[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026 en 13 mei 2026 (sluiting onderzoek). Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1
hij op een of meerdere momenten in de periode van 3 november 2025 tot en met 5 november 2025 te [plaats] , gemeente Het Hogeland, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een of meerdere geldbedragen (te weten 245 en 150 euro), door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven
2
hij op of omstreeks 5 november 2025 te [plaats] , gemeente Het Hogeland een geldbedrag (te weten 550 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 november 2025 te [plaats] , gemeente Het Hogeland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (te weten 550 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 november 2025 te [plaats] , gemeente Het Hogeland, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1.
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2 primair, wegens onvoldoende wettig bewijs voor het voor diefstal vereiste wegnemen. Het ten laste gelegde feit 2 subsidiair kort gezegd afpersing kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaring van aangever is consistent en gedetailleerd en vindt voldoende steun in de overige bewijsmiddelen. Uit de WhatsAppgesprekken volgt dat verdachte wist dat aangever meer geld in de woning aanwezig had en aangever onder druk zette om meer geld af te geven dan de 100,00 die aangever zei beschikbaar te hebben. Verdachte heeft bij de politie erkend dat hij deze WhatsAppgesprekken met aangever voerde. Ook verklaarde verdachte bij de politie dat hij een mes in handen heeft gehad. Aan getuige [getuige] verklaarde verdachte bovendien dat hij iets heel ergs had gedaan en veel geld had gemaakt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat feit 1 bewezen kan worden verklaard, maar dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de hoogte van de onder feit 1 ten laste gelegde bedragen van 245,00 en 150,00. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de bekennende verklaring van verdachte volgt dat hij van het slachtoffer slechts 245,00 respectievelijk 100,00 heeft ontvangen. Dat een hoger bedrag afhandig is gemaakt volgt enkel uit de aangifte, maar die verklaring van aangever vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen.
Met betrekking tot het ten laste gelegde feit 2 heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Het dossier bevat een aangifte van aangever [slachtoffer] . In zijn aangifte heeft aangever verklaard dat hij door bedreiging met geweld door verdachte werd gedwongen tot afgifte van een extra bedrag van 550,00 aan verdachte. Ter terechtzitting en bij de politie heeft verdachte ontkend dat sprake was van diefstal of dat hij aangever anderszins met een mes, dreigementen of andere feitelijkheden heeft gedwongen tot afgifte van geld. Direct steunbewijs voor de diefstal, het gebruik van geweld of dreigementen is niet voorhanden.
Weliswaar blijkt uit de WhatsAppgesprekken tussen aangever en verdachte dat verdachte op de hoogte was van het feit dat aangever meer geld aanwezig had dan de 100,00 die aangever stelde aanwezig te hebben, maar daaruit kan de rechtbank nog niet afleiden dat verdachte een hoger bedrag van aangever - al dan niet onder bedreiging (van geweld) - heeft afgenomen. De verklaring van verdachte bij de politie levert evenmin steun op voor het gebruik van geweld dan wel dreigementen. Datzelfde geldt voor de verklaring van getuige [getuige] . Daaruit volgt slechts dat verdachte op de avond 5 november 2025 overstuur binnenkwam en stelde veel geld te hebben gemaakt, maar zegt niets over de hoogte van het buitgemaakte bedrag noch over de dreiging (met geweld of feitelijkheden). Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank derhalve met onvoldoende zekerheid vaststellen dat er sprake is geweest van diefstal met geweld en/of dreigen met geweld en/of feitelijkheden van de kant van de verdachte.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit 2.
Veroordeling ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op meerdere momenten in de periode van 3 november 2025 tot en met 5 november 2025 te [plaats] , gemeente Het Hogeland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten meerdere geldbedragen, door valselijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. oplichting, meermalen gepleegd
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit 1 en feit 2 subsidiair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Tot slot heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, vanwege de bepleite vrijspraak van feit 2. Ten aanzien van de vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis heeft de raadsman aangevoerd dat als hoofdregel geldt dat de schorsing ook in hoger beroep doorloopt. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot opheffing van het geschorst bevel voorlopige hechtenis is geen sprake. Tot slot heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat het om een kwetsbare verdachte gaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan oplichting. Via WhatsApp deed verdachte zich voor als een sekswerker waarmee het slachtoffer al enige malen seksueel contact had gehad. Verdachte zorgde er actief voor dat tussen het slachtoffer en voornoemde sekswerker een vertrouwensrelatie ontstond.
Vervolgens heeft verdachte misbruik gemaakt van die (veronderstelde) ontstane vertrouwensrelatie. Verdachte maakte het slachtoffer wijs dat de sekswerker in kwestie in (ernstige) geldnood verkeerde en zette het slachtoffer onder druk om zoveel mogelijk geld af te staan.
Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van het slachtoffer in de medemens in ernstige mate geschaad. Dat geldt te meer nu het slachtoffer naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van zijn (hoge) leeftijd, zijn beperkte mobiliteit en daarom grotere kwetsbaarheid, is gekozen.
Dat rekent de rechtbank verdachte zeer aan.
Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte aan dat de oplichtingen plaats vonden in en rondom de woning van het slachtoffer, terwijl dit bij uitstek de plaats zou moeten zijn waar het slachtoffer zich veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld, en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de gevolgen voor (of belangen van) het slachtoffer.
Het is algemeen bekend dat de aangiftebereidheid klein is in zaken als deze, mede als gevolg van de schaamte over de aard van de aangeboden diensten. Verdachte heeft op deze schaamte ingespeeld en zichzelf op berekende wijze bevoordeeld. Ook dat rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat hij voor het laatst is veroordeeld in 2016.
Uit het reclasseringsrapport van 21 januari 2026 blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. In het verleden is geconcludeerd dat verdachte zwakbegaafd is en dat in zijn persoonlijkheidsproblematiek zijn ontwijkende- en afhankelijke kenmerken zichtbaar zijn. Vanuit verdachtes kwetsbaarheid is hij niet in staat om te gaan met toenemende spanningen en intimiteit en vanwege zijn zwakbegaafdheid is hij niet in staat om de gevolgen van zijn handelen te overzien. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante begeleiding, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), meewerken aan aflossen van schulden, meewerken aan controle op middelengebruik en een contactverbod met [getuige] .
Op 29 januari 2026 is de voorlopige hechtenis van verdachte onder dezelfde voornoemde voorwaarden geschorst. Het schorsingstoezicht vanuit de reclassering is echter niet op gang gekomen en het is de reclassering daarnaast niet gelukt om daadwerkelijk met de schorsingsvoorwaarden aan de slag te gaan. De rechtbank heeft daardoor slechts beperkt zicht gekregen op het verloop van de schorsing. Verdachte lijkt evenwel nog altijd ontvankelijk te zijn voor hulp, getuige het feit dat hij reeds in een vrijwillig kader hulp heeft gezocht en ontvangt. Ter terechtzitting is die bereidwilligheid nogmaals bevestigd.
Op te leggen straf
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit ziet de rechtbank geen aanleiding om te volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van kortere duur dan geëist, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 97 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht op de op te leggen straf. Dit betekent dat verdachte voor deze zaak niet terug de gevangenis in hoeft, zolang verdachte zich houdt aan de voorwaarden die zullen worden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel. Naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen die de reclassering heeft geadviseerd in het advies van 21 januari 2026. Gelet op het voorgaande zal het geschorste bevel tot
voorlopige hechtenis worden opgeheven.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 445,00 ter vergoeding van materiële schade en 1.200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De materiële schade is 345,00 en er is reeds 500,00 uitgekeerd door de verzekering, waardoor er geen restschade meer is.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman voorop dat deze vordering is gestoeld op het ten laste gelegde feit 2. Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij in diens immateriële schadevordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij integrale vrijspraak heeft bepleit van het ten laste gelegde feit 2.
Subsidiair stelt de raadsman dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder feit 1 bewezen is verklaard. De verzekering heeft echter reeds een bedrag van 500,00 uitgekeerd. De door het feit 1 bewezen verklaarde geleden schade is aldus, ook als wordt uitgegaan van de door aangever genoemde bedragen, reeds door de verzekeraar vergoed. De rechtbank zal de vordering afwijzen voor zover deze ziet op de materiële schade voortvloeiend uit het ten laste gelegde feit 1.
Voor zover de gevorderde materiële schade zou zijn ontstaan uit het ten laste gelegde feit 2, acht de rechtbank het feit niet bewezen. De benadeelde partij zal voor dit deel daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Immateriële schade
De rechtbank acht het feit waaruit de gevorderde immateriële schade zou zijn ontstaan, te weten onder feit 2 ten laste gelegde, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 97 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst af de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voor zover dit materiële schade betreft voortvloeiend uit bewezen verklaarde feit 1.
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat benadeelde partij [slachtoffer] zijn eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.