ECLI:NL:RBNNE:2026:1852

ECLI:NL:RBNNE:2026:1852

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 18-226721-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetaanranding en opzetverkrachting. Gevangenisstraf 30 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-226721-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Aytemur, advocaat te Amsterdam.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 augustus 2025, te Groningen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten

-die [slachtoffer 1] in haar nek heeft gelikt, en/of

-die [slachtoffer 1] heeft gezoend met zijn, verdachtes, tong, en/of

-haar (blote) borst(en) heeft vastgepakt en/of aangeraakt, en/of

-het kruis van die [slachtoffer 1] heeft geprobeerd aan te raken, en/of

-heeft geprobeerd zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te steken

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke poging opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging,

-bij die [slachtoffer 1] de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] heeft opengeduwd toen die [slachtoffer 1] de deur probeerde te sluiten, en/of

-die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt, en/of

-die [slachtoffer 1] tegen de trap heeft geduwd

-meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] en/of een bedreigende situatie voor die [slachtoffer 1] heeft doen ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 augustus 2025, te Groningen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

-het likken van de nek van die [slachtoffer 1] , en/of

-het zoenen van de mond en/of het gezicht van die [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes tong, en/of

-het vastpakken en/of aanraken van de (blote) borst(en) van die [slachtoffer 1] , en/of

-het proberen aan te raken van het kruis van die [slachtoffer 1] , en/of

-het proberen zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te steken terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

-de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] open te duwen nadat die [slachtoffer 1] die voordeur probeerde te sluiten, en/of

-die [slachtoffer 1] vast te pakken, en/of

-die [slachtoffer 1] tegen de trap te duwen

-meermalen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] en/of (aldus) een bedreigende situatie voor die [slachtoffer 1] te doen ontstaan.

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2025, te Groningen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

-het uitkleden van die [slachtoffer 2] , en/of

-het aftrekken van zijn, verdachtes, penis terwijl hij, verdachte, achter die [slachtoffer 2] lag, en/of

-het kussen van die [slachtoffer 2] op de mond en/of hals en/of wang, en/of

-het knijpen en/of likken van de borst(en) van die [slachtoffer 2] , en/of

-het wrijven over de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

-het steken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

-het steken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 2] , en/of

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 augustus 2025 te Groningen met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

-het uitkleden van die [slachtoffer 2] , en/of

-het aftrekken van zijn, verdachtes, penis terwijl hij, verdachte, achter die [slachtoffer 2] lag, en/of

-het kussen van die [slachtoffer 2] op de mond en/of hals en/of wang, en/of

-het knijpen en/of likken van de borst(en) van die [slachtoffer 2] , en/of

-het wrijven over de vagina van die [slachtoffer 2] , en/of

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2 primair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat de handelingen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie hadden, die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte uitgesloten moeten worden van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de rapporten van de reclassering en uit het TC-rapport blijkt dat bij verdachte mogelijk sprake is van ontwikkelingsproblematiek zoals een lichte verstandelijke beperking of een autismespectrumstoornis. Uit de verhoren blijkt ook dat hij niet in staat was om helder na te denken en de aan hem gestelde vragen goed te begrijpen. Voorgaande

heeft geresulteerd in tegenstrijdige verklaringen van zijn kant. Gelet op al deze omstandigheden had verdachte als kwetsbare verdachte gehoord moeten worden, met de daarbij behorende waarborgen. Nu dat niet is gebeurd dienen zijn verhoren uitgesloten te worden van het bewijs.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, gelet op zijn ontkennende verklaring. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en van aangeefster uiteen lopen. Hetgeen aangeefster in haar aangifte naar voren brengt, vindt niet de vereiste steun in andere bewijsmiddelen. De knuffel en zoen die verdachte heeft gegeven, waren geheel wederzijds en verdere handelingen hebben niet plaatsgevonden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ook dit feit geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Er zijn geen getuigen die iets hebben waargenomen. Er is weliswaar speeksel van verdachte op de borsten van aangeefster aangetroffen, maar dit kan op verschillende manieren via de handen van verdachte daar terecht gekomen zijn, nu verdachte haar meerdere keren heeft moeten vasthouden en tillen en ook haar jurk heeft helpen dichtknopen ter hoogte van de borsten. Voorgaande is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van verkrachting.

Oordeel van de rechtbank

Verweer tot bewijsuitsluiting

De rechtbank stelt voorop dat ten tijde van de eerste twee verhoren geen reden was om aan te nemen dat sprake was van een mogelijk kwetsbare verdachte. Dat vermoeden is in het stadium van het traject consult uitgesproken, maar is nimmer vast komen staan. Bovendien is verdachte conform het bepaalde in artikel 28b en 28c Sv ten tijde van de verhoren bijgestaan door een raadsman en een tolk in de taal van zijn keuze. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten.

De rechtbank ziet daarom geen reden om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd van het bewijs uit te sluiten.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 7 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat aangeefster heeft geschreeuwd en dat ze mij heeft geschopt en geduwd. Het klopt ook dat wij hebben gekust en geknuffeld bij de voordeur.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 augustus 2025, opgenomen op pagina 215 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025272837 d.d. 29 oktober 2025, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: Ik vertelde jou dat aangeefster is gezoend en betast door de man die haar thuis bracht. Wat kan jij daarop zeggen?

A: Dat klopt wel

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was op stap geweest in Groningen en liep naar huis. Ik raakte onderweg aan de praat met een jongen. Die wilde met mij meelopen en drong daar ook op aan. Toen we bij de hoofdingang van [ziekenhuis] , op [adres] aankwamen, zag ik een andere jongen staan. Ik gaf die andere jongen een blik van 'loop even mee'. Die jongen kwam bij me staan en pakte mijn arm. Die tweede jongen liep met mij mee naar mijn woning. Ik bedankte hem en wilde naar binnen gaan. Ik stond in de hal en trok de deur ook al achter mij dicht, toen voelde ik dat hij de deur weer opentrok. Ik zag dat hij ook naar binnen liep en bij mij in de hal stond. Toen pakte hij me vast. Hij begon me te zoenen en betaste me overal. Vanaf dat moment heb ik constant tegen hem gezegd: "Ik wil dit niet" en "Ga mijn huis uit" en "Ga weg!" Hij bleef gewoon doorgaan. Ik heb hem toen weggeduwd en heb hem meerdere keren geschopt tegen zijn bovenbenen. Ik heb ook veel en hard gegild. Niemand reageerde op mijn gegil. Toen hij dat doorhad ging hij toch weer gewoon door met mij betasten. Dat duurde een minuut of vijf denk ik. Ik zag toen ook dat hij zijn broek naar beneden wilde doen. Toen ik dat zag, was dat ook het moment dat ik hem in zijn kruis trapte, ook toen heb ik weer hard gegild. Ik gaf hem toen ook nog een duw en doordoor stond hij weer buiten.

V: Waar werd je je door de jongen betast?

A: Eerst bij mijn armen, daarna bij mijn borsten. Hij probeerde ook in mijn onderbroek te komen, bij mijn kruis. Ik voelde dat hij ook mijn billen aanraakte, dat was over mijn kleding. Hij raakte mijn borsten over mijn jurk aan, maar ook onder mijn jurk zat hij aan mijn linkerborst. Hij raakte mij bij mijn bovenarmen aan en bij mijn benen en mijn linkerborst. Hij heeft me ook gezoend, op mijn gezicht. Hij probeerde mij een tongzoen te geven. Ik voelde dat hij zijn tong bij mijn mond naar binnen wurmde.

V: Heeft hij ook gelikt?

A: Ja volgens mij in mijn nek.

V: Hoe ging dat in die hal?

A: Hij duwde mij als het ware tegen de trap. Ik lag ook op de trap. Ik voelde de treden in mijn rug.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 18 augustus 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Ik werd wakker. Ik hoorde iemand in het Engels schreeuwen. Woorden als 'Motherfucker en leave me alone.' Dit ging een aantal maal achter elkaar. Het was even stil en toen hoorde ik hulp geroep.

V: En daarna hulp geroep, kan je dat omschrijven?

A: Dat was een constant hulp geroep, een schreeuw om hulp om te komen helpen. Het was wel duidelijk dat er iets aan de hand was. Ik dacht, wat ik hoorde, dat het een vrouw was. Het klonk in ieder geval als pure wanhoop. Ik schrok er van. Dit was echt anders dan als er studenten aan het schreeuwen zijn. Het heeft ongeveer 5 minuten geduurd. Het was de vroege ochtend van 14 augustus 2025.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op een gegeven moment werd ik wakker, want toen kwam mijn huisgenoot in paniek mijn kamer binnen. En die gaf aan dat beneden op de trap het één en ander had plaatsgevonden. Toen heeft ze verteld wat er was gebeurd. Dat was op donderdag 14 augustus 2025. Ze was aan het huilen en duidelijk in paniek. Ze haalde snel adem. Het was overduidelijk dat er iets niet goed was. Ze vertelde mij dat iemand had geprobeerd haar te verkrachten. Ik weet dat hij heeft geprobeerd haar borsten aan te raken. Ze was paniekerig en bang, ze moest huilen, ze was echt gechoqueerd zeg maar. Toen ze binnen kwam was ze aan het hyperventileren. Ze was heel erg onrustig in haar overkomen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek naar persoon [slachtoffer 1] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Slachtoffer

Achternaam: [slachtoffer 1]

Voornamen: [slachtoffer 1]

Het volgende spoor en sporendragers werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

SIN: AAOK4261NL

Spooromschrijving: Speeksel

Plaats veiligstellen: Rechterzijde hals

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.08.26.033, d.d. 2 september 2025 opgemaakt door dr. A.J. Kal, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek AAOK4261NL#01 (rechterzijde hals - nat)

DNA-mengprofiel AAOK4261NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Gezien het voorgaande staat niet ter discussie dat verdachte aangeefster die nacht naar huis heeft gebracht en haar heeft geknuffeld en gekust. De vraag die hier met name centraal staat is of kan worden bewezen dat er meer is gebeurd. Verdachte heeft dit ontkend. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen. Om die reden moet er extra zorgvuldig naar de waardering van de afgelegde verklaringen worden gekeken, zeker als verdachte de betreffende handelingen ontkent. Het bewijs kan niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van aangeefster. De vraag die de rechtbank

moet beantwoorden is of haar verklaring betrouwbaar is en vervolgens of deze in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij is niet vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging steun vindt in meerdere bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster consistent en gedetailleerd is in haar verklaring als het gaat om de aanleiding van haar ontmoeting met verdachte, de aard van de handelingen die hij bij haar verrichtte en de volgorde waarin deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van aangeefster op cruciale punten wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] en het DNA-onderzoek. De verklaring van aangeefster vindt bovendien op concrete onderdelen steun in de verklaringen van verdachte zelf. Verdachte heeft immers ook verklaard dat aangeefster begon te schreeuwen, hem begon te schoppen en het huis uit duwde. Op de vraag waarom aangeefster dit deed, heeft verdachte geen concreet antwoord gegeven. Op wezenlijke punten komen de verklaringen van verdachte en aangeefster derhalve overeen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het dossier op essentiële onderdelen voldoende steunbewijs biedt voor de verklaring van aangeefster over de gebeurtenissen in de nacht van 14 augustus 2025, zoals het schreeuwen om hulp wat is gehoord door getuige [getuige 1] en de emotie (paniek) die getuige [getuige 2] kort na het incident bij aangeefster heeft waargenomen. De rechtbank overweegt bovendien dat de uitkomst van het DNA-onderzoek ook past bij de verklaring van aangeefster dat verdachte haar heeft gelikt in haar nek.

Vrijspraak primair ten laste gelegde poging tot opzetverkrachting

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat van een strafbare poging tot een misdrijf sprake is wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de intentie had om seksueel binnen te dringen. De rechtbank is van oordeel dat het vastpakken van de borsten, benen, de billen en het kruis niet zonder meer kan worden beschouwd als een begin van uitvoering van seksueel binnendringen. Het dossier bevat verder geen concrete aanwijzingen voor de conclusie dat het de bedoeling was verder te gaan dan het alleen willen betasten en dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam van aangeefster. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot opzetverkrachting niet wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangeefster thuisgebracht. Vervolgens heeft hij onverhoeds gehandeld door haar te belemmeren om de deur dicht te doen. Hij is de hal ingestapt en heeft haar daar hardhandig vastgepakt bij haar borsten, billen en kruis. Verdachte heeft aangeefster vervolgens tegen de trap geduwd, waardoor zij geen kant op kon. Aangeefster moest schreeuwen, schoppen en duwen om los te komen van verdachte. Gelet op deze

omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van dwang. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van vol opzet bij de verdachte. Verdachte wist dat bij aangeefster de wil tot seksueel contact ontbrak. Zij heeft immers duidelijk middels verbale en non-verbale signalen te kennen gegeven dat zij het seksuele contact niet wilde. Desondanks heeft verdachte toch besloten om door te zetten.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 7 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik zag dat [slachtoffer 2] dronken en moe was. Op een gegeven moment heb ik haar opgetild en meegenomen naar het matras in de kamer waar ik op dat moment verbleef. Ik ben naast haar gaan liggen. Ik had wel een beetje de indruk dat [slachtoffer 2] daar eigenlijk niet wilde zijn.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 augustus 2025, opgenomen op pagina 215 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025272837 d.d. 29 oktober 2025, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: Waar heb je dat meisje aangeraakt die jij hebt meegenomen naar het huis?

A: Ik heb haar aangeraakt bij haar borsten en ik heb haar gekust. Ze was slaperig. Ik weet niet of zij het heeft gevoeld.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 augustus 2025, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik was rond 24:00 uur in Groningen. Ik wilde rond 01:00 uur naar huis. Uiteindelijk ben ik naar het station Groningen gelopen. Ik voelde mij draaierig. Ik werd aangesproken door een man. Hij liep met mij mee naar een trap. Ik ben daar op de trap gaan zitten. Hij was bezig met een deur. Ik probeerde op te staan en toen tilde de man mij op. Hij tilde mij naar binnen en ik werd bang. Ik probeerde de rand van de deur vast te houden. Ik werd op een bank gelegd. Ik voelde me steeds slechter. Draaierig en misselijk. Ik weet niet precies waar die jongen en het meisje vandaan kwamen, maar ze spraken over mij in derde persoon. Die twee waren er niet de hele tijd, maar ze kwamen steeds terug om te kijken hoe het ging. Als ze dan weg waren begon die man heel raar te doen. Ik lag eerst op mijn zij, maar hij draaide mij steeds op mijn rug en ik voelde dat hij mij ging zoenen. Hij zoende mij op mijn wangen en mijn mond. Ik probeerde ook steeds weg te draaien, maar dat ging moeizaam. Hij ging mij aaien over de achterkant van mijn bovenbeen, onder de dekens. Als die twee mensen dan terugkwamen dan stopte hij. Ergens verderop in de nacht tilde hij mij naar zijn kamer. Daar lag een matras op de grond. Hij zette me daar neer en hij kwam achter mij liggen. Toen ik nog zat trok hij mijn jurk uit. Ik lag op mijn rug. Hij schoof de bovenkant van mijn BH opzij en toen begon hij te likken. Hij likte mijn beide borsten en hij deed ook mijn onderbroek opzij. Hij ging wrijven en ging met zijn vinger naar binnen, dat deed pijn. Hij probeerde zijn vingers in mij te duwen en toen ik wegdraaide probeerde hij zijn vingers in mijn billen te duwen. De vingers komen tot een bepaald punt in mijn anus en dan niet verder en dat doet ook zeer. Hij ging heel veel en hard wrijven tussen mijn benen. Hij ging met zijn vingers in mijn geslachtsdeel en dat deed heel veel pijn. Ik keerde weer mij rug naar hem zodat hij niet bij mijn geslachtsdeel kon komen. Toen hoorde ik dat hij met zichzelf bezig was. Hij was zich aan het masturberen.

V: Wat gebeurde er als eerste toen hij achter je lag?

A: Likken bij mijn borsten. Zijn handen zaten ook aan mijn borsten, die knepen in mijn borsten. Het likken was eerst. Toen hij aan mijn borsten zat lag ik op mijn rug. Toen hij tussen mijn benen wreef en met zijn vingers in mijn vagina ging lag ik ook op mijn rug. Toen hij met zijn vingers tussen mijn billen zat, lag ik op mijn zij.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 augustus 2025, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Om 2 uur 's nachts hoorde ik het geluid van de deur. Ik rende naar de deur. Daar trof ik [verdachte] aan met deze dronken vrouw. Ze was aan het trillen. Ik kreeg de indruk dat ze daar helemaal niet wou zijn. Hierdoor bleef ik erbij zitten om een oogje in het zeil te houden. Ik kreeg de indruk dat hij wilde dat ik weg moest gaan en dat ik naar mijn kamer moest gaan. Ik besloot toen om naar mijn kamer te gaan. Op een gegeven moment, omstreeks 03:00 uur hoorde ik gestommel op de gang, leidend naar [verdachte] zijn kamer. Hij had de vrouw verplaatst naar de gastenkamer van [verdachte] vanuit de gemeenschappelijke ruimte. Het is een kamer met alleen een matras.

V: Hoe was haar gemoedstoestand.

A: Ik had de indruk dat ze best wel angstig was.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek naar persoon [slachtoffer 2] d.d. 28 augustus 2025, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Slachtoffer

Achternaam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Het volgende spoor en sporendragers werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

SIN: ZAAE7979NL

Plaats veiligstellen: Slo [slachtoffer 2]

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.08.29.020, d.d. 19 september 2025 opgemaakt door dr. J. Warnaar, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek:

ZAAE7979NL#06 (borst rechts - nat)

DNA-mengprofiel ZAAE7979NL#06 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 2] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 2] en een willekeurige onbekende persoon.

ZAAE7979NL#07 (borst links - nat)

DNA-mengprofiel ZAAE7979NL#07 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 2] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 2] en een willekeurige onbekende persoon.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich vaak kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte blijft dan alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer over als wettig bewijsmiddel. Het bewijs dat een verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van een slachtoffer. Er moet steunbewijs zijn uit een andere bron dan die verklaring. Hierbij is voldoende dat de verklaring van een slachtoffer op bepaalde onderdelen steun vindt in dit bewijs.

De rechtbank zal daarom allereerst beoordelen of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voor het bewijs gebezigd kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster authentiek en betrouwbaar is. De rechtbank overweegt daartoe dat aangeefster vrijwel direct na het incident een uitgebreide en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd, waarbij zij heeft verklaard dat verdachte haar buiten aansprak, dat hij haar daarna optilde en mee naar binnen nam in de woning. Zij verklaart dat verdachte haar eerst op een bank in de woonkamer legde. Toen zij op de bank lag, zoende hij haar en begon hij aan haar te zitten. Op een gegeven moment tilde hij haar op en nam hij haar mee naar een matras in een andere kamer. Zij verklaart dat hij haar jurk uit deed en achter haar ging liggen. Verdachte zat aan haar borsten en begon ook haar borsten te likken. Vervolgens ging verdachte met zijn vinger in haar vagina en anus. Zij verklaart hierover dat dit heel veel pijn deed. Aangeefster heeft op verschillende momenten haar verhaal gedaan bij de politie en heeft telkens consistent, duidelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die

hebben plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte daarentegen niet consistent heeft verklaard. Zo heeft hij tijdens het eerste gesprek met de politie, kort na het incident, de seksuele handelingen ontkend en heeft hij verklaard dat aangeefster enkel op de bank in de woonkamer is geweest. Hij verklaarde ook dat hij nooit alleen met haar zou zijn geweest. In zijn derde verhoor bekent hij dat aangeefster op een matras in een andere kamer lag en dat hij haar gekust heeft en haar borsten heeft aangeraakt. Daarnaast heeft verdachte ook ter zitting verklaard dat het klopt dat hij aangeefster heeft opgetild en meegenomen naar het matras op zijn slaapkamer en vervolgens naast haar is gaan liggen. De verklaringen van verdachte komen dus in grote lijnen overeen met de verklaring van aangeefster.

Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hoewel getuige Loof verklaart dat zij niet weet of er seksueel contact is geweest tussen aangeefster en verdachte, wordt de verklaring van aangeefster over hoe die bewuste nacht is verlopen wel ondersteund door de verklaring van deze getuige. Deze getuige verklaart bovendien dat zij merkte dat aangeefster angstig was en dat dit pas minder werd op het moment dat zij aangeefster naar het station wilde brengen om naar huis te gaan.

Ten slotte wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het NFI-rapport, waaruit blijkt dat het DNA-mengprofiel rondom de rechter- en linkerborst (nat), ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van aangeefster [slachtoffer 2] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van aangeefster [slachtoffer 2] en een willekeurige onbekende persoon.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de feitelijke gang van zaken zoals beschreven in de verklaringen van aangeefster.

Van opzetverkrachting is sprake als iemand seksuele handelingen met een ander verricht terwijl hij weet dat die ander dat niet wil. Bij opzetverkrachting bestaan de seksuele handelingen (mede) uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Van wetenschap dat de wil ontbreekt is sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen laat merken geen seksueel contact te willen en de initiator toch voortzet.

Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij niet goed in staat was om zich fysiek en verbaal te verzetten omdat zij had gedronken en draaierig was, waardoor zij soms wegviel. Daarnaast heeft ook verdachte verklaard dat aangeefster erg dronken en moe was. Aangeefster verkeerde daarmee in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht, waardoor zowel in verbale als in fysieke zin geen wilsuiting mogelijk was. De rechtbank stelt dan ook vast dat de wil tot seksuele handelingen bij aangeefster ontbrak. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangeefster slaperig was en dat hij niet weet of zij voelde dat hij aan haar zat. Door toch over te gaan tot de seksuele handelingen heeft verdachte de signalen van wilsonvrijheid van aangeefster als gevolg van geestelijk of lichamelijk onvermogen en de ontbrekende wil van aangeefster genegeerd en voor lief genomen. Er is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, met dien verstande dat sprake is van opzetverkrachting, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

Hij op 14 augustus 2025 te Groningen met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten

-het likken van de nek van die [slachtoffer 1] , en

-het zoenen van de mond van die [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes tong, en

-het vastpakken en aanraken van de borsten van die [slachtoffer 1] , en

-het proberen aan te raken van het kruis van die [slachtoffer 1] , en

-het proberen zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te steken

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgaan door, en vergezeld van dwang, door

-de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] open te duwen nadat die [slachtoffer 1] die voordeur probeerde te sluiten, en

-die [slachtoffer 1] vast te pakken, en

-die [slachtoffer 1] tegen de trap te duwen en

-daarbij meermalen voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet. 2.

Hij op 22 augustus 2025 te Groningen met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

-het uitkleden van die [slachtoffer 2] , en

-het aftrekken van zijn, verdachtes, penis terwijl hij, verdachte, achter die [slachtoffer 2] lag, en

-het kussen van die [slachtoffer 2] op de mond en hals en wang, en

-het knijpen en likken van de borsten van die [slachtoffer 2] , en

-het wrijven over de vagina van die [slachtoffer 2] , en

-het steken van zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] , en

-het steken van zijn, verdachtes, vinger in de anus van die [slachtoffer 2] , en terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair. Opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang; en

Feit 2 primair. Opzetverkrachting.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht oplegt, waarbij wordt bevolen dat verdachte zich gedurende 5 jaren zal onthouden van enig contact met aangeefster [slachtoffer 1] en dat verdachte zich niet zal begeven op of in de directe nabijheid van haar woonadres. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de reclassering, het TC-rapport, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van nog geen twee weken tijd schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten. Zo heeft verdachte zich op 14 augustus 2025 schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetaanranding. Verdachte heeft een jonge vrouw, die door een andere man werd lastiggevallen, thuisgebracht. Kennelijk vertrouwde ze hem en voelde ze zich veilig bij hem. Eenmaal daar aangekomen heeft hij het slachtoffer overrompeld door haar in de hal van haar woning te zoenen en aan te randen. Hierbij heeft hij haar tegen de trap aan geduwd. Het slachtoffer heeft zich uit alle macht verzet tegen deze handelingen door hard te schreeuwen om hulp en door de verdachte van zich af te duwen en schoppen.

Iets meer dan een week later, op 22 augustus 2025, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Verdachte heeft wederom een jonge vrouw zijn hulp aangeboden, toen zij midden in de nacht alleen onderweg was naar huis. Hij heeft haar opgetild en meegenomen naar de woning waar hij op dat moment verbleef. Eenmaal in de woning heeft hij het slachtoffer op de bank gelegd, waar hij haar heeft betast. Daarna heeft hij het slachtoffer opgetild en meegenomen naar zijn kamer, waar hij haar op een matras heeft gelegd. Hij heeft de jurk van het slachtoffer uit gedaan en heeft aan haar borsten gelikt. Vervolgens is hij met zijn vingers binnengedrongen in de vagina en de anus van het slachtoffer. Verdachte heeft de lichamelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers op ingrijpende wijze geschonden en zich slechts laten leiden door zijn eigen behoeften. Dat het ingrijpende gebeurtenissen zijn geweest die grote impact hebben gehad op de slachtoffers, blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige daar nog langdurig nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden.

Beide slachtoffers zijn vrouwen die op dat moment hulp nodig hadden en vertrouwden op de goedheid en behulpzaamheid van verdachte. Dat juist zij door de verdachte zijn overvallen, vindt de rechtbank kwalijk. Verdachte neemt daarbij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk en overweegt dat voor het plegen van dergelijke strafbare feiten geen andere straf passend is dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Ter beantwoording van de vraag op welke wijze de onderhavige zaak moet worden afgedaan heeft de rechtbank ook gekeken naar de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakte advies (traject consult), opgemaakt door GZ-psycholoog F. Scholten, d.d. 24 september 2025. Hieruit blijkt dat er geen aanwijzingen worden gezien voor psychotische problematiek, stemmingsstoornissen of middelenproblematiek. Er worden wel aanwijzingen gezien voor mogelijke ontwikkelingsproblematiek, zoals bijvoorbeeld een autismespectrumstoornis. Vanwege de taal- en cultuurbarrière is het echter vrijwel onmogelijk om testpsychologisch onderzoek af te nemen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de adviezen van de reclassering in de rapporten van 30 april 2026, 28 oktober 2025, 29 augustus 2025 en 25 augustus 2025. Daaruit blijkt dat de reclassering geen beschermende factoren ziet. Daarnaast zien zij geen aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek naar behandelmogelijkheden, kunnen zij geen plan van aanpak maken waarmee zij kunnen bijdragen aan het terugdringen van recidiverisicos. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 30 maanden (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring komt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in dit geval met voornoemde straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de

bewezen verklaarde strafbare feiten.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De officier van justitie heeft gevraagd om ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1] , een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van het Strafrecht.

De vrijheidsbeperkende maatregel op basis van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht is een maatregel ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel met name tot stand is gekomen teneinde overlast van personen te beperken. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die telkens strafbare feiten plegen in een bepaald gebied of personen die ernstig belastend gedrag jegens het slachtoffer vertonen, zoals bijvoorbeeld telkens bij de woning van een slachtoffer komen.

De rechtbank moet daarbij een afweging maken tussen de aard van het strafbare feit, de omstandigheden van het geval, de persoon van de dader en de belangen van het slachtoffer en de samenleving. In die afweging moet er rekening mee worden gehouden of er een gegronde vrees is dat verdachte opnieuw strafbare feiten richting het slachtoffer zal plegen.

Alles overwegend vindt de rechtbank het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht in dit geval niet proportioneel en zal deze daarom niet opleggen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 1] (ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde), tot een bedrag van

428,89 ter zake van materiële schade en 3.200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

2. [ [slachtoffer 2] (ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde), tot een bedrag van

10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1)

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. De hoogte van de immateriële schade is voldoende onderbouwd en niet betwist en zal daarom worden toegewezen. Wat betreft de materiële schade overweegt de rechtbank dat, hoewel deze schadepost niet is bestreden door de verdediging, de kostenpost van de fiets niet in aanmerking kan komen voor toewijzing wegens het ontbreken van causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de aanschaf van de fiets. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering, ter hoogte van 295,00, afwijzen. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van 3.333,89 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 2)

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 augustus 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 241 en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering benadeelde partij

Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.333,89 (zegge: drieduizend driehonderddrieëndertig euro en negenentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van 3.200,00 aan immateriële schade en een bedrag van 133,89 aan materiële schade.

Wijst de vordering voor het overige af.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 33 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 75 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Zwarts
  • mr. L.M. Praamstra
  • mr. H. de Ruijter

Griffier

  • mr. M.A.W. Egberink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand