ECLI:NL:RBNNE:2026:1907

ECLI:NL:RBNNE:2026:1907

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer C/18/26/1150 R
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Toewijzing toelatingsverzoek Wsnp, geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Eerdere ingangsdatum bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

zaaknummer: C/18/26/1150 R

vonnis van 21 mei 2026

in de zaak van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen verzoeker.

1. PROCESGANG

Verzoeker heeft op 26 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] en de heer [werkgever] , werkgever van verzoeker.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoeker heeft een schuldenlast van € 20.163,74. De schuldenlast is voor een deel ontstaan uit de voormalige onderneming van verzoeker. Een groot deel van de schulden is ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de Wsnp. Verzoeker heeft daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat mede op advies van de schuldhulpverlening en zijn omgeving de onderneming is gestaakt per begin 2025. Vanwege de kwartaalaangifte omzetbelasting is de onderneming per maart 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat het zakelijke schulden, waaronder belastingschulden, betreft die in de drie jaar voorafgaand aan het toelatingsverzoek zijn ontstaan.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank stelt vast dat de onderneming van verzoeker is beëindigd, zodat er geen zakelijke schulden meer kunnen ontstaan en dat verzoeker inmiddels fulltime werkzaam is in loondienst. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.

Ingangsdatum Wsnp

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan.

Verzoeker heeft in het verzoekschrift verzocht om de Wsnp met ingang van

1 mei 2025 in te laten gaan, omdat er vanaf mei door het LBIO beslag is gelegd op zijn loon vanwege achterstallige kinderalimentatie. Ter zitting is dit verzoek gewijzigd en is verzocht om de Wsnp 7 maanden eerder in te laten gaan omdat de vordering van het LBIO na 7 maanden beslag voldaan zou moeten zijn.

Na 7 maanden is de lopende alimentatie afgeboekt door middel van beslag en is ten onrechte het CAK aangesloten in verband met een betalingsachterstand van 6 maanden of langer op de zorgverzekering (voorheen wanbetalersregeling).

De rechtbank stelt vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoeker. Daardoor is een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval, gezien het beslag, niet toe te rekenen aan verzoeker. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Verzoeker heeft voldaan aan de inspanningsplicht omdat hij fulltime aan het werk is. De rechtbank zal de eerdere ingangsdatum, zoals ter zitting verzocht, bepalen op 7 maanden voor de datum van de uitspraak.

3. BESLISSING

De rechtbank:

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ;

stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 21 oktober 2025, waardoor deze termijn eindigt op 21 april 2027;

benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,

gevestigd te [adres] ;

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op

21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand