RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] e.a., uit Stadskanaal, eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2427
(gemachtigde: mr. A.K. Doornbosch),
en
(gemachtigden: G. Siebel en S.A. Marku).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stadskanaalster Tennisbond, vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het realiseren van drie padelbanen in Stadskanaal. Eisers zijn het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat padel geen lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan en dat het bouwplan daarom binnen het bestemmingsplan past. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 28 december 2023 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om drie padelbanen toe te voegen aan het tennispark aan het Hockeypad 1 in Stadskanaal.
Met het besluit van 15 april 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd, voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
Tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Commissie Rechtsbescherming (de commissie). De commissie heeft het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en de verleende omgevingsvergunning in stand te laten.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Ter motivering van het besluit verwijst het college naar het advies van de commissie.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend vóór deze datum is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.
Is het bestreden besluit onbevoegd genomen?
4. Eisers stellen dat de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen, omdat deze is genomen door één wethouder terwijl het college daartoe bevoegd was. Er is niet gebleken dat de bevoegdheid om op het bezwaar te beslissen is gemandateerd aan de betreffende wethouder.
Het college stelt zich op het standpunt dat de wethouder gelet op de mandaatregeling bevoegd was om het bestreden besluit te nemen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank was de wethouder bevoegd om namens het college het bestreden besluit te nemen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Onder nummer 14 van de mandaattabel ‘Portefeuillehouders, directie en staf’ bij het mandaat-, volmacht- en machtigingenstatuut Stadskanaal 2019 verleent het college mandaat aan de portefeuillehouder om te besluiten op een bezwaarschrift. Hierbij gelden de voorwaarden dat het primaire besluit in mandaat is genomen en de aard van het besluit zich niet tegen mandatering verzet. Ook moet het advies van de adviescommissie overeenkomen met het primaire besluit of moet de commissie adviseren tot niet-ontvankelijkheid.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de mandaatbevoegdheid. Het primaire besluit is namelijk in mandaat genomen door een medewerker van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer. Dit was toegestaan op grond van de mandaattabel ‘Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer’, onder nummer 109 (14). Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aard van het besluit zich tegen mandatering verzet. Eisers hebben dat ook niet aannemelijk gemaakt. Verder komt het advies van de adviescommissie overeen met het primaire besluit. Daarom had wethouder [wethouder] als portefeuillehouder ruimtelijke ontwikkeling het mandaat om een besluit op bezwaar te nemen.
Welk bestemmingsplan is van toepassing?
5. In het bestreden besluit is de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan gemeente Stadskanaal’ (het nieuwe bestemmingsplan). Op de zitting heeft het college - in afwijking van de motivering in het bestreden besluit – zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan moest worden getoetst aan het bestemmingsplan ‘Correctieve en Partiele Herziening Stadskanaal Kern’ (het oude bestemmingsplan) omdat ten tijde van de aanvraag dit plan in werking was.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag in het bestreden besluit terecht getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende.
Als sprake is van gewijzigde wet- en regelgeving moet volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bij het nemen van een besluit, in beginsel het recht worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Hierop geldt een uitzondering als ten tijde van het indienen van een aanvraag om een vergunning sprake is van een rechtstreekse aanspraak op een omgevingsvergunning. In dat geval moet het college bij het nemen van een besluit het recht zoals dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag toepassen, ook als dat niet meer geldt. Voor zover hier relevant is sprake van een rechtstreekse aanspraak op een omgevingsvergunning als het bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en als er op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd.
De rechtbank stelt vast dat er op 18 mei 2023 een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. Bovendien was ten tijde van de aanvraag een ontwerp voor het nieuwe bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dat betekent dat ten tijde van de aanvraag geen rechtstreekse aanspraak op een omgevingsvergunning bestond op grond van het oude bestemmingsplan. Daarom was het college bij het nemen van het bestreden besluit gehouden het op dat moment geldende recht, het nieuwe bestemmingsplan, toe te passen.
Past het bouwplan binnen het bestemmingsplan?
6. Eisers stellen dat het bouwplan niet past binnen het bestemmingsplan omdat padel moet worden gekwalificeerd als een lawaaisport. Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan had padel nog niet de bekendheid die het nu heeft, waardoor bij het opstellen van het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met padel als lawaaisport. Lawaaisport is volgens het bestemmingsplan alleen toegestaan op locaties waarvoor de aanduiding ‘lawaaisport’ geldt. Omdat het onderhavige perceel deze aanduiding niet heeft is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan past binnen de bestemming ‘sport’ in het bestemmingsplan, waardoor het op grond van artikel 2.10 van de Wabo gehouden was een omgevingsvergunning te verlenen. Uit jurisprudentie volgt namelijk dat de verschillen tussen padel en tennis onvoldoende zijn om te stellen dat padel niet binnen de bestemming ‘sport’ valt. Daarnaast is padel geen lawaaisport volgens het college. Uit artikel 30.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan volgt namelijk dat het de bedoeling van de planwetgever was om gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, en sporten met zelfstandige geluidsproductie anders dan spierkracht, als lawaaisporten aan te merken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank past het bouwplan binnen het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De betreffende gronden hebben de bestemming ‘sport’. Op grond van artikel 30.1, aanhef en onder a, van de planregels, mogen de voor ‘sport’ aangewezen gronden gebruikt worden voor sportterreinen. Op grond van artikel 30.1, aanhef en onder c, van de planregels mogen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - lawaaisport', ook worden gebruikt voor een lawaaisportterrein en de daarbij behorende voorzieningen.
Niet in geschil is dat een padelbaan is aan te merken als een sportterrein. Tussen partijen is ook niet in geschil dat ter plaatse geen aanduiding ‘specifieke vorm van sport-lawaaisport’ geldt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of padel een lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan. Als het antwoord bevestigend is, kon de vergunning alleen worden verleend met een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend zijn. Een planregel moet letterlijk worden uitgelegd, vanwege de rechtszekerheid. Als de planregel op zichzelf niet duidelijk is, en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Bij een gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, kan aansluiting worden gezocht bij wat in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder dat begrip. Daarbij mag de betekenis zoals deze in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (de Van Dale) is gegeven, worden betrokken.
De rechtbank bekijkt dus eerst of artikel 30.1 van de planregels kan worden uitgelegd aan de hand van de letterlijke betekenis van de tekst van de regel. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van het begrip ‘lawaaisport’. In de planregel staat dat onder een lawaaisportterrein in ieder geval wordt begrepen: een motor- en quadcrossterrein, kartbanen en grasbanen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat niet is uitgesloten dat padel een lawaaisport is.
In de plantoelichting wordt niet ingegaan op de betekenis van lawaaisport. De rechtbank ziet hierin dus geen aanknopingspunten voor de uitleg van het begrip ‘lawaaisport’.
Daarom zoekt de rechtbank aansluiting bij wat in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder het begrip ‘lawaaisport’. In de Van Dale wordt lawaaisport gedefinieerd als: sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Lawaai wordt gedefinieerd als: hard, onaangenaam geluid.
Gelet op het bovenstaande ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een objectieve norm over wanneer sprake is van een lawaaisport in de zin van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat padel geen lawaaisport is in de zin van het bestemmingsplan, omdat de voorbeelden in artikel 30.1, aanhef en onder c, van de planregel, en ook de voorbeelden in de Van Dale, zien op gemotoriseerde sporten. Padel is geen gemotoriseerde sport. Daarom past padel binnen de bestemming ‘sport’ die geldt op het onderhavige perceel en past het bouwplan binnen het bestemmingsplan.
Overige gronden
7. Op de zitting hebben eisers de beroepsgrond ingetrokken dat het bestreden besluit gebrekkig is omdat ten tijde van het primaire besluit geen akoestisch onderzoek was verricht. De andere gronden van eisers hebben betrekking op gestelde gebreken in het akoestisch onderzoek en het ontbreken van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het geluid van de padelbanen.
Deze gronden slagen niet. Bij omgevingsvergunningen voor bouwen geldt het zogeheten ‘limitiatief-imperatief stelsel’. Ingevolge artikel 2.10 van de Wabo wordt een aanvraag alleen geweigerd als niet is voldaan aan één van de weigeringsgronden in dat artikel. Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 6.2 past het bouwplan binnen het bestemmingsplan. Deze gronden van eisers zien op de ruimtelijke inpasbaarheid van het geluid van de padelbanen. De ruimtelijke inpasbaarheid van een bouwplan is alleen aan de orde als moet worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening in het kader van een afwijkingsvergunning van het bestemmingsplan. Omdat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan is geen sprake van een afwijkingsvergunning en hoefde het college de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan niet te beoordelen. Omdat de overige weigeringsgronden in artikel 2.10 niet van toepassing waren, was het college gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. (…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Chw bestemmingsplan gemeente Stadskanaal
Artikel 30 Sport
Algemene gebruiksregels
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
(…)
(…)
een lawaaisportterrein waaronder in ieder geval wordt begrepen een motor- en quadcrossterrein, kartbanen en grasbanen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - lawaaisport' en de daarbij behorende voorzieningen;
(…)
Mandaat-, volmacht- en machtigingenstatuut Stadskanaal 2019
Artikel 5 Register/mandaattabellen
Register/ mandaattabbellen
Portefeuillehouders, directie en staf
Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer (ROB)