ECLI:NL:RBNNE:2026:1805

ECLI:NL:RBNNE:2026:1805

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer 26/1206
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Voorlopige voorziening geen spoedeisend belang

Uitspraak

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.

De inspecteur heeft aan verzoekster met dagtekening 24 januari 2026 over 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.437. Het te betalen bedrag inclusief belastingrente is € 1.629.

De inspecteur heeft aan verzoekster met dagtekening 24 januari 2026 over 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.437. Het te betalen bedrag inclusief belastingrente is € 2.052.

De inspecteur heeft aan verzoekster met dagtekening 24 januari 2026 over 2022 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.312. Het te betalen bedrag inclusief belastingrente is € 67.

De inspecteur heeft aan verzoekster met dagtekening 30 januari 2026 over 2023 een (definitieve) aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.017. Het te betalen bedrag inclusief belastingrente is € 637.

Verzoekster heeft tegen hiervoor vermelde navorderingsaanslagen IB/PVV 2020, 2021 en 2022 en de aanslag IB/PVV 2023 bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft op 9 april 2026 inzake de hiervoor vermelde navorderingsaanslagen IB/PVV 2020, 2021 en 2022 en de aanslag IB/PVV 2023 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarbij heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de openstaande aanslagen kwijt te schelden of aanzienlijk te verminderen, de invordering van de aanslagen tijdelijk op te schorten en de aanslagen te herbeoordelen.

De inspecteur heeft bij brief van 8 mei 2026 de voorzieningenrechter desgevraagd geïnformeerd over de bezwaarprocedures.

De inspecteur heeft daarbij meegedeeld dat hij inzake de drie navorderingsaanslagen IB/PVV (over de jaren 2020, 2021 en 2022) aan verzoekster een motivering van de uitspraak op bezwaar heeft gestuurd, die luidt dat de navorderingsaanslagen zullen komen te vervallen.

Inzake de aanslag IB/PVV 2023 heeft de inspecteur meegedeeld dat hij verzoekster in de week van 11 mei 2026 een vooraankondiging van zijn uitspraak op bezwaar zal sturen, waarin hij beslist dat het bezwaar zal worden afgewezen.

De inspecteur heeft ten slotte meegedeeld dat voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2020 en 2021 en de aanslag IB/PVV 2023 uitstel van betaling is verleend en dat de invorderingsmaatregelen voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 zijn opgeschort.

De voorzieningenrechter heeft verzoekster gevraagd om de spoedeisendheid van haar verzoek nader te onderbouwen. Op deze brief heeft verzoekster op 11 mei 2026 gereageerd.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt of er aanleiding is de verzochte voorlopige voorziening te treffen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft verzoekster een spoedeisend belang?

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, lid 1, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In haar toelichting van 11 mei 2026 schrijft verzoekster het volgende ten aanzien van de spoedeisendheid:

“Hoewel voor sommige aanslagen uitstel van betaling is verleend, betekent dit niet dat de problemen of de spoed zijn verdwenen. Het spoedeisend belang bestaat voor mij niet alleen uit directe invordering, maar ook uit de voortdurende financiële en juridische onzekerheid, de psychische druk, de angst voor nieuwe terugvorderingen en de ernstige gevolgen voor mijn gezondheid.”

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster kennelijk geen spoedeisend belang heeft en overweegt daartoe als volgt.

6. Inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV 2020, 2021 en 2022 en de aanslag IB/PVV 2023 is uitstel van betaling verleend, dan wel zijn de invorderingsmaatregelen opgeschort (1.7.3.). De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit punt geen sprake is van spoedeisend belang. Het is begrijpelijk dat verzoekster druk ervaart van de voortdurende onzekerheid en dat dit invloed heeft op haar gezondheid, maar dat levert geen spoedeisend belang op.

7. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoekster wat betreft het snel afhandelen van de bezwaarprocedures en het wegnemen van onzekerheid een belang kan hebben, maar dat dit geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat er momenteel geen betalingsverplichtingen zijn en dat de bezwaarprocedures zich inmiddels in de afrondende fase bevinden (1.7.1. en 1.7.2.). De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen onverwijlde spoed is die het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

8. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat zij ten aanzien van de verzoeken van verzoekster om kwijtschelding van belastingaanslagen en uitstel van betaling kennelijk onbevoegd is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de (fiscale) bestuursrechter onbevoegd is bij te nemen of genomen besluiten op grond van de Invorderingswet 1990 met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a van die wet.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Dit betekent dat de bezwaarprocedures kunnen worden afgerond. Wat betreft de overige verzoeken van verzoekster is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd.

10. Verzoekster heeft met een beroep op betalingsonmacht verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek toegewezen.

11. Verzoekster krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- verklaart zich ten aanzien van de verzoeken om kwijtschelding van belastingaanslagen en uitstel van betaling kennelijk onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.

Uitgesproken op 12 mei 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.J. Haanstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1041 V-N 2026/25.15.15
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand