ECLI:NL:RBNNE:2026:1813

ECLI:NL:RBNNE:2026:1813

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer 25/368 en 25/422
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Omgevingsvergunning voor het in strijd met de planregels bouwen van een woning. Geen strijd met gemeentelijk en provinciaal (woon)beleid. Het project wordt landschappelijk ingepast. Hoewel de bomen nabij de erfgrens worden geplaatst is er geen evident privaatrechtelijke belemmering. Het project is uitvoerbaar. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit Harkema, eisers 1;

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/368 en 25/422

(gemachtigde: Y. Achour),

[eiser 2a] en [eiser 2b], eisers 2, afzonderlijk aangeduid als eiser 2a resp. 2b;

(hierna allen gezamenlijk te noemen: eisers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen, het college

(gemachtigde: A.J. Pronk en M. Oudman).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit Harkema (vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma).

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een woning met een vrijstaande berging/carport aan de [straat] in Harkema. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins niet mocht worden verleend. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 24 februari 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag ziet op het bouwen van een woning met een berging/carport aan de [straat] in Harkema op twee kadastrale percelen (het project).

De gemeenteraad heeft op 21 maart 2024 een ontwerpverklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven.

Op 16 april 2024 is een ontwerpbesluit tezamen met de ontwerp-vvgb ter inzage gelegd.

Eisers 2 hebben daar een zienswijze tegen ingediend.

Op 17 oktober 2024 heeft de gemeenteraad de vvgb afgegeven.

In het bestreden besluit van 10 december 2024 is het college overgegaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’.

Eisers hebben daar beroepen tegen ingesteld.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1 en eiser 2a (eiser 2b is niet verschenen), de gemachtigden van het college en de vergunninghouder met zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals de gold vóór 2024 van toepassing.

De ter plaatse geldende planologische regimes zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Achtkarspelen’ en de ‘Beheersverordening dorpen Achtkarspelen’. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Achtkarspelen’ is aan perceelnummer 2868 de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Besloten gebied’ toegekend. Krachtens de ‘beheersverordening dorpen Achtkarspelen’ geldt voor perceel 6912 de bestemming ‘agrarische doeleinden’.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wabo is een omgevingsvergunning vereist voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’.

Daarnaast is op grond van artikel 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning vereist voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. In dit geval kan op grond van artikel 2.12, eerste lid en onder a, onderdeel 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Is het project in strijd met de Verordening Romte Fryslân en de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân?

4. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden vanwege strijd met de Verordening Romte Fryslân (Verordening Romte). Er is geen sprake van een bebouwingslint als bedoeld in artikel 1.3.1 van die Verordening. De gebouwen aan de [straat] zijn niet op geringe afstand van elkaar geplaatst. Verder stellen eisers dat geen sprake is van een uitbreidingslocatie van een kern. De woning ligt immers in het landelijk gebied.

Eisers 2 stellen bovendien dat het project onverenigbaar is met de Omgevingsvisie ‘De Romte Diele’ van de provincie Fryslân (Omgevingsvisie). Uit die visie volgt volgens eisers 2 dat bestaande bebouwing moet worden opgeknapt of hergebruikt en dat nieuwe bebouwing alleen in de bebouwde kom kan worden gerealiseerd. Nieuwbouw in het buitengebied is daarom onverenigbaar met de Omgevingsvisie.

Het college betoogt dat het project niet in strijd is met de Verordening Romte. Volgens het college moet het project gezien worden als een nieuwe stedelijke functie die aansluit bij het bestaande bebouwingslint aan de [straat] .

Ook is er volgens het college geen strijd met de Omgevingsvisie. Daartoe stelt het college allereerst dat deze geen directe werking heeft. Verder sluit het project aan op het stedelijk gebied en wordt deze mogelijkheid in de Omgevingsvisie niet uitgesloten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de Verordening Romte en de Omgevingsvisie niet in de weg stonden om de gevraagde vergunning te verlenen. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de Verordening Romte is vastgesteld krachtens artikel 4.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel bepaalt dat aan het provinciaal bestuur met het oog op provinciale belangen de bevoegdheid is toegekend om algemene of specifieke eisen te stellen aan ruimtelijke besluiten van gemeenten.

De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 1.3.1 van de Verordening Romte op het bestreden besluit van toepassing was. Het artikel geldt voor ruimtelijke plannen voor het landelijk gebied. Onder een ruimtelijk plan moet gelet op de begripsbepaling bij de verordening – onder andere – een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid jo. artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3º, van de Wabo worden verstaan. Niet in geschil is dat de percelen waar het project op ziet zijn gelegen in het landelijk gebied.

Uit artikel 1.1.1, eerste en tweede lid, van de Verordening Romte volgt dat aansluitend op bestaand stedelijk (bebouwd) gebied een uitbreidingslocatie kan worden toegestaan. Daarvan is sprake, mede gelet op de begripsbepalingen bij de Verordening Romte. Een uitbreidingslocatie is een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van een kern, ten behoeve van stedelijke functies. Dat het gaat om een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van de kern Harkema, volgt uit de kaart bestaand stedelijk gebied, die deel uitmaakt van de verordening. Een woning is gelet op de begripsbepaling een stedelijke functie.

Daar komt bij dat het project aansluit op het bestaand bebouwingslint van de [straat] als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Verordening Romte. Gelet op de ligging van de percelen van het project ten opzichte van de bestaande percelen aan de [straat] en de onderlinge afstand van de aldaar gelegen woningen kan op het bestaande bebouwingslint worden aangesloten. Gelet daarop concludeert de rechtbank dat het project leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van het bebouwingslint. Gelet op de door het college verplicht gestelde landschappelijke inpassing doet het project daarmee ook geen afbreuk aan landschappelijke en historische kernkwaliteiten.

De rechtbank concludeert daarom dat het project niet in strijd is met de regels uit de Verordening Romte.

Met betrekking tot de Omgevingsvisie volgt uit vaste rechtspraak dat het college bij de beoordeling of de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, niet gebonden is aan provinciaal beleid. Dat beleid dient alleen in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken. Hoewel uit de Omgevingsvisie volgt dat benutting van bestaande locaties in het bebouwd gebied in beleidsmatig opzicht de voorkeur heeft, kan uit die Omgevingsvisie verder niet worden afgeleid dat een ontwikkeling in het buitengebied daarin wordt uitgesloten. Daar komt bij dat uit de Omgevingsvisie valt af te leiden dat een uitbreiding van het bestaand bebouwde gebied wel degelijk mogelijk is. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat het project met de Omgevingsvisie in strijd is of dat het college daar in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende rekening mee heeft gehouden.

Is het project in strijd met het gemeentelijk woonbeleid?

5. Eisers 2 betogen dat de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet onderkent dat het project onverenigbaar is met het Woningbouwprogramma 2021 en de Woonvisie Achtkarspelen. Het project is niet in het Woningbouwprogramma 2021 opgenomen, terwijl dat wel als zodanig in de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld. Uit de Woonvisie Achtkarspelen leiden eisers 2 af dat het project niet in lijn is met de daarin opgenomen speerpunten voor het dorp Harkema. Daarin staat dat woningbouw op uitbreidingslocaties moet worden voorkomen. Ook is de woning niet levensloopbestendig en ten onrechte als zodanig aangemerkt.

Het college betoogt dat het project niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Uit het Woningbouwprogramma 2021 volgt dat er voldoende vraag is naar woningen. Hoewel de locatie van het project daar niet in is opgenomen, is er ruimte voor 87 nieuwe woningen. Ook is er geen strijd met de Woonvisie Achtkarspelen. Dat daaruit volgt dat inbreiding de voorkeur heeft boven uitbreiding van het bestaand bebouwde gebied betekent niet dat het project niet gerealiseerd mag worden.

Deze grond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd met het gemeentelijk woonbeleid is genomen.

Uit vaste rechtspraak volgt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo als uitgangspunt geldt dat het college daarbij rekening dient te houden met zijn beleid. De rechtbank stelt verder vast dat zowel het Woningbouwprogramma 2021 als de Woonvisie Achtkarspelen niet uitsluiten dat een woning buiten het bestaand bebouwde gebied mag worden gerealiseerd. Daarnaast is gebleken dat de provincie Fryslân in het Woningbouwprogramma 2021 de gemeente Achtkarspelen ruimte heeft geboden om woningbouw buiten het bestaand bebouwde gebied te realiseren. Gelet daarop is het project in zoverre daarmee niet in strijd en kan dit evenmin tot het oordeel leiden dat die strijdigheid in de ruimtelijke onderbouwing niet is onderkend.

Hoewel in de Woonvisie Achtkarspelen een appartement wordt genoemd als ideaaltype levensloopbestendige woning betekent dit niet dat de woning waar het project in voorziet geen levensloopbestendige woning is. De rechtbank constateert dat de woning gezien kan worden als een levensloopbestendige woning in de zin van de Woonvisie Achtkarspelen. Het staat vast dat bij de woning waar het project op ziet sprake is van sanitair en woon- en slaapvoorzieningen op de begane grond. Ook gelet daarop komt de rechtbank tot de conclusie dat het project niet in strijd is met het gemeentelijk woonbeleid.

Landschappelijke inpassing

6. Eisers 1 zijn van mening dat het project in ruimtelijk opzicht niet past in de omgeving. Nu het project voorziet in een woning in het buitengebied, gaat het open karakter van het coulisselandschap verloren. Ook is er geen sprake van een bebouwingslint aan de [straat] . Verder stellen eisers dat het college niet wilde meewerken aan een plan om een woning aan [andere straat] te realiseren. Eiser 2b heeft daarvoor in het verleden een principeverzoek ingediend. Daarom is het tegenstrijdig dat aan dit project wel medewerking wordt verleend.

Eisers 2 betogen verder dat het inpassingsplan niet uitvoerbaar is vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. De elzensingel moet volgens het inpassingsplan op de erfgrens met het perceel van eiser 2a worden gerealiseerd. Eiser 2a geeft geen toestemming om bomen binnen de erfgrens van twee meter te plaatsen. Het inpassingsplan is daarom in strijd met artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het college stelt zich op het standpunt dat het project een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Daarin is een landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Dit maakt dat de woning landschappelijk wordt ingepast. Het oude plan om een woning aan de [andere straat] te realiseren betreft in de ogen van het college een andere situatie dan het project. Dat plan voorzag in een woning aan de noordzijde van de [straat] . In tegenstelling tot het project is daar geen bestaand bebouwingslint aanwezig. Gelet daarop kon bij dat plan niet bij een bestaand bebouwingslint worden aangesloten.

Verder is geen sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering. De elzensingel hoeft niet op de erfgrens te worden gerealiseerd maar kan ook uit de erfgrens worden gerealiseerd.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het project in ruimtelijk opzicht zowel ziet op een woning in het landelijk gebied die aansluit op het bestaande bebouwingslint aan de [straat] als op een uitbreiding aansluitend op het bestaand bebouwde gebied. Hoewel uit de ruimtelijke onderbouwing voor de rechtbank volgt dat die begrippen door elkaar heen worden gebruikt, kan de rechtbank de redenering volgen dat het project door die exacte ligging daar tussenin ruimtelijk inpasbaar is. Er is daarmee geen sprake van een onaanvaardbare verdichting door de bouw van de woning en bovendien blijft het groene karakter van de omgeving voldoende behouden. Gebleken is dat met het inpassingsplan zogenaamde ‘groene kamers’ worden gerealiseerd, waarmee de percelen waar het project op ziet als het ware worden gemarkeerd en waarmee wordt aangesloten op het bestaande coulisselandschap. Gelet daarop, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat en dat het project landschappelijk kan worden ingepast.

De rechtbank kan het college ook volgen in het betoog dat het project, in tegenstelling tot het principeverzoek voor [andere straat] , in ruimtelijk opzicht passend is. In dat licht is op zitting besproken dat aan de noordzijde van de [straat] geen bebouwingslint aanwezig is. Bovendien maakt dat aan de [andere straat] wel bebouwing aanwezig is waarbij zou kunnen worden aangesloten dat niet anders. De situering van die bebouwing richt zich immers op de [andere straat] en niet op de [straat] . Vooral ook omdat, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, het project gelet op de ligging ook gezien kan worden als uitbreiding van het bestaand bebouwde gebied. Daarnaast is voor [andere straat] slechts sprake van een ingediend principeverzoek, terwijl voor het project een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend die hier ter toetsing voor ligt.

Ten aanzien van de plaats van de elzensingel overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak volgt dat een privaatrechtelijke belemmering evident is indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander de toestemming niet geeft en niet hoeft te geven. Ter zitting is besproken dat het mogelijk is om de elzensingel twee meter uit de erfgrens te realiseren. Gelet op de totale grootte van de percelen waar het project op ziet is dit ook praktisch uitvoerbaar. Gelet daarop leidt dit tot de conclusie dat zich geen strijd met artikel 5:42 BW voordoet en dat daarmee geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

[straat] ; toename verkeer

7. Eisers 2 stellen dat door het project het verkeer op de [straat] toeneemt. Dit zorgt voor onevenredige verkeersproblemen, omdat tegemoetkomend verkeer elkaar niet kan kruisen.

Het college betoogt dat de verleende vergunning voor het project geen onaanvaardbare problemen voor verkeer met zich meebrengt.

Met het college is de rechtbank van oordeel dat de verleende omgevingsvergunning voor het project geen onevenredige gevolgen voor het verkeer teweegbrengt. De rechtbank constateert dat het bestaand aantal verkeersbewegingen op de [straat] zeer beperkt is. Daarover is besproken dat de [straat] een doodlopende zandweg is voor bestemmingsverkeer en - vóór vergunningverlening van dit project - voor in totaal drie woningen verspreid over circa 700 meter. Hoewel door het project het verkeer op de [straat] daarmee in zoverre zal toenemen, blijft het totaal aantal verkeersstromen beperkt. Bovendien constateert de rechtbank dat de verkeersstromen die met het project gemoeid zijn alleen gevolgen hebben voor het begindeel van de [straat] . De percelen waar het project op ziet liggen aan het begin van de [straat] . Daarmee heeft het project enkel gevolgen voor een deel van het totale verkeer op de [straat] . De rechtbank concludeert daarom dat met het project geen onevenredige gevolgen voor het verkeer vallen te verwachten.

Water

8. In hun beroepschrift zetten eisers 2 uiteen dat het project onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding op de percelen zal veroorzaken. Het water kan niet goed worden afgevoerd. Daarom staan de percelen regelmatig blank met waterplassen. Ook op de [straat] kan het water niet goed wegkomen. Omdat de percelen waar het project op ziet zullen worden opgehoogd zal eiser 2a meer waterhinder gaan ervaren. Daarom heeft ten onrechte geen overleg met Wetterskip Fryslân plaatsgevonden.

Het college stelt dat vergunninghouder de watertoets heeft doorlopen. Omdat het totaal aan te brengen verhardingen in totaal 300 m² bedraagt hoeven er geen compenserende maatregelen te worden genomen.

De rechtbank is van oordeel dat het onderwerp water de vergunningverlening niet in de weg staat.

Gebleken is dat de vergunninghouder de watertoets heeft doorlopen en dat voor het aantal aan te brengen oppervlakteverhardingen geen compenserende maatregelen hoeven te worden getroffen. Dit volgt voor de rechtbank uit de ruimtelijke onderbouwing. Daar komt bij dat de rechtbank vaststelt dat de gestelde wateroverlast reeds aanwezig is. Op zitting is besproken dat de oorzaak van het gestelde waterprobleem niet in het project is gelegen. Bovendien is niet gebleken dat het project het waterprobleem zal verergeren. Vergunninghouder heeft daarover ter zitting toegelicht dat hij de wateroverlast wil helpen tegengaan door tussen de perceelgrens van eiser 2a en de te planten elzensingel een sloot te graven die op de reeds aanwezige sloten zal worden aangesloten. Daarbij is nog relevant dat uit het inpassingsplan volgt dat ook aan de voorkant parallel met de [andere straat] sloten worden gegraven ter bevordering van de afwatering. Het betoog slaagt daarom niet.

[straat] geen openbare weg; Bouwbesluit:

9. De omgevingsvergunning had volgens eisers 2 wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, onder a, Wabo geweigerd moeten worden. Eisers stellen daartoe dat de [straat] geen openbare weg is. Dit klemt met artikel 6.37 van het Bouwbesluit, omdat vanaf een bouwperceel een verbindingsweg naar de openbare weg aanwezig moet zijn voor hulpverleningsdiensten. Nu de [straat] geen openbare weg is, maakt dit dat de percelen van het project daarom onvoldoende toegankelijk zijn voor hulpdiensten.

Het college betoogt dat de [straat] een openbare weg is. De [straat] staat op de wegenleggers van 1943 en 1976 van de gemeente Achtkarspelen opgenomen. Het perceel is daarom voldoende toegankelijk.

Voordat de rechtbank de beroepsgrond inhoudelijk beoordeelt, zal de rechtbank in het kader van het relativiteitsvereiste als bedoeld in 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toetsen of het Bouwbesluit strekt tot bescherming van de belangen van eisers 2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 6.37 van het Bouwbesluit voorschriften bevat ten behoeve van de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken waarin personen kunnen verblijven voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Nu eisers 2 stellen dat de percelen van vergunninghouder voor brandweer en hulpdiensten onbereikbaar zijn en zij daarmee een beroep doen op belangen die niet strekken tot bescherming van hun belangen, staat het relativiteitsvereiste er aan in de weg dat het betoog kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank zal de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.

Welstand

10. Tot slot betogen eisers 2 dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden, omdat niet wordt voldaan aan artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo. Eisers 2 stellen zich op het standpunt dat het uiterlijk van het project niet voldoet aan de Welstandsnota ‘Ontwerpprincipes voor het bouwen in Achtkarspelen’ (Welstandsnota). De gevel van de woning van het project wordt niet met traditioneel schoon schoonmetselwerk opgemaakt. Ook de grootte van de woning en de kleur voldoen niet aan de Welstandsnota.

Verder betogen zij dat er geen sprake is van een beoordeling van een onafhankelijke welstandscommissie. De wethouder van de gemeente Achtkarspelen is bestuurslid bij Hûs en Hiem. Daarmee is de onafhankelijkheid van de welstandscommissie die het uiterlijk van het project beoordeeld heeft ook in het geding. Daar komt nog bij dat er altijd vertegenwoordigers van diverse gemeenten bij overleggen van Hûs en Hiem betrokken zijn.

Het college betoogt dat het uiterlijk van het project aan de onafhankelijke welstandscommissie ter beoordeling is voorgelegd. De welstandscommissie heeft beoordeeld dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De Welstandsnota sluit verder het gebruik van hout als materiaal voor de opmaak niet uit.

Ook is de wethouder niet betrokken geweest bij de welstandsbeoordeling, waarmee sprake is van een onafhankelijk welstandsadvies.

De rechtbank is van oordeel dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De rechtbank legt dat hierna uit.

De rechtbank stelt vast dat in Achtkarspelen vooroverleg een belangrijke rol speelt bij de vaststelling van het uiterlijk van een bouwwerk. Uit de Welstandsnota volgt dat de daarin beschreven principes worden gebruikt als richtnorm over hoe het uiterlijk van het te bouwen bouwwerk zich verhoudt tot de omgeving. Beschreven staat verder dat dit tot uiting komt in een plan waar vooroverleg voor kan worden aangevraagd en dit vervolgens kan worden uitgewerkt. Nadat een positief advies is afgegeven, kan het plan worden voorgelegd aan het college. Dit volgt uit 1.4 van de Welstandsnota.

De rechtbank stelt verder vast dat de Welstandsnota het gebruik van materialen en kleuren niet dwingend voorschrift. Hoewel uit de gebiedsgerichte principes die gelden voor het buitengebied Achtkarspelen volgt dat traditioneel metselwerk als materiaal voor opmaak wordt genoemd, sluit dit niet dat, zoals de rechtbank zojuist heeft overwogen, vooroverleg kan leiden tot andere (materiaal)keuzes. Gelet daarop kan strijd met de Welstandsnota niet worden aangenomen.

Daar komt verder nog bij dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college doorslaggevende betekenis mag toekennen aan een welstandsadvies. Het staat vast dat Hûs en Hiem een positief welstandsadvies voor het project heeft afgegeven. Gelet daarop mocht het college er vanuit gaan dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het betoog slaagt niet.

De rechtbank volgt eisers 2 evenmin in hun betoog dat de welstandscommissie niet onafhankelijk is. Hûs en Hiem is een zogeheten ‘openbaar lichaam’, dat door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in Fryslân is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De rechtbank stelt vast dat uit de Wgr dwingend voortvloeit dat de wethouder van Achtkarspelen betrokken is bij het algemeen bestuur van Hûs en Hiem. Dat volgt uit artikel 13, zesde lid, van de Wgr en is uitgewerkt in artikel 8, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling ‘hûs en hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg’ (de regeling). Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam moet worden onderscheiden van de welstandscommissies. De welstandcommissies worden krachtens artikel 22, eerste lid, van de regeling ingesteld door het algemeen bestuur. Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de regeling worden de leden van de adviescommissies benoemd door de gemeenteraden. Gelet op het voorgaande kan uit de omstandigheid dat de wethouder lid is van het algemeen bestuur, niet worden geconcludeerd dat het advies van de welstandscommissie niet onafhankelijk is.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning voor het project in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

Artikel 4.1

1. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie.

(…)

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordeningof een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…)

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2&g=2023-04-19&z=2026-04-01) of 120 van de Woningwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120&g=2023-04-19&z=2026-04-01);

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=12a&g=2026-03-09&z=2026-03-09), tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

(…)

3º. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)

Woningwet

Artikel 12b

1. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester baseert haar onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a (https://www.inview.nl/openCitation/id19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), doch betrekt daarbij, indien van toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid (https://www.inview.nl/openCitation/id25960ef3bb36faff271d48758aa53a3e). De adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.

(…)

Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr)

Artikel 13

(…)

6. Het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die uitsluitend is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen. Het tweede tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

(…)

Burgerlijk wetboek (BW)

Artikel 5:42

1. Het is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is.

(…)

Bouwbesluit

Artikel 6.37

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

Verordening Romte Fryslân

Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

bebouwingslint: een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het landelijk gebied met geringe afstanden tussen de bouwkavels.

bestaand stedelijk gebied: het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing, waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een kern bevat, zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied, of zoals sinds 1 januari 2010 opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies, met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.

overige kern: een overige bestaande kern als bedoeld in de provinciale structuurvisie, geen stedelijk of regionaal centrum zijnde, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen.

kern: een overige kern, een regionaal centrum, een stedelijk centrum of een bedrijfsconcentratiekern.

landelijk gebied: het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied.

ruimtelijk plan:

(…)

een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid juncto artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

stedelijke functies: functies die gekoppeld zijn aan het functioneren van kernen (dorpen en steden), waaronder worden verstaan woningen, functioneel niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijven, zakelijke en commerciële dienstverlening, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen en sportvoorzieningen, met bijbehorend stedelijk water en groen en bijbehorende infrastructuur en nutsvoorzieningen, daaronder niet begrepen windturbines of opstellingen voor zonne-energie.

uitbreidingslocatie

uitbreidingslocatie: een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van een kern ten behoeve van nieuwe stedelijke functies.

Artikel 1.1.1

Artikel 1.3.1

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan een nieuwe stedelijke functie in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a. de nieuwe stedelijke functie leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster en doet geen afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten;

(…)

Gemeenschappelijke regeling ‘hûs en hiem, adviseurs omgevingskwaliteit’

Artikel 8

(…)

Artikel 22

Artikel 23

De commissies genoemd in artikel 22 fungeren ten behoeve van de gemeenten als onafhankelijke commissies (van deskundigen) ingevolge artikel 1 van de Woningwet en artikel 15, lid 1 van de Monumentenwet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand