2. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2 in de periode van
6 september tot en met 10 oktober 2023. Hij heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.
Verdachte [verdachte] en medeverdachten zijn aangetroffen in een volledig operationeel drugslab. In het laboratorium zijn DNA-sporen van de verdachte aangetroffen op onder meer de binnenzijde van een handschoen. Hieruit blijkt de directe betrokkenheid van verdachte bij de productie van metamfetamine.
De labopstelling, de aanwezige voorraden en de gesprekken in de onderzochte telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] wijzen op gezamenlijke voorbereidingshandelingen en gezamenlijke uitvoering van de werkzaamheden en daarom is er sprake van medeplegen. De officier van justitie baseert tot slot de pleegperiode van 6 september tot 10 oktober 2023 op berichtenverkeer dat uit de onderzochte telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] naar voren is gekomen en op de melding van 6 oktober 2023 bij de politie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim, namelijk het onrechtmatig binnentreden van de politie en het ontbreken van een schriftelijke machtiging daartoe. De melding waarop het binnentreden is gebaseerd, was volgens de verdediging niet specifiek genoeg om een redelijk vermoeden van een drugslab te rechtvaardigen. Aangezien de verdenking op basis van de Opiumwet pas ontstond na het onrechtmatig binnentreden, is de doorzoeking eveneens onrechtmatig. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op, hetgeen in strijd is met artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) en het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Door deze schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften, zou het verkregen bewijs moeten worden uitgesloten, wat leidt tot een integrale vrijspraak.
Subsidiair stelt de raadsman dat de vervaardiging van metamfetamine, zoals ten laste gelegd onder feit 1, niet bewezen kan worden. In het lab werd volgens de verdediging uitsluitend benzylmethylketon (BMK) geproduceerd. De raadsman heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat essentiële stoffen en materialen zijn aangetroffen en gebruikt (zoals wijnsteenzuur en specifieke RVS-ketels) die nodig zijn voor de omzetting van BMK naar metamfetamine. Het aangetroffen afval bevatte weliswaar een klein restant metamfetamine, maar dit is volgens het NFI afkomstig van BMK-productie, niet van metamfetamine-productie. Verder ontkent verdachte wetenschap van de aangetroffen metamfetamine. Er zijn geen andere objectieve bewijsmiddelen die op zijn wetenschap duiden. Gelet daarop dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 1.
Met betrekking tot feit 2, de voorbereidingshandelingen, stelt de raadsman dat er onvoldoende bewijs is voor beschikkingsmacht over de aangetroffen materialen. De loods kan op geen enkele manier met verdachte in verband worden gebracht. Ook hier ontbreekt het aan objectieve bewijsmiddelen die aantonen dat verdachte enige beschikkingsmacht over de materialen heeft gehad. Ten slotte, met betrekking tot de pleegperiode, stelt de raadsman dat er geen bewijs is dat verdachte voor 10 oktober 2023 betrokken was bij de feiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtmatigheid van het binnentreden
Het verweer van de raadsman, inhoudende dat bewijsuitsluiting moet volgen in verband met een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Sv, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt - kort gezegd - dat op 6 oktober 2023 een melding is gedaan door een persoon bij de politie. Deze melder gaf aan bevriend te zijn met personen die in de buurt van de loods aan de [adres] wonen en dat zij al enige tijd verdachte activiteiten waarnamen rondom deze locatie. De melder gaf gedetailleerde
informatie over de verdachte activiteiten, waaronder veelvuldig komen en gaan van mensen, vreemde machinegeluiden, sterke geuren (waaronder ammoniak) en de aanwezigheid van verschillende voertuigen. Ook werd melding gemaakt van grote hoeveelheden isolatiemateriaal die naar binnen werden gebracht. Op basis van deze informatie is door de politie nader onderzoek verricht, waaruit bleek dat twee van de door de melder genoemde voertuigen gehuurd waren bij een autogroep die vaker met criminele activiteiten in verband zijn gebracht. Op 9 oktober 2023 is bovendien een ander voertuig van dezelfde autogroep gesignaleerd bij een vermoedelijk drugslab in Bovensmilde. Dit heeft ertoe geleid dat de politie besloot om op 10 oktober 2023 een instap te doen aan de
[adres] . Bij de instap werd een operationeel drugslab aangetroffen.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze onderzoeksresultaten, in onderling verband en samenhang bezien, de politie redelijkerwijs kon en mocht vermoeden dat een overtreding van artikel 2 jo. artikel 10a van de Opiumwet plaatsvond. Het binnentreden van de loods ter aanhouding is derhalve rechtmatig geweest.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat enkel een mondelinge machtiging tot binnentreden is afgegeven, wat eveneens maakt dat de politie onrechtmatig is binnengetreden in de loods. Deze opvatting van de raadsman vindt geen steun in het recht. Noch de wettekst, noch de wetsgeschiedenis van artikel 55a Sv, vereist dat de machtiging schriftelijk wordt verstrekt.1
De rechtbank concludeert dat van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv geen sprake is. Het primaire verweer van de raadsman tot bewijsuitsluiting wordt daarom verworpen. Gelet op het voorgaande is het bewijs dat na het binnentreden van de loods werd verkregen rechtmatig en kan het voor het bewijs worden gebruikt.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. De bewijsmiddelen zijn in bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Op grond van het procesdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de hieronder nader te noemen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Feiten en omstandigheden
Op 10 oktober 2023 heeft een instap ter aanhouding plaatsgevonden op het perceel
[adres] te [plaats] . Daarbij is in de loods een operationeel synthetisch drugslab aangetroffen. Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] bevonden zich ten tijde van de instap in het lab, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] aanwezig was in een aangrenzende slaapruimte. In het woonhuis werd medeverdachte [medeverdachte 3] , eigenaar van het perceel, aangetroffen. Alle verdachten zijn op heterdaad aangehouden. In de loods trof de politie onder meer laboratoriumapparatuur en grondstoffen aan, waaronder rvs-ketels, branders en (gevulde) jerrycans en vaten. Vervolgens is onderzoek verricht door het Team Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en is forensisch sporenonderzoek uitgevoerd.
Produceren en/of het aanwezig hebben van metamfetamine
Uit het onderzoek van het LFO volgt dat meerdere ruimtes in de loods ingericht en in gebruik waren voor de vervaardiging en/of bewerking van synthetische drugs. Uit de voorlopige interpretatie van het LFO blijkt dat de aangetroffen opstelling en chemicaliën passen bij de productie van metamfetamine volgens de zogenoemde kwik-amalgaanmethode. Daarnaast werd circa 4.400 liter afval aangetroffen dat volgens het LFO kan worden gerelateerd aan dit
productieproces. Met de aangetroffen 820 liter BMK kan volgens het LFO minimaal ongeveer 700 kilogram metamfetamine worden geproduceerd. In enkele vaten werden restanten aangetroffen van met kwik besmet afval en vloeistoffen die metamfetamine bevatten. Op het moment van de instap was bovendien een vacuümdestillatie-opstelling in werking, waarbij BMK werd gezuiverd en de gasbranders aan stonden.
Het NFI heeft vervolgens op basis van de resultaten van het laboratoriumonderzoek, de door het LFO verkregen informatie en de foto's van het onderzoek ter plaatse, vastgesteld dat in het onderzoeksmateriaal daadwerkelijk metamfetamine is aangetroffen, zijnde een stof vermeld op lijst I van de Opiumwet. Daarnaast zijn diverse stoffen aangetroffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van synthetische drugs en die volgens het NFI kunnen worden gebruikt bij de productie van metamfetamine.
Gelet op deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat in het aangetroffen drugslab metamfetamine aanwezig was en werd geproduceerd. Daarbij is van belang dat de productieopstelling op het moment van aantreffen actief was, dat productieafval is aangetroffen dat kan worden gerelateerd aan de vervaardiging van metamfetamine, dat de daarvoor benodigde grondstoffen aanwezig waren en dat in het onderzoeksmateriaal daadwerkelijk metamfetamine is vastgesteld. Het standpunt van de raadsman, dat niet bewezen kan worden dat metamfetamine werd vervaardigd, wordt daarom door de rechtbank verworpen.
Wetenschap
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aangetroffen hoeveelheid metamfetamine. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende.
Verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zich slechts in het slaapvertrek bevond om iemand op te halen en geen wetenschap had van de productie of aanwezigheid van metamfetamine. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Verdachte heeft desgevraagd geen duidelijkheid willen verschaffen over wie hij zou ophalen, hoe hij op de locatie terecht is gekomen en in wiens opdracht hij daar aanwezig was. Het door verdachte geschetste scenario vindt geen steun in het dossier, is niet verifieerbaar en ligt ook overigens niet voor de hand.
De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier blijkt dat verdachte bij de instap op 10 oktober 2023 is aangetroffen in het operationele drugslab, en niet - zoals hij heeft verklaard - in het aangrenzende slaapvertrek. Daarnaast volgt uit het forensisch onderzoek dat het DNA van verdachte op meerdere plekken in de loods is aangetroffen. Bij dit onderzoek is door de forensische opsporing onder meer rekening gehouden met de rollen die doorgaans binnen een drugslab worden onderscheiden, waaronder de rol van zogenoemde kok, zijnde de persoon die de chemische handelingen uitvoert. In dat verband is onder meer een aansteker, aangetroffen op een gasfles in het lab, bemonsterd voor DNA-onderzoek. Deze aansteker is vermoedelijk gebruikt om de branders aan te steken die onderdeel uitmaken van het productieproces. Op deze aansteker is DNA van verdachte aangetroffen. Daarnaast is zijn DNA aangetroffen aan de binnenzijde van een handschoen. Volgens het NFI is het, zowel ten aanzien van de aansteker als de handschoen, meer dan één miljard keer waarschijnlijker dat het aangetroffen DNA afkomstig is van verdachte dan van een willekeurige onbekende persoon. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op deze specifieke locaties geen aannemelijke verklaring gegeven.
Gelet op de aard en inrichting van het drugslab, zoals hiervoor vastgesteld, en de aanwezigheid van DNA van verdachte op voorwerpen die rechtstreeks verband houden met het productieproces, kan het niet anders zijn dan dat verdachte wist dat in de loods metamfetamine aanwezig was en werd geproduceerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte opzettelijk betrokken is geweest bij zowel het produceren als het aanwezig hebben van metamfetamine.
Medeplegen
De rechtbank stelt vast dat verdachte en de medeverdachten gezamenlijk in de loods zijn aangetroffen. Verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte 1] waren op dat moment aanwezig in het lab. Daarnaast is van alle verdachten DNA aangetroffen op voorwerpen in het lab. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Daarmee is het medeplegen van het vervaardigen en aanwezig hebben van metamfetamine wettig en overtuigend bewezen.
Pleegperiode
Ten aanzien van de pleegperiode gaat de rechtbank uit van de volledige ten laste gelegde periode. Zij baseert het begin daarvan op de melding van 6 oktober 2023, waaruit volgt dat reeds ongeveer een maand voorafgaand aan die datum activiteiten bij de loods werden waargenomen die duiden op de aanwezigheid van een drugslab. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, ziet zij onvoldoende aanleiding om van deze periode af te wijken. Daarbij neemt zij in aanmerking dat voor medeplegen niet is vereist dat iedere betrokkene gedurende de gehele periode feitelijk aanwezig is geweest.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank gaat bij de beoordeling of sprake is van voorbereidingshandelingen uit van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.3.3 vastgesteld. De verdediging heeft betoogd dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de in de loods aangetroffen goederen en stoffen en dat om die reden geen sprake kan zijn van voorbereidingshandelingen. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Uit het dossier blijkt dat in de loods, naast een actieve laboratoriumopstelling, een groot aantal chemicaliën, hulpstoffen en materialen aanwezig was die naar hun aard geschikt zijn voor de vervaardiging van metamfetamine. Deze goederen en stoffen waren zodanig aanwezig dat zij konden worden gebruikt voor het voorbereiden of bevorderen van het productieproces.
Verdachte is in dit lab aangetroffen en bevond zich daarmee in de onmiddellijke nabijheid van deze goederen en stoffen, waarover hij tezamen met zijn medeverdachten kon beschikken. Het voorhanden hebben van deze goederen en stoffen moet dan ook worden aangemerkt als het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het medeplegen en de pleegperiode is hier eveneens van toepassing.
3. Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij in de periode van 6 september 2023 tot en met 10 oktober 2023 te [plaats] , gemeente Midden-Groningen, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2 hij in de periode van 6 september 2023 tot en met 10 oktober 2023 te [plaats] , gemeente Midden-Groningen, in een loods behorend bij het perceel gelegen aan de [adres] telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
van een materiaal telkens bevattende metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, een groot aantal stoffen en materialen en goederen die gebruikt worden bij de vervaardiging van metamfetamine, te weten, onder meer
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
5. Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
6. Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en een geheel voorwaardelijke geldboete van
30.000. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met artikel 63 van het Sr, het tijdsverloop, de houding van verdachte en diens justitiële documentatie.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman bepleit dat strafvermindering dient te volgen omdat sprake is van artikel 63 Sr.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode samen met anderen metamfetamine geproduceerd en voorbereidingshandelingen verricht die waren gericht op de verdere productie daarvan.
Algemeen bekend is dat de productie van synthetische drugs aanzienlijke risicos meebrengt voor mens en milieu. De chemische processen, de opslag van gevaarlijke stoffen en de dumping van drugsafval kunnen leiden tot gevaarlijke situaties en ernstige milieuschade. Ook is bekend dat het gebruik van synthetische drugs ernstige gezondheidsrisicos oplevert en kan leiden tot verslaving. Verslaafde gebruikers plegen niet zelden strafbare feiten om hun gebruik te financieren. Daarnaast staat vast dat met de productie en handel in synthetische drugs grote winsten worden behaald, waarbij geweld en bedreiging met geweld niet worden geschuwd.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aan dergelijke activiteiten heeft bijgedragen. Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met de mate en duur van de feitelijke betrokkenheid van verdachte. Hoewel de rechtbank de gehele ten laste gelegde periode bewezen acht, is niet gebleken dat verdachte gedurende die gehele periode een actieve rol heeft vervuld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat zijn betrokkenheid beperkter is geweest en houdt daar bij de straftoemeting rekening mee.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van verdachte van 27 februari 2026.
Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarnaast is van belang dat verdachte bij vonnis van 28 mei 2024 door de meervoudige kamer is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden wegens het medeplegen van de verlengde invoer van cocaïne. Deze veroordeling ziet op feiten die vóór de onderhavige zaak zijn gepleegd. Daarom is artikel 63 Sr van toepassing.
Daarnaast heeft de rechtbank het advies van 30 juli 2025 gelezen, dat de reclassering over verdachte heeft uitgebracht. De reclassering schrijft dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat, nu verdachte opnieuw van een drugsfeit wordt verdacht. Doordat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, is het voor de reclassering verder moeilijk in te schatten welke risicofactoren van invloed zijn geweest op het delict gedrag. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Conclusie
Alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor (grootschalige) productie van harddrugs en de daarbij behorende voorbereidingshandelingen acht de rechtbank uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend en geboden. Gelet op artikel 63 Sr, het tijdsverloop en de rol van verdachte ziet de rechtbank evenwel aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 15 maanden. Voorts zal de rechtbank, gelet op het evidente winstoogmerk waarmee de feiten zijn gepleegd, een geldboete van 30.000 opleggen, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Toepassing van wetsartikelen
23 oktober 2023, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant ] , [verbalisant ] en [verbalisant ] :
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
betaling van een geldboete ten bedrage van 30.000 (zegge: dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 158 dagen hechtenis.
Bepaalt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. L.M. Praamstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.
Mr. J.V. Nolta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.
11 oktober 2023, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023268004 d.d. 6 augustus 2024 inhoudend als verklaring van verbalisant [verbalisant ] :
Op vrijdag 6 oktober 2023 omstreeks 14:00 uur heb ik contact opgenomen met melder [naam 1] . Ik hoorde de melder zeggen dat hij bevriend is met personen ook woonachtig aan de [adres] . Deze vrienden zouden al enige tijd, ongeveer een maand, verdachte activiteiten waarnemen rondom de schuur aan de [adres] . Melder zou zelf ook verdachte activiteiten hebben gezien. Deze verdachte activiteiten zouden volgens melder bestaan uit:
Aziatisch uiterlijk zouden overnachten en aan het werk zouden zijn in de loods;
- Grote hoeveelheid isolatiemateriaal dat bij de loods naar binnen is gebracht.
Vervolgens hoorde ik de melder 4 kentekens van voertuigen opnoemen die regelmatig
rondom de loods gezien zouden zijn: [kenteken 1] : dit betreft de eerder genoemde camper, [kenteken 2] , [kenteken 3] en [kenteken 4] .
Bovenstaande ontvangen informatie heb ik vervolgens nader bekeken.
[adres] :
Op dit adres staan ingeschreven: [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] . [medeverdachte 3] is de eigenaar van de woning, staat te boek als harddrugsgebruiker (2001) en heeft relatief oude antecenten waaronder 1 voor de Opiumwet in 2012.
Kentekens:
Ik heb contact opgenomen met de dienstdoende OVD-R, [naam 2] . Bij het vertellen van bovenstaande informatie, hoorde ik [naam 2] zeggen dat voertuigen gehuurd bij [bedrijfsnaam] vaker voorkomen in verband met criminele activiteiten.
Dinsdag 9 oktober 2023 werd ik, verbalisant [verbalisant ] , gebeld door collega [naam 3] van de Districtsrecherche te Winschoten. Ik hoorde haar zeggen dat er zojuist informatie
binnen was gekomen dat een van de voertuigen op naam van [bedrijfsnaam] ook is gezien bij een, vermoedelijk, drugslab in Bovensmilde. Ik hoorde [naam 3] zeggen dat deze extra informatie vervolgens doen heeft besluiten om deze zelfde dag nog een instap te gaan doen op het adres [adres] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2023, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant [verbalisant ] :
Op dinsdag 10 oktober 2023 om 14:08 uur, ben ik, tezamen met 14 collega's, ingezet bij de instap ter aanhouding op perceel [adres] . Tijdens de instap troffen wij een in werking zijnde synthetisch drugslab aan. In het lab werden door ons 3 verdachten op heterdaad aangehouden. Ter verduidelijking van de locatie van aantreffen van de verdachten, hebben wij onderstaande plattegrond getekend en locatie van de verdachten weergegeven.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.
Op dinsdag 10 oktober 2023 omstreeks 16:00 uur tot 22:30 uur en woensdag 11 oktober van 09:00 uur tot 15:00 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld op het adres [adres]
. Dit in verband met het vermoedelijk aantreffen van een in werking zijnde productielocatie voor synthetische drugs.
In deze loods troffen wij diverse ruimtes aan welke gemaakt waren van houten panelen. In het voorportaal van de loods, aangeduid op onderstaande situatieschets als ruimte [A] zagen wij diverse klemdekselvaten aan. Tevens zagen wij diverse lege jerrycans aan en aanverwante artikelen die ons ambtshalve bekend zijn als gebruiksvoorwerp in dergelijke
locaties waar synthetische drugs wordt vervaardigd. Wij, verbalisanten, roken direct na het betreden van de loods de ons ambtshalve bekende geur van BMK (benzylmethylketon). Achter een dubbele deur bevond zich een gang, aangeduid als ruimte [HJ]. waarin onder andere 2 duizend liter IBCs (Intermediate Bulk Container) stonden. Links in de gang bevond zich een dubbele deur welke toegang gaf tot een ruimte, [O], waar twee stretcherbedden en diverse “schone” chemicaliën werden aangetroffen. Achter in deze ruimte bevond zich een afzuigruimte aangeduid als ruimte [Z]. Hierin bevonden zich diverse afzuigunits welke aan stonden ten tijde wij het pand betraden. Aan het einde van ruimte [H], bevond zich een deur welke uitkwam in ruimte [L]. In deze ruimte troffen wij diverse emmers met een heldere/gele vloeistof, ruikend naar BMK, aan. Ook stond in deze ruimte een grote RVS-productieketel en een RVS-destillatieopstelling.
Onder de laatste opstelling bevonden zich 2 branders welke aanstonden ten tijde wij deze ruimte betraden. Wij lazen van een digitale temperatuurmeter af dat de inhoud van de ketel een temperatuur had van 150 graden Celsius. Deze branders werden door ons gecontroleerd uitgezet en het afkoelproces werd door ons nauwlettend gemonitord. Achter in deze ruimte bevond zich een afzuigruimte met daarin diverse afzuigunits en koolstoffilters aangeduid als ruimte [AF]. Hierop werd de heterdaad situatie van deze locatie door ons fotografisch vastgelegd.
Hieronder volgt in een tabel een opsomming van de goederen die werden aangetroffen.
Voorlopige interpretatie LFO
De verschillende ruimtes van de loods gelegen aan de [adres] waren
ingericht en in gebruikt voor de vervaardiging c.q. bewerking van synthetische drugs, namelijk de vervaardig en bewerking van BenzylMethylKeton(BMK) vanuit een reprecursor
[het zout van BMK-glycidezuur] en een zuur [fosforzuur]. Met de ter plaatse vervaardigde BMK werd vervolgens middels de” kwik-amalgaan” methode metamfetamine vervaardigd.
Op het moment van ontdekking was de vacuümdestillatie opstelling in werking (gasbranders
aan) en werd eerder vervaardigde BMK gezuiverd. Ter plaatse werd door ons, verbalisanten, circa 4400 liter afval aangetroffen verdeeld over diverse klemdekselvaten en IBC's. Dit afval is te relateren aan de omzetting van BMK en de productie van metamfetamime.
In sommige klemdekselvaten werden restanten van met kwik besmet afval/vloeistofen
restanten met metamfetamine houdende vloeistof aangetroffen. In totaal werd er circa 820 liter BMK-olie en 1000 liter methylamine aangetroffen. Tevens werd er door ons kwik(II)chloride en klemdekselvaten met een grote hoeveelheid snippers aluminiumfolie aangetroffen.
Ons is ambtshalve bekend dat deze goederen en chemicaliën worden gebruikt voor de vervaardiging van metamfetamine middels de zogenaamde “kwik-amalgaan methode”
hetgeen een methode betreft waarbij kwik houdend afval ontstaat. Met 820 liter BMK kun je, middels de kwik-almagaan methode, minimaal 700 kg metamfetamine HCL (kristallen) produceren.
4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2023.12.08.147, d.d. 29 november 2024 opgemaakt door dr. J.D.J. van den Berg, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn verklaring:
Resultaten
De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in tabel 1. Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat
Conclusie
Vraagstelling 1
In het onderzoeksmateriaal is metamfetamine aangetoond. Metamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict
( [adres] ) d.d. 15 november 2023, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ] :
Op dinsdag 10 oktober 2023 om 17:15 uur kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] . Het drugslab is door ons, verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ] , onderzocht op de aanwezigheid van sporen, hierbij hebben wij rekening gehouden met de rollen die over het algemeen vaak gezien worden in een drugslab.
Sporen die mogelijk leiden naar de kok in het lab:
- Een aansteker op een gasfles in het lab (ruimte L). Vermoedelijk is de aansteker gebruikt om de branders te steken die worden gebruikt bij het produceren van de precursoren. Mogelijk is er DNA achtergebleven op de aansteker. De aansteker is bemonsterd voor DNA vergelijkend onderzoek. SIN: AAQM9622NL.
Overige veiliggestelde sporen:
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 29 januari 2024, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant [verbalisant ] :
In verband met een onderzoek naar een vervaardigen harddrugs (lijst I) werd door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager:
Goednummer: PL0100-2023268004-1650089 SIN: AAQM9609NL
Object: Handschoen
Ik heb afzonderlijk de binnenzijde bij aantreffen van de binnenste handschoen bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AARH8802NL verpakt en verzegeld.
Veiliggestelde sporen:
Spoornummer: PL0100-2023268004-93484 SIN: AARH8802NL
Relatie met SIN: AAQM9609NL
6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2023.12.08.147, opgenomen op pagina 241 e.v. van voornoemd dossier, d.d. 25 maart 2024 opgemaakt door J.M.A. Kruithof - van Esch, MSc LLM, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als haarverklaring:
Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
In onderstaande tabel staan de resultaten van het DNA-onderzoek. Naast het betreffende SIN met omschrijving staat vermeld van wie het DNA in de bemonstering afkomstig kan zijn. In deze tabel zijn ook de resultaten van de berekende bewijskracht vermeld.
7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.23.074, opgenomen op pagina 211 e.v. van voornoemd dossier, d.d. 1 februari 2024 opgemaakt door W.A. Kanhai, MSc, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn verklaring:
Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek
1. HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8842, r.o. 3.5.