verbrandingslijnen één bedrijf vormt en er sprake is van één project. Dit vloeit onder meer voort uit het feit dat er sprake is van gedeelde voorzieningen en er geen sprake is van afstand tussen de vierde lijn en de overige bebouwing.
Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, zoals onder meer blijkt uit het Stadt Papenburg-arrest en het AquaPri-arrest, en ook uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat het antwoord op de vraag of bepaalde activiteiten samen één project vormen, afhankelijk is van de feiten en omstandigheden in het concrete geval. Daarbij is onder meer van belang of de activiteiten naar aard, tijd en ruimte van elkaar te onderscheiden zijn, of er sprake is van een onlosmakelijke samenhang en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere activiteit te kunnen uitvoeren.
Deze grond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de vierde verbrandingslijn van EEW niet als een apart project kan worden beschouwd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat er sprake is van één project door onder andere te wijzen op de omstandigheden dat de vierde lijn in de nabijheid van de andere installaties wordt gebouwd, de bediening plaatsvindt vanuit dezelfde controlekamer, het personeel hetzelfde is als bij de andere lijnen, er uitwisseling plaatsvindt van ketelvoedingswater, elektriciteit, stoom, perslucht, diesel, ammoniak en proces-en drinkwater en de afvoer van afvalwater en hemelwater wordt aangesloten op de bestaande rioolsystemen.
Hoe moet het project worden beoordeeld?
7. Eiseressen hebben betoogd dat het project ten onrechte niet, of niet geheel, passend is beoordeeld.
Het college stelt in het bestreden besluit dat geen aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zal plaatsvinden. Daarvoor is in hoofdzaak verwezen naar het rapport ‘Natuurtoets EEW vierde lijn’ (de Natuurtoets). De rechtbank stelt vast dat de vergunning voor zover het betreft de emissies van stikstof en andere stoffen is verleend door gebruik te maken van intern salderen.
Met betrekking tot stikstof heeft het college overwogen dat de gemiddelde NOₓ-emissieconcentratie van de drie bestaande verbrandingslijnen naar 54,6 mg/Nm³ wordt verlaagd. De NOₓ-emissieconcentratie van de vierde lijn wordt 23,69 mg/Nm³. Hierdoor zal de totale NOₓ-emissievracht van de verbrandingslijnen gelijk blijven ten opzichte van de referentiesituatie met 160,4 ton/jaar. Daarnaast zal de gemiddelde NH₃-emissieconcentratie worden verlaagd naar 3,5 mg/Nm³ voor de drie bestaande verbrandingslijnen en de NH₃-emissieconcentratie wordt 4,7 mg/Nm³ voor de vierde lijn. Hierdoor zal de totale NH₃-emissievracht gelijk blijven met 11,32 ton/jaar.
Ook voor de andere stoffen concludeert het college dat het inwerking hebben van de vierde verbrandingslijn niet zal leiden tot meer of andere emissies van stoffen ten opzichte van de referentiesituatie. Voor onder andere kwik, cadmium, zwaveldioxide en waterstoffluoride is via het mechanisme van interne saldering op voorhand verzekerd dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zich niet kunnen voordoen.
Ten aanzien van habitatsoorten en vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld stelt het college met verwijzing naar de Natuurtoets dat uitgesloten is dat het project kan leiden tot negatieve effecten.
De rechtbank bespreekt eerst de beoordeling van de gevolgen van emissies van ‘andere stoffen’ en overweegt het volgende.
In de ’18 december-uitspraak’ heeft de Afdeling haar jurisprudentie over intern salderen gewijzigd. Uit die uitspraak volgt dat een aanvraag voor een natuurvergunning voor de wijziging van een bestaand vergund project, betrekking heeft op het gehele project na wijziging, dus inclusief de ongewijzigde onderdelen van een project die worden voortgezet. Voor het gehele project na wijziging moet, in overeenstemming met artikel 2.7, tweede lid en artikel 2.8 van de Wnb een passende beoordeling worden gemaakt waaruit de zekerheid wordt verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten.
Uit diezelfde uitspraak volgt dat intern salderen met de referentiesituatie wel als mitigerende maatregel betrokken mag worden in de passende beoordeling van de gevolgen van het project. Daarbij geldt onder meer als voorwaarde dat intern salderen alleen als mitigerende maatregel kan worden ingezet als de wijziging of beëindiging van de bestaande vergunde situatie niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel (additionaliteit). Dit dient steeds in het concrete geval bij de inzet van intern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling beoordeeld en gemotiveerd te worden. De Afdeling wijst erop dat een in uitvoering zijnd plan, programma of pakket van maatregelen waarin gemotiveerd wordt welke instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn worden getroffen, behulpzaam kan zijn bij de beoordeling of voldaan is aan het additionaliteitsvereiste.
De rechtbank overweegt dat hieruit blijkt dat de vergunning niet zonder meer door gebruikmaking van intern salderen kan worden verleend; voor het gehele project na wijziging moet steeds een volledige passende beoordeling volgen.
Het college heeft zich in het nader verweer van 8 november 2025 op het standpunt gesteld dat de emissies van andere stoffen – zowel met als zonder inzet van intern salderen als mitigerende maatregel - passend zijn beoordeeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college verwezen naar het rapport ’Update passende beoordeling – 3de lijn EEW’ (Update 3de lijn). Daaruit blijkt volgens het college dat significante negatieve gevolgen zijn uitgesloten, gelet op de beperkte omvang van de emissies. Bovendien zijn significante effecten volgens het college uitgesloten omdat de emissies niet toenemen ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). Daarbij hoeft volgens het college geen additionaliteitstoets te worden verricht.
In de PAS-uitspraak van de Afdeling, heeft de Afdeling samengevat aan welke vereisten een passende beoordeling moet voldoen:
Uit de passende beoordeling moet de wetenschappelijke zekerheid zijn verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Deze wetenschappelijke zekerheid is er wanneer uit volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het plan of project voor het betrokken beschermde gebied zijn wegnomen;
Het onderzoek moet omwille hiervan logischerwijs voldoende op het concrete plan of project zijn toegespitst;
De positieve gevolgen van instandhoudings- en passende maatregelen (maatregelen die op grond van artikel 6, lid 1 en 2, Habitatrichtlijn nodig zijn voor het behoud of herstel van de gunstige staat van instandhouding) mogen in beginsel niet worden betrokken in een passende beoordeling ter mitigatie van eventuele schadelijke gevolgen van een plan of project. De positieve gevolgen van deze maatregelen kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een habitat of soort waaraan de effecten van een plan of project worden getoetst;
Hetzelfde geldt voor de positieve gevolgen van autonome ontwikkelingen, zoals het schoner worden van het verkeer op de weg. Deze mogen wel in de passende beoordeling worden betrokken om de staat van instandhouding te beoordelen, maar niet ter mitigatie van eventuele schadelijke gevolgen;
Positieve gevolgen van mitigerende maatregelen (in de zin van artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn) en van autonome maatregelen mogen in de passende beoordeling worden betrokken als de verwachte voordelen van die maatregelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan;
Bij (technische) beschermingsmaatregelen die functioneel verbonden zijn aan de uitvoering van het plan of project (zoals een stilstandvoorziening of een geluidscherm), is het geen vereiste dat deze ten tijde van de passende beoordeling al volledig ten uitvoer zijn gelegd. Wel moeten de verwachte voordelen daarvan vaststaan om ze te kunnen betrekken in de passende beoordeling;
Enkel de positieve effecten van mitigerende maatregelen, die niet óók nodig zijn voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied als bedoeld in de artikelen 6, lid 1 en 2 Habitatrichtlijn, mogen in de passende beoordeling worden betrokken als mitigerende maatregel (het additionaliteitsvereiste).
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een passende beoordeling waaruit de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden niet zal worden aangetast. Daarmee is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
Er is geen sprake van een passende beoordeling die voldoende op het concrete plan is toegespitst. Het college heeft immers een passende beoordeling gemaakt voor de derde verbrandingslijn. Deze passende beoordeling is een aanvulling op de passende beoordeling die is gemaakt voor de eerste en tweede verbrandingslijn. Voor de aanvraag van de vierde lijn heeft het college daar weer een aanvulling op laten maken. Alhoewel de rechtbank goed mogelijk acht dat een passende beoordeling in diverse documenten tezamen ligt besloten, is er thans geen sprake van een passende beoordeling die het gehele project na wijziging beschrijft en beoordeelt. Anders dan verweerder stelt, volgt uit de Natuurtoets niet een (integrale) beoordeling waaruit kan worden afgeleid dat de Update 3de lijn ook na toevoeging van een vierde installatie voor het gehele project de passende beoordeling vormt voor ‘andere stoffen’. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een versnipperde beoordeling, waarbij het ontbreekt aan een complete en totale analyse van een ter zake kundige.
Met betrekking tot het door verweerder als mitigerende maatregel betrekken van intern salderen ziet de rechtbank – anders dan eiseressen – niet in waarom intern salderen als mitigerende maatregel alleen aan de orde kan zijn bij stikstofemissies en niet kan worden toegepast op emissies van andere stoffen. De rechtbank oordeelt echter dat in dit geval de ruimte voor intern salderen onvoldoende vaststaat, omdat een volledige passende beoordeling van het gehele project ontbreekt en bijvoorbeeld niet is onderbouwd hoe EEW de uitstoot van de andere drie verbrandingslijnen zal terugbrengen.
Ook heeft het college in het bestreden besluit en in de natuurtoets onvoldoende onderbouwd waarom instandhoudings- of passende maatregelen niet nodig zijn voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding van Natura 2000-gebied. Met betrekking tot het additionaliteitsvereiste stelt het college zich op het standpunt dat dit alleen aan de orde is als ten aanzien van de betreffende stoffen een verplichting geldt tot het nemen van passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Het college heeft in het verweerschrift van 8 november 2025 verwezen naar verschillende documenten waaruit dit zou blijken en aanvullend betoogd dat het beperken van de emissie van de stoffen door bedrijven niet een geschikte passende maatregel kan zijn. In de stukken die – wat het college betreft - een volledige passende beoordeling zouden moeten vormen, is hier in het geheel niet op ingegaan. Het aanvullende betoog in het verweerschrift is voorts niet afdoende om dit gebrek te dekken, nu opnieuw sprake lijkt van een versnipperde beoordeling. De verwijzing naar het beheerplan voor de Waddenzee volstaat in dit licht niet, temeer omdat in de Natuurtoets de toxische gevolgen voor organismen worden benadrukt en erop wordt gewezen dat deze emissies over een grote afstand kunnen reiken en ook relevant zijn voor andere Natura 2000-gebieden.
Inhoudelijk begrijpt de rechtbank uit de Update 3de lijn in samenhang met de Natuurtoets overigens dat de conclusie dat uitgesloten is dat de emissies van andere stoffen (van de lijnen 1 t/m 3) de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied aantasten, voornamelijk is gebaseerd op de vaststelling dat emissies uit de EEW-centrale (zeer) gering zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde en beperkt worden verspreid. Daarbij wordt verwezen naar een passende beoordeling uit 2014 van de gevolgen van de energiecentrale van RWE. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een passende beoordeling waarmee ‘elke redelijke wetenschappelijke twijfel’ is weggenomen, mede omdat onduidelijk is in hoeverre de beoordeling is gebaseerd op actuele informatie over (het) betreffende Natura 2000-gebied(en).
De beroepsgrond slaagt.
8. Ten aanzien van de stelling van het college in het verweerschrift dat een passende beoordeling niet nodig zou zijn gelet op artikel 2.8, tweede lid van de Wnb, overweegt de rechtbank als volgt.
In genoemd artikel is opgenomen dat “In afwijking van het eerste lid (hoeft) geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project”. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een project dat een herhaling of voortzetting is van een project waarvoor eerder een passende beoordeling is gemaakt. Bij de passende beoordeling van de 3de lijn is op geen enkele wijze rekening gehouden met de uitbreiding met een vierde lijn. Overigens merkt de rechtbank op dat in de vergunning zelf staat “Het voorliggende initiatief, namelijk het in bedrijf hebben van de vierde afvalverbrandigsinstallatie, is niet eerder passend beoordeeld in het kader van de Wnb.“
9. Gelet op het bovenstaande behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Het college heeft het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb genomen. Ook geldt dat het ontwerpbesluit niet afdoende is bekendgemaakt in Duitsland. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een besluit te nemen. Het college zal een passende beoordeling voor het gehele project moeten laten opstellen en op grond daarvan opnieuw beslissen of een vergunning zal worden verleend.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden.
De rechtbank zal het college veroordelen tot vergoeding van de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Ten aanzien van de door eiseressen gevraagde vergoeding voor het inschakelen van deskundigen overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 1, eerste lid onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen -voor zover hier relevant- kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Eiseressen hebben drie nota’s van deskundigen ingebracht: één van Geetacs, ten behoeve van het opstellen van het rapport “niet afkappen op 25 km” van € 1.352,- en een nota, met als omschrijving report air emissions EEW, zowel de derde als de vierde lijn en een nota “rapport Wabo EEW4” van S.R. van Uffelen. De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op het feit dat Geetacs een rapport aan eiseressen heeft uitgebracht die ook in het geding is ingebracht, deze kosten te vergoeden. Ten aanzien van de declaraties van de deskundige van Uffelen ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding. Er zijn geen rapporten in het dossier overgelegd die te herleiden zijn naar de gedeclareerde werkzaamheden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op een nieuw besluit te nemen de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseressen moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 3.220,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, mr. C.S. Schür en
mr. G. Knuttel, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
De griffier De voorzitter
de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Afschrift verzonden op: