RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/331172-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2022 tot en met 20 januari 2023 te Leeuwarden en/of te de Westereen en/of te Feanwâlden en/of te Burgum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Tijdens het verhoor van verdachte in verband met een verdenking van rijden onder invloed, lagen de bij verdachte aangetroffen telefoons op het bureau van de verbalisanten. Tijdens dit verhoor kwam op het startscherm van een van die telefoons een bericht binnen, dat door de verbalisant werd gelinkt aan handel in cocaïne. Daardoor ontstond de verdenking van de handel in verdovende middelen.
De verdediging meent echter dat het afnemen van voornoemde telefoons onrechtmatig was, omdat daarvoor geen wettelijke basis was. De politie heeft die telefoons “onder zich genomen”, een concept dat het Wetboek van Strafvordering niet kent. Feitelijk is sprake van inbeslagneming zoals bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zonder dat hiervoor een wettelijke basis bestond. Het onrechtmatig afnemen van een telefoon door de politie om hier vervolgens informatie uit te halen die rechtstreeks aanleiding vormt voor de start van een strafrechtelijk onderzoek raakt aan de fundamentele rechten van de verdachte, zoals beschermd door de artikelen 6 en 8 van het EVRM.
Als gevolg hiervan moeten de resultaten van het later aan de telefoon verrichte onderzoek en alle onderzoeksresultaten die in het kader van het vervolgens voortgezette opsporingsonderzoek hierop zijn gevolgd, van het bewijs worden uitgesloten, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat slechts een beperkt deel van de ten laste gelegde periode bewezen kan worden. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 27 juni 2022 op ongeveer drie tot vijf verschillende momenten gebruik heeft gemaakt van de bij hem aangetroffen (deal)telefoon en cocaïne heeft verkocht. Weliswaar zijn er getuigen die hebben verklaard dat zij vaker en/of over een langere periode cocaïne van verdachte hebben gekocht, maar zij hebben verdachte herkend op basis van enkelvoudige fotoconfrontatie, dat weinig bewijswaarde heeft.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2023, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023049184 d.d. 7 juli 2023, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 20 januari 2023 hebben wij een blauwe Peugeot 307 (kenteken [kenteken] ) bij de rotonde tussen Hurdegarijp en Quatrebras een stopteken gegeven, waarna wij de bestuurder staande hielden in de pechhaven. De bestuurder bleek [verdachte] . Ik heb [verdachte] aangehouden. Voor het vervoer heb ik [verdachte] onderzocht aan de kleding. Hieruit kwamen drie telefoons naar voren. Alle drie betroffen iPhones.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2023 opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
De mobiele telefoon welke [verdachte] bij zich had ten tijde van zijn aanhouding blijkt op basis van de onderzochte data een zogenaamde dealtelefoon te zijn.
Ik zag dat de verzender/gebruiker van deze app zichzelf [bijnaam] noemt. Ik heb tientallen gesprekken geopend en gelezen en zag dat er in al deze gesprekken drugs aangeboden werd of waar mensen vragen of er drugs geleverd kan worden.
Appgesprek [naam 1]
Op 16 juni 2022 vraagt [naam 1] om sos. [bijnaam] zegt dat hij dat heeft. Er wordt afgesproken vlakbij de woning van [naam 1] . Op enig moment lijkt [naam 1] iets te willen vragen en zegt: [verdachte] ?.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2023 opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Blauwe Peugeot
In meerdere gesprekken vragen afnemers in welke auto de dealer komt. Meerdere keren antwoordt de verdachte (de rechtbank begrijpt onder verdachte in deze context telkens: de gebruiker van het Whatsapp-account [bijnaam] ) dat hij in een blauwe Peugeot komt.
[verdachte] reed op de dag dat hij werd aangehouden in een blauwe Peugeot 307 met kenteken [kenteken] . Ik controleerde het kenteken in het RDW-register en zag dat de verdachte dit voertuig van 04-07-2022 t/m 18-08-2022 op naam had. Ik zag dat het voertuig daarna tot en met 11-03-2023 op naam stond van zijn moeder. [verdachte] verklaarde tijdens zijn verhoor op zaterdag 6 mei 2023 dat zijn vriendin op dit moment de blauwe Peugeot zou gebruiken.
Jarig
Ik zag op de telefoon drie druggerelateerde Whatsappgesprekken met verschillende contacten waarin de verdachte als afzender op 27-06-2022 zegt dat hij die dag niet kan leveren omdat hij jarig is. [verdachte] is geboren op [geboortedatum] -2022.
Aangehouden
Ik vond in de telefoon een Whatsappgesprek waarin de verdachte op 20 januari 2023 contact had met een contact met de naam [naam 2] . Het gesprek was druggerelateerd. Op 20 januari 2023 om 18.55 uur vraagt [naam 2] : Jooooo. Tijd mattie?. De verdachte antwoordt bevestigend en vraagt om een adres. [naam 2] vraagt om een adres in [plaats] en vraagt of half 8 ongeveer lukt. De verdachte zegt dat dit lukt. De verdachte zegt even later te 19.27 uur, ten tijde van zijn controle (de rechtbank begrijpt: ten tijde van de controle van [verdachte]), en ik citeer: Maat. App even iemand anders. Ben aangehouden.
Ik vond in de telefoon een ander Whatsappgesprek waarin de verdachte op 2 november 2022 contact had met een contact met de naam [naam 3] . [naam 3] vraagt om 1g bij [locatie] . De verdachte zegt 10 min. Mij is bekend dat [locatie] gevestigd zit in Leeuwarden. De verdachte zegt te 02:31 uur: Ben aangehouden maat moment.
Ik vond een mutatie in het politiesysteem waarin collegas hadden vastgelegd dat zij die dag omstreeks
uur op de Noorderweg in Leeuwarden een blauwe Peugeot 307 met kenteken [kenteken] zagen rijden en zij de inzittenden controleerden. [verdachte] was bestuurder van de auto. De Noorderweg bevindt zich vlakbij de locatie van [locatie] .
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor inclusief bijlage d.d. 30 maart 2023, opgenomen op pagina 135 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
V: Kocht je voor februari 2022 ook al drugs van [bijnaam] ?
A: Nee, vanaf die tijd was ik weer begonnen, en kocht ik alleen maar van die [bijnaam] .
O: Ik, verbalisant, laat getuige [getuige 1] een foto zien van de verdachte welke ik als bijlage bij dit proces-verbaal voeg. (De rechtbank begrijpt dat de politie een SKDB-foto van verdachte [verdachte] aan de getuige toont.)
V: Wie is dit?
A: Ja, dit is de jongen waar ik de cocaïne altijd van kocht, dit is [bijnaam] .
V: Hoe vaak heb je in totaal van [bijnaam] cocaïne gekocht? A: Ik denk ongeveer 30x dat ik cocaïne kocht.
V: Waar spraken jullie af?
A: Altijd op een vaste plek in Veenwouden.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor inclusief bijlage d.d. 30 maart 2023, opgenomen op pagina 152 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
V: Was het altijd dezelfde persoon die kwam, of waren het verschillende personen die jou de cocaïne leverden.
A: Het was wel altijd dezelfde jongen.
V: Op 11 augustus 2022 spreken jullie af in Burgum, en wil jij 9 helen afnemen. Wat bedoelde je met 9 helen?
A: 9x 1 gram cocaïne. Ik zag een blauwe auto staan en vroeg hem of hij in de blauwe auto was. Hij zei ja. Via het openstaande raam gaf ik hem het geld. Toen kreeg ik in een boterhamzakje van hem de 9 packjes met cocaïne.
O: Ik, verbalisant, laat getuige [getuige 2] een foto van de verdachte zien (bron: SKDB 2023). (De rechtbank begrijpt dat de politie een SKDB-foto van verdachte [verdachte] aan de getuige toont.) V: Wie is dit?
A: Ja. Deze jongen herken ik. Dit is de jongen van wie ik cocaïne gekocht heb. V: Wanneer kocht je voor het eerst cocaïne van hem?
A: Ik denk ergens begin 2022.
6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige bij de rechter-commissaris van 17 maart 2026, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
U vraagt mij hoe vaak ik via dat nummer (de rechtbank begrijpt: het nummer gekoppeld aan accountnaam [bijnaam] ) besteld heb. Meerdere keren, hoe vaak precies weet ik niet meer. Zon 20 keer misschien.
7. De door verdachte ter zitting van 30 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat er drie telefoons bij mij zijn aangetroffen. Op één van die telefoons kwamen drugs gerelateerde berichten binnen. Via het account “ [bijnaam] ” op die telefoon had ik contact met klanten. Daarna bezorgde ik de drugs bij de klanten.
Het klopt dat ik op 20 januari 2023 het bericht heb verstuurd dat ik ben aangehouden.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Rechtmatige bewaring telefoons
Artikel 7 lid 4 Politiewet 2012 geeft een politieambtenaar de bevoegdheid een te vervoeren persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen, alsmede daartoe de voorwerpen te onderzoeken die de betrokkene bij zich draagt of met zich mee voert. Artikel 20 lid 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren geeft de bevoegdheid om voorwerpen die bij voornoemd onderzoek worden aangetroffen in bewaring te nemen, indien deze voorwerpen een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte aanvankelijk is aangehouden ter zake van een verdenking van rijden onder invloed. Voorafgaand aan het vervoer naar het politiebureau is verdachte onderzocht aan zijn kleding, waarbij onder meer drie telefoons zijn aangetroffen. Vervolgens heeft de politieambtenaar de eigendommen van verdachte onder zich gehouden ten tijde van het vervoer en het verhoor van verdachte. De eigendommen lagen tijdens het verhoor op het bureau van een van de verbalisanten, in de ruimte waar het verhoor plaatsvond. Tijdens het verhoor ging een van de telefoons meerdere keren af en lichtte het beeldscherm op. Een bericht op het beeldscherm gaf de aanleiding tot de verdenking van handel in drugs, waarna desbetreffende telefoon in beslag werd genomen in de zin van artikel 94 Sv. Pas na de inbeslagname is de inhoud van de telefoon onderzocht.
De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten bevoegd waren tot het onderzoek aan de kleding van verdachte, immers vond dit onderzoek plaats voorafgaand aan het vervoer van verdachte naar het politiebureau. De verbalisanten waren eveneens bevoegd tot bewaring van de aangetroffen eigendommen, waaronder de telefoons. In dat verband merkt de rechtbank op dat telefoons indirect voor onrust of onveiligheid kunnen zorgen, omdat derden gemobiliseerd kunnen worden. Daarnaast kan een telefoon als slagwapen gebruikt worden.
Gedurende de fase van de bewaring van de telefoons hebben verbalisanten geen informatie uit de telefoons gehaald. Er verscheen in die fase een leesbaar bericht in het beeldscherm van één van de telefoons waardoor de verdenking ontstond dat verdachte zich bezig hield met het dealen van verdovende middelen. Daarna zijn de telefoons in beslag genomen en heeft er later in die fase verder onderzoek plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake, zodat bewijsuitsluiting van de bewijsmiddelen, zoals verzocht door de raadsman, niet aan de orde is.
Fotoconfrontatie en herkenningen
De rechtbank stelt voorop dat bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie behoedzaamheid is geboden. De enkele omstandigheid dat een herkenning op die wijze heeft plaatsgevonden leidt er echter niet zonder meer toe dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Een dergelijke herkenning kan als ondersteuning van het reeds aanwezige bewijs dienen.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] acht de rechtbank relevant dat beide getuigen hebben verklaard dat zij alleen drugs bij verdachte bestelden en niet bij andere dealers. Daarnaast hebben zij allebei tientallen keren bij verdachte besteld. De herkenning is dus gebaseerd op herhaaldelijke ontmoetingen, telkens met dezelfde dealer. Tot slot staan de herkenningen niet op zichzelf maar zijn deze ingebed in het bewijs, doordat ze aansluiten bij objectieve bevindingen in het dossier. In dat verband wijst de rechtbank op de omstandigheid dat de dealtelefoon bij verdachte is aangetroffen, maar ook de omstandigheden zoals genoemd in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 34 e.v. van het dossier en het Whatsapp-gesprek waarin een afnemer [verdachte] ?, de voornaam van verdachte, stuurt naar het Whatsapp-account dat actief was op de dealtelefoon.
De rechtbank verwerpt derhalve het verweer dat de herkenning van verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontaties onbetrouwbaar zouden zijn en acht de resultaten daarvan, mede in samenhang met het overige bewijs, voldoende betrouwbaar om bij te dragen aan het bewijs tegen verdachte.
Pleegperiode
Gelet op de inhoud van voornoemde gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij pas vanaf 27 juni 2022 en maximaal drie tot vijf keer cocaïne heeft verkocht, niet aannemelijk. De rechtbank acht dan ook de gehele ten laste gelegde pleegperiode bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij, omstreeks de periode van 19 februari 2022 tot en met 20 januari 2023, in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk, heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het feit wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de door hem bepleite kortere pleegperiode en het feit dat verdachte veel te verliezen heeft als hij gedetineerd raakt. De raadsman heeft daarom verzocht aan te sluiten bij de vordering van de officier van justitie, zodat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende 11 maanden meermalen schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Daarmee heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van het gebruik van verdovende middelen, terwijl
algemeen bekend is dat harddrugs -zoals cocaïne- zeer schadelijk zijn voor de gezondheid en ook erg verslavend zijn. Verder heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Verdachte heeft bij de politie ontkend en ook ter zitting geen volledige openheid van zaken gegeven. Hij heeft niet willen verklaren over anderen en heeft geprobeerd zijn rol zo klein mogelijk te maken. Zo heeft hij verklaard dat hij slechts vier a vijf keer voor een voor justitie onbekende ander cocaïne heeft rondgebracht, in ruil voor hetzelfde middel, om in zijn verslaving te kunnen voorzien. Zoals onder de bewijsmotivering beschreven, acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk. De rechtbank hecht wel geloof aan de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het plegen van de feiten in een slechte periode van zijn leven zat en dat het nu veel beter gaat met verdachte.
De reclassering heeft geen onderzoek gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, maar verdachte heeft ter zitting wel het een en ander over zijn leven verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het feit verslaafd was aan cocaïne, geen vaste woon- of verblijfplaats had en schulden had. Inmiddels is hij twee jaren samen met zijn huidige partner, met wie hij in juli een kindje verwacht. Zij heeft hem geholpen op het rechte pad te komen. Verdachte heeft afstand gedaan van verkeerde vrienden en gebruikt geen alcohol en drugs meer. Hij heeft een eigen bedrijf in de bouw, waarvan verdachte kan rondkomen. Zijn werk is flexibel, zodat het verrichten van een taakstraf mogelijk is. Verdachte heeft verklaard dat wanneer aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, hij het voorgaande allemaal kwijtraakt.
Opvallend aan de justitiële documentatie van verdachte is dat hij in 2019 in Noorwegen is veroordeeld in verband met drugsfeiten tot een gevangenisstraf van drieënhalf jaar. Nederland heeft deze straf overgenomen. De voorwaardelijke invrijheidstelling is begonnen in maart 2021 en geëindigd in mei 2022. De rechtbank acht bewezen dat verdachte is begonnen met de drugshandel in februari 2022. Dit betekent dat verdachte zelfs tijdens het toezicht en de begeleiding van de voorwaardelijke invrijheidstelling is gerecidiveerd. De rechtbank houdt daarmee in strafverzwarende zin rekening.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de ouderdom van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn. Dat de inhoudelijke behandeling en einduitspraak zolang op zich hebben laten wachten, is maar voor een klein deel te wijten aan het verrichten van door de verdediging verzochte onderzoekswensen. De grootste vertraging is opgelopen door toedoen van het openbaar ministerie. In juli 2023 heeft de politie het einddossier verzonden naar het openbaar ministerie. Pas twee jaren later heeft het openbaar ministerie door het uitbrengen van een dagvaarding de zaak aangekondigd. Dit is veel te laat en niet aan de verdediging te wijten.
Tot slot heeft de rechtbank acht gelagen op de LOVS oriëntatiepunten. Deze schrijven voor dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat, gedurende 6 tot 12 maanden met enige regelmaat, een gevangenisstraf van twaalf maanden onvoorwaardelijk voor. De rechtbank komt in verdachte zijn geval tot een bewezenverklaring van een pleegperiode van elf maanden.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de flinke overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte, maken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer passend is. Wel is de rechtbank gelet op de ernst van het feit en de recidive van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uren, moet volgen. Als stok achter de deur, maar ook om de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank een
voorwaardelijke gevangenisstraf op. De duur van twaalf maanden, zoals gevorderd door de officier van justitie, vindt de rechtbank gezien de flinke overschrijding van de redelijke termijn, niet passend. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden op, met een proeftijd van twee jaren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. M.M. Spooren en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2026.