ECLI:NL:RBNNE:2026:1898

ECLI:NL:RBNNE:2026:1898

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 18-299889-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verdachte wordt verweten dat hij op 8 november 2025 in Leeuwarden bij een autorecyclingbedrijf brand heeft gesticht. Hierdoor is een groot deel van de in rijen opgestelde auto’s op het terrein van dit bedrijf gereduceerd tot zwartgeblakerde en uitgebrande wrakstukken. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht, ondanks de ontkennende procesopstelling van verdachte. Verdachte had namelijk een motief om brand te stichten bij dit autorecyclingbedrijf. Hij heeft zich enkele dagen voor de brand bedreigend uitgelaten tegenover de eigenaar van dit bedrijf. Er bevinden zich in het dossier camerabeelden waarop de brandstichting te zien is. De auto van verdachte komt qua merk, type en vorm overeen met de auto die op deze camerabeelden te zien is. Ook komt het merendeel van de tekens in het kenteken van het voertuig op deze camerabeelden overeen met het kenteken van verdachte. Ten slotte heeft verdachte precies rondom het tijdstip van de brandstichting zijn telefoon uitgezet en kort daarna weer aangezet. Verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van een psychologisch rapport noch een reclasseringsadvies. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer: 18-299889-25

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer: 18-289670-22

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 mei 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door benzine, althans een brandbare/brandversnellende stof(fen) te gieten/sprenkelen over en/of in een auto van [naam bedrijf] en/of (vervolgens) aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, althans met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de andere nabij geparkeerde autos en de omliggende panden te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Van het kenteken van de auto die bij de brand ter plaatse is geweest, zijn vier van de zes tekens achterhaald. De overeenkomst met vier tekens van het kenteken van de auto van verdachte levert te weinig zekerheid op over de betrokkenheid van zijn auto. Mocht desondanks worden vastgesteld dat zijn auto ter plaatse is geweest, dan staat niet vast dat verdachte de bestuurder en brandstichter was. Bij de brandplek zijn een aansteker en zakdoek gevonden, die de politie niet op sporen heeft onderzocht. Een verband met verdachte ontbreekt daarom. Voorts heeft verdachte een plausibele verklaring voor het feit dat zijn telefoon ten tijde van de brand was uitgeschakeld. Hij had deze niet bewust uitgezet, maar de batterij was leeg. Na het opladen schakelde hij het toestel weer in. Verder heeft hij uitgelegd dat hij wisselend heeft verklaard, omdat hij niet wilde dat men wist dat hij zijn kind alleen had gelaten. Subsidiair wordt aangevoerd dat uit het procesdossier niet blijkt dat er voor omliggende panden gevaar dreigde zoals ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 11 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb eind oktober 2025 bij aangever [aangever] een auto gekocht van het merk Mercedes A150 met kenteken [kenteken] . Het klopt dat ik niet tevreden was over de auto. Ik ben in de nacht van 8 november 2025 met deze auto in de binnenstad van Leeuwarden geweest tot ongeveer 3:30-3:45 uur.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 november 2025, opgenomen op pagina 47 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland in het onderzoek NN1R025149/ STEKELVAREN d.d. 6 januari 2026, inhoudend als verklaring van [aangever] :

V: Wat kunt u vertellen over uw bedrijf? A: Het bedrijf heet [naam bedrijf] .

V: Waar is het bedrijf gevestigd? A: In Leeuwarden, [adres ] .

V: Wie is deze man waar u het over heeft?

A: Ik weet alleen dat hij [verdachte] heet. Ik ken hem omdat ik hem een auto van mij heb gegund om deze in termijnen te betalen.

V: Om wat voor auto ging het die u aan [verdachte] heeft verkocht? A: Een Mercedes, A150, grijs van kleur.

A: Ik denk dat er zo'n dertig auto's zijn verbrand. Ook het pand is verbrand. Ramen zijn ontploft. Het voorste deel van het pand is door de brand vernield. Daar zat mijn kantoor. In dit kantoor is ook alles door de brand vernield: of het is verbrand of verschroeid door de hitte.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2025, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 8 november 2025 waren wij belast met het uitkijken van de camerabeelden van het auto en recyclingbedrijf [naam bedrijf] . De brand was op 8 november 2025 omstreeks 06:30 uur gemeld bij de meldkamer van politie. Wij zagen dat er omstreeks 05:07 uur een zilverkleurige auto kwam aanrijden bij het auto en recyclingbedrijf [naam bedrijf] . Wij zagen dat de zilverkleurige auto het terrein van het bedrijf kwam oprijden. Wij zagen dat er een persoon in de auto zat, achter het stuur.

Wij zagen dat het bestuurdersportier openging en dat er een persoon uit stapte. Wij zagen dat de persoon naar de achterzijde van de auto liep en de kofferbak opende. Wij zagen dat hij iets uit de kofferbak pakte en wegliep. Wij zagen dat de persoon wegliep vanaf zijn auto en dat hij in zijn handen een lichtkleurige jerrycan had.

Wij zagen dat de persoon het terrein op liep tussen de gestalde voertuigen voor het auto- en recyclingbedrijf. Wij zagen hem op een gegeven moment stil staan rond een mini Cooper. Wij zagen dat de persoon met name aan de achterzijde van de Cooper bleef staan. Wij zagen dat hij de jerrycan in zijn hand had en hiermee aan het sprenkelen was. Wij zagen dat de persoon terugliep naar zijn eigen auto, iets verderop. Wij zagen dat de persoon de passagierszijde opende en iets vanuit zijn auto pakte. Wij zagen dat de persoon vervolgens terugliep in de richting van de Mini Cooper. Wij zagen dat hij aan de achterzijde iets aanstak bij de auto. Wij zagen dat er vuur ontstond in de Mini Cooper. Wij zagen dat de brand bij de Mini Cooper steeds heftiger werd. Wij zagen dat daarna de brand zich uitbreidde naar de omliggende geparkeerde voertuigen, waarna een grote brand ontstond.

Door ons werd met behulp van diverse programma's onderzoek gedaan naar het mogelijke merk en type van de zilvergrijze auto. Uit dit onderzoek kwamen wij uit dat de zilverkleurige auto mogelijk een Mercedes-Benz A150 moest zijn.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal relaasd.d. 6 januari 2026, opgenomen op pagina 10 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Door de afdeling Team Digitale Opsporing werden de beschikbare camerabeelden veredeld, specifiek de kentekenplaat van het betrokken voertuig van de dader van de brandstichting. Uit deze veredeling is op te maken dat de kenmerken van de kentekenplaat de volgende cijfers/letters bevatten:

[kenteken]

Opmerking verbalisant:

Alle zover mogelijk zichtbare kenmerken komen overeen met die van de kentekenplaat van de auto van de verdachte [verdachte] ( [kenteken] )

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf d.d. 12 november 2025, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 10 november 2025 kwam ik, naar aanleiding van een mogelijke brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres ] , Leeuwarden.

Bevindingen Brand/sporenonderzoek

De autos in de middelste en achterste rij waren volledig uitgebrand.

Onderzoek pand:

Ik zag dat aan de voorzijde van het pand, houten beplating was aangebracht. Hier

hadden ramen ingezeten, welke door de hitte van de brand kapot waren gegaan. De aluminium beplating was door de brand aangetast en vertoonde boven de ramen rechts, van het midden, de grootste schade.

Aan de binnenzijde was rook- en

water schade zichtbaar. Gezien het brandbeeld kan deze schade worden aangemerkt als gevolg schade van de brand en is deze niet in of bij het pand ontstaan.

Onderzoek voertuigen:

Ik zag dat de auto's in het midden van de achterste en de middelste rij het meest

door de brand waren aangetast. Gezien de schade aan de auto's, is het meest waarschijnlijk dat de brand is ontstaan in de middelste rij.

Onderzoek Mini:

In deze rij stond een klein formaat auto. Dit om een auto van het merk Mini te gaan. Uit de beelden is gebleken dat op een bepaald moment een persoon ter hoogte van deze Mini, aan de achterzijde handelingen verricht, waarna het beeld oplicht en er brand ontstaat. Gelet op deze informatie en het

algehele brandbeeld kan de Mini worden aangemerkt als ontstaansgebied.

Inzet speurhondengeleider:

Ter hoogte van de ingang werd de hond ingezet en nadat deze door de eerste rij auto's had gelopen, liep deze meteen naar de achterzijde van de Mini en daar werd door de hond melding gedaan voor de aanwezigheid van dergelijke stoffen.

Onderzoek ontbrandbare vloeistof:

Nadat de hond melding had gemaakt, heb ik met behulp van de PID-meter rondom het voertuig meerdere metingen verricht. Bij het rechterachterwiel en op de plaats waar de hond melding had gemaakt werd een verhoogde waarde gemeten. De waarde gemeten bij de achterbumper liep sneller en in getal meer omhoog dan bij het achterwiel. Door de gemeten waarde en het feit dat de hond hier een duidelijke melding gaf, is het zeer goed mogelijk dat op deze een ontbrandbare vloeistof aanwezig is. Deze is mogelijk daar aangebracht en gebruikt om de brand te laten ontwikkelen/ versnellen. Deze plaats werd door mij bemonsterd en veiliggesteld. Deze werd voorzien van SIN AARZ7003NL.

Gevaarzetting:

Zonder inzet van de brandweer, had de brand zich verder kunnen ontwikkelen, waarbij grotere schade aan het pand en de naastgelegen panden te verwachten was geweest. Tijdens het incident waren er in en rond het pand meerdere auto's en andere brandbare materialen aanwezig. In onderhavige casus was er dus gemeen gevaar voor goederen te duchten.

6. Een rapport genaamd Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in Leeuwarden op 7 (de rechtbank begrijpt: 8) november 2025, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.11.14.066, d.d. 17 november 2025, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door [naam] , voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

1. Te onderzoeken materiaal SIN: AARZ7003NL

Spoorbeschrijving: Brandrest

Plaats veiligstellen: Achterzijde uitgebrande mini

2. Vraagstelling

“Bevat het monster vluchtige stoffen die afkomstig zijn van een ontbrandbare vloeistof? Zo Ja, in welke productklasse valt deze ontbrandbare vloeistof?”

4. Conclusie

In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2025, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

In verband met de grote brand aan de [adres ] te Leeuwarden werd na onderzoek de verdachte [verdachte] aangehouden. De verdachte was in het bezit van een telefoon, type Motorola. In genoemde telefoon werden in de nacht van 8 november 2025 op tijdstippen na 02:00 uur de volgende handelingen vastgesteld:

[]

04:22 uur - telefoon wordt uitgezet 05:43 uur - telefoon wordt aangezet

Bewijsoverwegingen Het te duchten gevaar

Het standpunt van de verdediging dat er geen gevaar te duchten was voor de omliggende gebouwen, wordt weerlegd door de conclusie van het forensische onderzoek waaruit volgt dat zonder inzet van de brandweer, de brand zich verder had kunnen ontwikkelen waarbij grotere schade aan het pand en de naastgelegen panden te verwachten was geweest. De rechtbank oordeelt dan ook dat er ook gevaar te duchten was voor de omliggende panden.

Het door verdachte aangedragen scenario

Verdachte heeft steevast ontkend dat hij in de nacht van 8 november 2025 brand heeft gesticht bij het [naam bedrijf] en heeft daarover wisselende verklaringen afgelegd. Geen van deze verklaringen passen bij de bevindingen in het dossier. Dat het iemand anders is geweest die in de auto van verdachte heeft gereden is onwaarschijnlijk (zoals verdachte zelf op zitting ook toegeeft) gelet op zijn eigen verklaring dat hij vlak voor de brand nog in zijn auto heeft gereden. Bovendien is niet gebleken dat er meerdere sleutels van de auto in omloop waren, naast de sleutel die verdachte in zijn bezit had. Het scenario dat iemand anders van zijn auto gebruik heeft gemaakt bij de brandstichting, is dan ook niet aannemelijk geworden. Verder komt de uitleg die verdachte geeft over hoe en wanneer zijn telefoon uit- en aan is gegaan, niet overeen met de aangetroffen gegevens op zijn telefoon. Uit de loggegevens van zijn telefoon blijkt dat de telefoon om 4:22 uur is uitgegaan en om 5:43 uur weer is aangegaan. Verdachte verklaart echter op de zitting dat zijn telefoon is uitgevallen toen hij nog in de stad was voordat hij rond 3:30/ 3:45 uur thuis kwam, wat gelet op voornoemde loggegevens feitelijk niet kan kloppen. Tot slot is er geen enkele aanwijzing voor de door verdachte gedane suggestie dat aangever de brand zelf zou hebben gesticht of laten stichten precies in het tijdstip dat verdachte zijn telefoon uit had staan.

De bewijsconclusie

De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de dader van de brandstichting is. De feiten en omstandigheden in onderling samenhang bezien nopen tot deze conclusie. Verdachte heeft immers kort voor de brandstichting een Mercedes van [aangever] gekocht waar hij ontevreden over was. Hij heeft zich vervolgens bedreigend uitgelaten tegenover [aangever] . Hieruit volgt een motief om brand te stichten bij [aangever] . Het voertuig dat door de dader bij de brandstichting is gebruikt, vertoont sprekende gelijkenis met het voertuig waar verdachte kort voor de brandstichting in reed. Het merk, type en de vorm alsook het merendeel van de tekens in het kenteken van de Mercedes van verdachte komen overeen met het voertuig op de camerabeelden. Verdachte heeft vlak voor het tijdstip van de brandstichting zijn telefoon uitgeschakeld en kort daarna weer aangezet. Daarbij komt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zijn verklaringen staan haaks op de bevindingen in het dossier en zijn op bepaalde onderdelen feitelijk onjuist.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 november 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht, door benzine te gieten/sprenkelen over en/of in een auto van [naam bedrijf] en aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de andere nabij geparkeerde autos en de omliggende panden te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij een veroordeling gepleit voor een gevangenisstraf die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest met daar eventueel aan toegevoegd een flink voorwaardelijk strafdeel.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de mono pro justitia rapportage van 1 april 2026, het reclasseringsadvies van 12 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft op 8 november 2025 brand gesticht bij een autorecyclingbedrijf in Leeuwarden. Voor het pand van dit bedrijf stonden meerdere autos in rijen opgesteld. Deze autos stonden dicht naast elkaar.

Tevens waren er meerdere panden in de buurt. Verdachte is met een jerrycan naar een van de autos toegelopen en heeft deze auto besprenkeld met motorbenzine waarna hij de benzine tot ontbranding heeft gebracht. De hierdoor ontstane brand is daarna overgeslagen naar de andere autos. Hierdoor is een vlammenzee ontstaan. Door de brand is het merendeel van de autos die voor het autorecyclingbedrijf stonden opgesteld, uitgebrand. Ook is er forse brandschade ontstaan aan de voorkant van het bedrijfspand.

Brandstichting is een gevaarzettend delict dat een (potentieel) verwoestend effect heeft op de omgeving. Een brand kan zich snel uitbreiden, grote vormen aannemen en daardoor een onbeheersbaar karakter krijgen. Verdachte heeft met zijn handelswijze een spoor van vernietiging achtergelaten voor de eigenaar van het autorecyclingbedrijf. Tegelijkertijd heeft verdachte brandgevaar veroorzaakt voor de omliggende panden. Dat het bedrijfspand van het autorecyclingbedrijf niet volledig is uitgebrand en de omliggende panden niet daadwerkelijk vlam hebben gevat, is te danken aan het ingrijpen van de brandweer en de politie. De brand in deze zaak heeft geleid tot publieke belangstelling en verontwaardiging. Omwonenden kunnen na bekendwording met het feit dat de brand is aangestoken zich onveilig gaan voelen. Dit kan leiden tot maatschappelijke onrust. Verdachte heeft ter terechtzitting de brandstichting ontkend en daarmee geen inzicht getoond in de gevaarlijkheid van zijn handelen.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden

Verdachte is blijkens zijn strafblad niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro justitia rapportage van de psycholoog T.E.G.A. Oosterhof. De psycholoog heeft kort gezegd meerdere malen tevergeefs geprobeerd om met verdachte in gesprek te gaan voor het psychologische onderzoek. Verdachte heeft steevast geweigerd zijn medewerking hieraan te verlenen. Verdachte heeft aan de psycholoog te kennen gegeven dat hij slechte ervaringen heeft met psychologische onderzoeken. Hij verwacht dat een diagnose gesteld zal worden die niet klopt. Hij heeft aangegeven dat er niets met hem aan de hand is, dat hij geen middelen gebruikt en niet psychotisch is geweest. De opstellers van het trajectconsult van 5 december 2025 hebben aanwijzingen gezien voor egocentrische, antisociale en associatieve denkwijze bij verdachte. Ook zagen zij aanwijzingen voor betrekkingsideeën. Verdachte heeft ten tijde van het trajectconsult aangegeven mee te willen werken aan het psychologische onderzoek. In de tussentijd heeft er kennelijk een omslag plaatsgevonden in de houding van verdachte. De psycholoog heeft door de weigerachtige houding van verdachte geen forensisch psychologische beschouwingen kunnen doen over de mogelijke aanwezigheid van psychotische symptomatologie (bijvoorbeeld psychotische belevingen of waanideeën).

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de brief van de reclassering van 26 februari 2026. In die brief schrijft de reclassering dat verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan het opstellen van een reclasseringsadvies voor de inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft daarom voor informatie over de persoonlijke omstandigheden van verdachte geput uit een eerder reclasseringsrapport dat geschreven is voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris van 12 november 2025. De reclassering heeft in dit rapport geschreven dat verdachte een huurwoning heeft in [plaats] . Verdachte heeft aan zijn toezichthouder laten weten dat hij niet in staat is om te werken wegens gezondheidsproblemen. De financiën van verdachte zijn ondergebracht bij de Kredietbank. Er lijkt geen sprake meer te zijn van middelengebruik. Er is sprake van een actueel reclasseringstoezicht onder het parketnummer 18-289670-

22. Dit reclasseringstoezicht is zonder problemen verlopen. Verdachte is in het verleden behandeld in een forensische polikliniek van [instelling] . In de afsluitbrief van 9 december 2024 schrijft de forensische polikliniek dat de behandeling van verdachte was gericht op het handhaven van abstinentie van cocaïne en hasj. Er is sprake van een psychiatrische voorgeschiedenis. Verdachte is bekend met psychotische episodes die worden gekenmerkt door waanachtige denkbeelden zoals het idee dat de duivel hem komt halen, dat mensen hem belagen en dat hij wordt achtervolgd. Verdachte heeft zelf aangegeven dat deze gedachten voortkomen uit het idee dat hij in Marokko is vervloekt middels voodoo.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij is gescheiden en dat hij met zijn ex-partner een zoon van 10 en een dochter van 35 heeft. Hij heeft geen contact meer met zijn dochter. Hij gelooft in Allah. Hij vermoedt dat hij zijn huurwoning niet meer heeft, omdat hij in de maanden die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht geen huur heeft betaald. Verdachte ontkent desgevraagd dat hij in het verleden psychische problemen heeft gehad.

Strafmaat

De rechtbank is, gelet op de ernst van het feit, van oordeel dat een stevige vergeldende reactie die tegelijkertijd afschrikt op zijn plaats is. Verdachte heeft noch zijn medewerking verleend aan een psychologisch onderzoek noch aan het opstellen van een reclasseringsadvies. De rechtbank kan door deze weigerachtige houding van verdachte geen rekening houden met strafmatigende factoren zoals verminderde toerekenbaarheid. Evenmin kan de rechtbank beoordelen of een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht in dit geval doelmatig is. De enige passende strafmodaliteit die de rechtbank rest is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een lange duur. De rechtbank zal dan ook tot de oplegging hiervan overgaan. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de strafeis van de officier van justitie waarin is meegewogen wat doorgaans in soortgelijke zaken wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen redenen om van de gevorderde straf af te wijken.

De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 4 april 2023 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden onder parketnummer 18-289670-22, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 70 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 19 april 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 7 mei 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde het bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18. 289670-22:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 april 2023, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. O.J. Bosker en

mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.

Mr. A. van den Oever en mr. O.J. Bosker zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. van den Oever
  • mr. O.J. Bosker
  • mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga

Griffier

  • mr. J.K. Qiu

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand