ECLI:NL:RBNNE:2026:1924

ECLI:NL:RBNNE:2026:1924

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 18-294542-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken, schuldheling en het voorhanden hebben van vuurwapen gelijkende voorwerpen, vuurwapens, munitie, een boksbeugel en professioneel vuurwerk. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Onttrekking aan het verkeer van verschillende goederen en veroordeling tot het betalen van schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-294542-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ,

thans gedetineerd in [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1.

hij in of omstreeks de periode 25 februari 2023 tot en met 5 maart 2023 te Blessum, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een contant geldbedrag ad 5.020, een ring en/of gereedschap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, een rode Milwaukee koffer met slagmoersleutel, twee accus en een acculader, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, een rode Milwaukee koffer met slagmoersleutel, twee accus en een acculader, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode 9 mei 2025 tot en met 10 mei 2025 te Damwâld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

3.

hij in of omstreeks de periode 27 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 te Gytsjerk, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en/of horloges, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4.

hij in of omstreeks de periode 27 september 2025 tot en met 1 oktober 2025 te Jellum, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, een muntenverzameling en/of twee handzenders, althans een goed heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit

goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, een muntenverzameling en/of twee handzenders, althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

5.

hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2022 tot en met 4 augustus 2022 te Leeuwarden, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

6.

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

7.

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of een of meerdere wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, niet zijnde speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG, voorhanden heeft gehad en/of heeft vervoerd;

8.

hij op of omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, 3, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair, 2, 3, 4 primair en subsidiair en feit 5. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 6, 7 en 8 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het tijdstip van verkrijging niet is vast te stellen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van de gestolen goederen wist, dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. Voor wat betreft feit 1 primair heeft de raadsman betoogd dat niet valt uit te sluiten dat het DNA van verdachte dat op de moersleutel (bahco) van aangever in de woning is aangetroffen, daar op een ander moment op terecht is gekomen. Aan de hand van dit DNA-spoor kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de inbraak heeft gepleegd. De raadsman verzoekt vrijspraak voor het primaire en subsidiaire feit.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 2. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de inbraak heeft gepleegd.

Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het is onduidelijk op welk moment tijdens de ten laste gelegde periode de inbraak heeft plaatsgevonden. Bovendien is niet uitgesloten dat het DNA van verdachte, dat op de steel van een schroevendraaier in de woning is aangetroffen, op andere wijze daarop terecht is gekomen. De raadsman verzoekt vrijspraak voor dit feit.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat op basis waarvan het primaire feit bewezen kan worden verklaard. Dat de gestolen goederen bij verdachte zijn aangetroffen, betekent niet dat kan worden gesteld dat verdachte op het moment van het verkrijgen van die goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren. Het is bovendien onbekend op welk moment verdachte de goederen heeft verkregen. Dit maakt volgens de raadsman dat ook vrijspraak dient te volgen voor het subsidiaire feit.

Voor wat betreft feit 5 heeft de raadsman betoogd dat het dossier eveneens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit blijkt dat verdachte de inbraak heeft gepleegd. Er bestaat een alternatief scenario waardoor het bloedspoor van verdachte in de woning van de aangeefster terecht kan zijn gekomen. De aangifte is op een later moment gedaan en verdachte is wellicht na de inbraak in de woning geweest.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van dit dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat waaruit blijkt dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van feit 2.

Feit 1 primair Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2023, opgenomen op pagina 313 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met BVH-nummer 2026071489 (onderzoek Unakiet) d.d. 18 maart 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Plaats delict: [adres]

Op 25 februari 2023, heb ik de woning slotvast afgesloten. Op 5 maart 2023 zagen wij dat de gehele woning overhoopgehaald was. Alle lades in alle vertrekken stonden open. Voor zover wij het eerst kunnen zien, hebben ze met grof geweld de kluis in het kantoor opengebroken. Hier lag 5000,- euro in. Verder is er nog wat contant geld uit de woning weggenomen en enkele sieraden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 4 november 2025, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Een paar dagen na mijn aangifte kwam ik erachter dat ze ook in mijn schuur zijn geweest. Hier hebben ze toen meerdere bit-setjes, handgereedschap, ring/steeksleutels en een rode koffer met slagmoersleutel meegenomen. In deze rode koffer zaten twee accu's en een acculader van het merk Milwaukee.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2025, opgenomen op pagina 320 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 3 november 2025 bevond ik mij aan de [adres] in verband met een doorzoeking van de woning van [verdachte] . Ik zag een rode koffer van het merk Milwaukee liggen. Ik zag in de koffer een rode slagmoersleutel met accu van het merk Milwaukee, een extra accu en een acculader. Op de acculader zag ik vervolgens dat deze gekeurd was door het bedrijf [bedrijf] ' met een daarbij behorende mobiele telefoonnummer. Tevens zag ik dat de initialen [initialen] in de acculader was gegrafeerd. Nadat ik telefonisch contact had met [bedrijf] , gaf de medewerker aan dat de initialen van [slachtoffer 1] moesten zijn. Ik heb contact opgenomen met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaarde: In 2023 is er bij mij ingebroken. Ook is er een boormachine gestolen. [slachtoffer 1] gaf aan dat dit een machine was van het merk Milwaukee en dat deze rood van kleur is. [slachtoffer 1] verklaarde dat de initialen [initialen] van hem zijn.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ) van 18 december 2025, opgenomen op pagina 322 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op maandag 6 maart 2023 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] . In de kantoorruimte stond een kluis. Ik zag dat de kluis openstond. Ik zag braakschade aan de deur van de kluis. Nabij de kluis lag een verstelbare moersleutel (baco). De moersleutel werd door mij bemonsterd voor de eventuele aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal.

Biologisch spoor

SIN : AAQNN7592NL

Datum/tijd veiligstellen : 6 maart 2023 om 10:15 uur Plaats veiligstellen : Bemonstering baco Bijzonderheden : Mogelijk gebruikt bij openen kluis

5. Een deskundigenrapport afkomstig van eurofin, The Maastricht Forensic Institute B.V., zaaknummer TMFI2025.6403, d.d. 12 december 2025 opgemaakt door drs. N. van de Kerkhof, opgenomen op pagina 335 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Verzocht is biologisch sporenonderzoek en/of vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten aan het in Tabel 1 omschreven onderzoeksmateriaal.

Tabel 1 Sporenmateriaal

Tabel 4 Resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

5. Berekening van de bewijskracht

Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] .

Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van één onbekende persoon.

De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangever heeft op 25 februari 2023 zijn woning verlaten en ontdekte op 5 maart 2023 dat er in zijn woning was ingebroken. Bij de opengebroken kluis werd een moersleutel (bahco) aangetroffen, die is bemonsterd. Het TMFI heeft vastgesteld dat de bemonstering van de bahco een onvolledig DNA-profiel bevat van ten minste één man. Van dit onvolledige DNA-profiel is het een miljard keer waarschijnlijker dat het van verdachte is dan van een onbekende donor. De rechtbank stelt op basis van het DNA-onderzoek en de daarbij berekende hoge bewijskracht, met inachtneming van de rest van het dossier, vast dat het aangetroffen DNA op de bahco afkomstig is van verdachte. Het DNA-spoor betreft naar het oordeel van de rechtbank een daderspoor. Het DNA-spoor is immers aangetroffen op gereedschap dat toebehoort aan aangever en is aangetroffen op de plaats delict in de woning van aangever. Het verweer van de raadsman dat een bahco een verplaatsbaar object betreft en het DNA van verdachte op een ander moment dan tijdens de inbraak op het gereedschap terecht kan zijn gekomen, schuift de rechtbank ter zijde. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft bij de politie zijn betrokkenheid bij de inbraak ontkend en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Tijdens de inhoudelijke behandeling verklaarde verdachte niet te weten hoe zijn DNA op de moersleutel van aangever is terechtgekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de bahco, terwijl een dergelijke verklaring in de gegeven omstandigheden wel van verdachte mag worden verlangd. Daarbij komt dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 3 november 2025 bij hem een deel van de gestolen goederen van aangever is aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze goederen op een rommelmarkt te hebben gekocht, maar ook deze verklaring is niet concreet en verifieerbaar.

Gelet op deze omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de periode van 25 februari 2023 tot en met 5 maart 2023 te Blessum heeft ingebroken en daar een contant geldbedrag, een ring en gereedschap heeft weggenomen.

Feit 3 Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juli 2025, opgenomen op pagina 256 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Plaats delict: [adres]

Ik ben op 27 juni 2025 van huis gegaan. Op 5 juli 2025 kwam ik thuis. Ik zag toen dat de deur naar mijn bar open was, tevens zag ik de achterdeur naar het terras openstaan. Ik ben via de trap naar boven gegaan en zag dat alle deuren openstonden, kastjes openstonden en het niet was zoals ik het had

achtergelaten. Ik zag ook dat de anti inbraakdeur van mijn slaapkamer boven open stond. De anti inbraakdeur is opengebroken. Ik zag in mijn slaapkamer dat de dozen op een plank, waar ik mijn sieraden bewaar, allemaal weg waren.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ) van 7 juli 2025, opgenomen op pagina 272 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 5 juli 2025 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres]

. De hoofdslaapkamer is met een stevige deur en driepuntsluiting afgesloten. Ik zag dat het kozijn van de deze deur volledig was versplinterd. Ik zag dat alle drie sluitkommen uit het kozijn waren gebroken. Ik zag dat in de deur meerdere werktuigsporen aanwezig waren maar ook deze waren geheel versplinterd. Op de vloer, voor deze deur op de overloop zag ik een steel van een schroevendraaier liggen. Ik heb de steel van de schroevendraaier bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van DNA.

Biologische sporen

SIN : AASJ6889NL

Datum/tijd veiligstellen : 5 juli 2025 om 17:23 uur

Plaats veiligstellen : Overloop voor opengebroken 3 punts deur slaapkamer Bijzonderheden : Handvat ontbraak bemonstering steel

3. Een deskundigenrapport afkomstig van eurofin, The Maastricht Forensic Institute B.V., zaaknummer TMFI2025.3546, d.d. 18 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Moorlag, opgenomen op pagina 269 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Verzocht is biologisch sporenonderzoek en/of vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten aan het in Tabel 1 omschreven onderzoeksmateriaal.

Tabel 1 Sporenmateriaal

Tabel 2 Resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek

6 Berekening van de bewijskracht

Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en één onbekende persoon. Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee onbekende personen.

De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2025, opgenomen op pagina 281 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

In dit onderzoek werd de historische telecomgegevens gevorderd van [verdachte] zijn telefoonnummer [telefoonnummer] . Ik zag dat in de periode van 27 juni 2025 tot 5 juli 2025 1x een

telefoonmast in [adres] te Tytsjerk had aangestraald. Deze telefoonmast dekt tevens het gebied/richting van Gytsjerk. Ik zag dat de telefoon van [verdachte] op 1 juli 2025 15:13 uur de mast aan de [adres] te Tytsjerk aanstraalde tot 18:07 uur dezelfde dag.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangeefster heeft op 27 juni 2025 haar woning verlaten en ontdekte op 5 juli 2025 dat er in haar woning was ingebroken. Bij de opengebroken deur van de slaapkamer werd een steel van een schroevendraaier aangetroffen, die is bemonsterd door een forensisch medewerker van de politie. Het TMFI heeft vastgesteld dat de bemonstering van de steel een DNA-mengprofiel bevat afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Uit het vergelijkend onderzoek blijkt dat het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en één onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee onbekende personen. De rechtbank stelt op basis van dit DNA-onderzoek en de daarbij berekende hoge bewijskracht, met inachtneming van de rest van het dossier, vast dat het aangetroffen DNA afkomstig is van verdachte. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft bij de politie zijn betrokkenheid bij de inbraak ontkend en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Tijdens de inhoudelijke behandeling verklaarde verdachte niet te weten hoe zijn DNA op de steel van de schroevendraaier is terechtgekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op dit gereedschap, terwijl een dergelijke verklaring in de gegeven omstandigheden wel van verdachte mag worden verlangd. Het DNA-spoor betreft naar het oordeel van de rechtbank een daderspoor. Het DNA-spoor is immers aangetroffen op de plaats delict in de woning van aangever en op een gereedschap dat bij de inbraak gebruikt is. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op dit daderspoor geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd. De rechtbank neemt ook in overweging dat verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven over het aanstralen van zijn telefoon op 1 juli 2025 in Gytsjerk. Het verweer van de raadsman dat een schroevendraaier een verplaatsbaar object betreft en het DNA van verdachte op een ander moment dan tijdens de inbraak op het gereedschap terecht kan zijn gekomen, schuift de rechtbank ter zijde.

Gelet op deze omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de periode van 27 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 te Gytsjerk heeft ingebroken en daar sieraden en horloges heeft weggenomen.

Feit 4 subsidiair

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

De lijst met gestolen goederen is door [slachtoffer 4] aan mij verstrekt:

2. Muntenverzameling

7. Elektrische handzenders garagedeuropeners

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2025, opgenomen op pagina 353 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 3 november 2025 heeft er op het adres van verdachte [verdachte] , aan de

[adres] , een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking werd een zakje aangetroffen met daarin een groen mapje met munten en een blauw mapje met munten. Ik hoorde dat aangever [slachtoffer 4] zei dat dit zijn muntenverzameling was.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2025, opgenomen op pagina 356 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 5 november 2025 is de onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen Ford Fusion

met kenteken [kenteken] doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn een tweetal handzenders aangetroffen.

Op het adres van [slachtoffer 4] heb ik met de handzenders de garagedeur geopend en dichtgedaan.

Vrijspraak en bewijsoverweging

Ten aanzien van het primaire feit overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal met braak. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiaire feit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Aangever heeft aangifte gedaan van diefstal met braak in zijn woning in de periode van 27 september 2025 tot en met 1 oktober 2025, waarbij onder meer een muntenverzameling en twee handzenders zijn weggenomen. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 3 november 2025 werd een muntenverzameling in beslag genomen. De verbalisant heeft vervolgens contact opgenomen met aangever, die heeft bevestigd dat het gaat om de muntenverzameling die bij de woninginbraak is weggenomen. Twee dagen na de doorzoeking in de woning van verdachte, op 5 november 2025, is de auto die in gebruik is bij verdachte doorzocht. Daarbij zijn twee handzenders in beslag genomen, waarvan later is vastgesteld dat deze behoren bij de garagedeur van aangever.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de muntenverzameling een keer op een rommelmarkt heeft gekocht. Hij kan niet meer verklaren waar en wanneer dit is geweest. De verklaring van verdachte over de wijze waarop hij de munten heeft verkregen, is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. Ten aanzien van de handzenders heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat deze zich in de auto bevonden. De

rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk. Daarbij overweegt de rechtbank dat deze goederen, handzenders die behoren bij een garagedeur, naar hun aard per definitie een onderzoeksplicht met zich meebrengt.

Gelet op deze omstandigheden - in het bijzonder de combinatie van de aangetroffen gestolen goederen - in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich op zijn minst schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de muntenverzameling en de handzenders.

Feit 5

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ontving een email van aangeefster [slachtoffer 5] met daarin een lijst met weggenomen goederen. De lijst betreft:

Op 5 augustus 2022 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] . Ik zag dat aan de linkerzijde twee gaten in de toegangsdeur zaten. Ik zag dat er in de woonkamer een bankstel stond. Ik zag dat op de rand van het zitkussen aan de linkerzijde bloed zat. Dit bloed werd door mij bemonsterd en veiliggesteld voor een eventueel DNA-onderzoek.

Biologisch spoor

SIN : AAOO4167NL

Datum/tijd veiligstellen : 5 augustus 2022 om 12:03 uur Plaats veiligstellen : Rand zitkussen bank woonkamer Bijzonderheden : Tb+

4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2022.08.12.073 (aanvraag 001), d.d. 28 september 2022, opgemaakt door ing. S. Tuinman, opgenomen op pagina 381 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

Het in Tabel 1 vermelde sporenmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Tabel 1. Resultaten, interpretatie en conclusie van vergelijkend DNA-onderzoek

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangeefster werd op 4 augustus 2022 gebeld met de mededeling dat er in haar woning was ingebroken. Volgens een vriendin van aangeefster, die op 2 augustus 2022 nog in de woning was, was er toen nog niets aan de hand. Bij het onderzoek op de plaats delict op 5 augustus 2022 constateerde de forensisch medewerker dat er bloed op het zitkussen van de bank in de woonkamer zat. Dit bloedspoor werd bemonsterd. Het TMFI heeft vastgesteld dat de bemonstering van het bloedspoor een DNA-profiel bevat van een man. Van dit DNA-profiel is het een miljard keer waarschijnlijker dat het verdachte is dan van een onbekende donor. De rechtbank stelt op basis van het DNA-onderzoek en de daarbij berekende hoge bewijskracht, met inachtneming van de rest van het dossier, vast dat het aangetroffen bloedspoor op het zitkussen afkomstig is van verdachte. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft bij de politie zijn betrokkenheid bij de inbraak ontkend en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Tijdens de inhoudelijke behandeling verklaarde verdachte niet te weten hoe zijn bloed op het zitkussen van de bank in de woning van aangeefster is terechtgekomen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed, terwijl een dergelijke verklaring in de gegeven omstandigheden wel van verdachte mag worden verlangd. Het bloedspoor betreft naar het oordeel van de rechtbank een daderspoor. Het DNA-spoor is immers aangetroffen op de plaats delict in de woning van aangever en verdachte heeft hierover geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd. Het verweer van de raadsman dat niet valt uit te sluiten dat verdachte mogelijk na de inbraak in de woning van aangeefster is geweest, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Dit scenario is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd en verdachte heeft dit bovendien nooit eerder verklaard.

Gelet op deze omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de periode van 2 augustus 2022 tot en met 4 augustus 2022 te Leeuwarden heeft ingebroken en daar meerdere goederen heeft weggenomen.

Feiten 6, 7 en 8

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht feiten 6, 7 en 8 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van feit 6

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van feit 7

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van feit 8

Deze opgave luidt als volgt:

d.d. 25 december 2025, opgenomen op pagina 440 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk

d.d. 27 december 2025, opgenomen op pagina 459 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair, 3, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij in de periode 25 februari 2023 tot en met 5 maart 2023 te Blessum, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een contant geldbedrag ad 5.020, een ring en gereedschap toebehorend aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3.

hij in de periode 27 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 te Gytsjerk, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en horloges, toebehorend aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. subsidiair

hij op en omstreeks 3 november 2025 te Leeuwarden, een muntenverzameling en twee handzenders, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

hij in de periode van 2 augustus 2022 tot en met 4 augustus 2022 te Leeuwarden, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

toebehorend aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

hij op 3 november 2025 te Leeuwarden meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

hij op 3 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en meerdere wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, niet zijnde speelgoedvoorwerpen als

bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG, voorhanden heeft gehad;

hij op 3 november 2025 te Leeuwarden, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

4. subsidiair schuldheling

5. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

7. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

8. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 3, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest of een verlenging daarvan met enkele maanden. Daarnaast zou eventueel een taakstraf kunnen worden opgelegd. De raadsman heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de Reclassering VNN d.d. 16 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie woninginbraken, schuldheling en het voorhanden hebben van vuurwapen gelijkende voorwerpen, vuurwapens, munitie, een boksbeugel en professioneel vuurwerk. Dit betreffen ernstige feiten.

Met zijn handelen heeft verdachte veel materiële schade en overlast veroorzaakt voor de aangevers van de woninginbraken en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Verdachte heeft bij de diefstal onder andere flinke geldbedragen en sierraden weggenomen, die een emotionele waarde hadden voor de aangevers. Bovendien maakt een woninginbraak ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van zowel slachtoffers als omwonenden. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling. Een dergelijk feit draagt bij aan de lucrativiteit van diefstal en versterkt daarmee het criminele circuit.

Verdachte heeft daar met zijn handelen een bijdrage aan geleverd. Met deze vermogensfeiten heeft verdachte er blijk van gegeven zich in het geheel niet te bekommeren om de eigendomsrechten van anderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent deze feiten en op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

Ook het bezit van (vuurwapen gelijkende) vuurwapens, een boksbeugel en professioneel vuurwerk acht de rechtbank kwalijk. De rechtbank is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van wapens en illegaal zwaar vuurwerk onaanvaardbare risicos met zich meebrengt en een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de samenleving.

Persoon van de verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 30 april 2026 blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld, waaronder voor vermogensdelicten.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op de reclasseringsrapportage van 16 februari 2026.

Vanwege de ontkennende houding van verdachte kan de reclassering onvoldoende verbanden leggen tussen de leefomstandigheden van verdachte en het vermeende delictgedrag. Uit onderzoek en de beschikbare dossierinformatie komt naar voren dat verdachte in het verleden gediagnosticeerd is met een Post Traumatische Stress Stoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en ADHD. Daarnaast kampte hij jarenlang met verslavingsproblematiek. De leefgebieden financiën, sociaal netwerk, dagbesteding en middelengebruik worden als delictgerelateerd en risicoverhogend ingeschat.

Vanuit het gesprek met verdachte blijkt dat hij na detentie wil gaan samenwonen met zijn vriendin, waarmee hij nu een jaar een relatie heeft. Zij zou een positieve invloed op hem hebben, ze zouden elkaar aanvullen en hij voelt zich door haar gesteund. Zo hebben ze ideeën over het starten van een eigen (klussen)bedrijf. Sinds 2021 zou hij zijn alcoholgebruik hebben geminderd en gebruikt hij minder harddrugs. Hij gebruikte voor detentie speed, om rust in zijn hoofd te creëren (ADHD), terwijl hij ook medicatie gebruikte. Hij heeft bewindvoering en betaalt nog een schadevergoedingsmaatregel af. Het contact met zijn ouders en kinderen zijn belangrijk voor verdachte. De reclassering beschouwt deze

zaken als beschermende en steunende factoren.

Verdachte is bekend bij de reclassering en heeft in het verleden toezicht en behandeling gehad. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van langere duur de enige passende straf is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere afdoening van de zaak miskend zou worden. Gelet op het voorgaande en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), acht de rechtbank een gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie passend en geboden. Dit betekent dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf oplegt van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

4. [ [slachtoffer 4] , tot een bedrag van 10.018,78 ter zake van materiële schade en 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het gestolen contant geld ter waarde van 4.020,00 en de 150,00 voor de gestolen ring kan worden toegewezen. Voor wat betreft de 139,15 voor de vernielde kluis heeft de officier van justitie betoogd dat de rechtbank gebruik dient te maken van haar schattingsbevoegdheid. Zij stelt dat het bedrag dient te worden gematigd tot 115,00, nu in de vordering geen rekening is gehouden met de afschrijfkosten. De gevorderde 592,81 voor het gestolen gereedschap moet volgens de officier van justitie worden afgewezen, omdat deze goederen retour zijn gegaan naar aangever. Het toe te wijzen bedrag van 4.877,81 dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Gelet op de gevorderde vrijspraak heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële vordering van 54.325,00 met uitzondering van de 100,00 voor de tassen toegewezen kan worden. De 100,00 is niet onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor wat betreft de immateriële vordering van 1.000,00 heeft de officier van justitie betoogd dat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag van 55.225,00 dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]

Gelet op de bewezenverklaring van de schuldheling van de goederen, die retour zijn gegaan naar aangever, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering van 12.018,78 moet worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van alle vorderingen

De verdediging heeft primair betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraken.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade van 4.020,00 en 150,00 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade van de vernielde kluis op 115,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen. Voor wat betreft

592,81 oordeelt de rechtbank dat het gestolen gereedschap retour is gegaan naar de aangever. De rechtbank zal dit deel van de vordering derhalve afwijzen. De rechtbank komt tot toewijzing van een bedrag van in totaal 4.877,81 voor materiële schade.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van 54.325,00, met uitzondering van de 100,00 voor de tassen, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag van 100,00 zal de rechtbank afwijzen. De materiële vordering waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal worden toegewezen tot een bedrag van 54.225,00.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd of aangetoond. De rechtbank overweegt daarbij dat de benadeelde partij ten tijde van de inbraak niet aanwezig was in haar woning en dus niet geconfronteerd is met de aanwezigheid van verdachte in haar woning. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in voornoemd artikel is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt derhalve afgewezen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partij. Verdachte is vrijgesproken voor het primair ten laste gelegde diefstal met braak en (enkel) veroordeeld voor het subsidiaire feit, schuldheling. Er bestaat daarom geen rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de in de vordering genoemde kostenposten. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk verklaren.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

De inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de (vuurwapen gelijkende) vuurwapens, munitie en het vuurwerk dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Deze goederen behoren toe aan verdachte en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 63, 311 en 417 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 primair, 3, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 6 STK Patroon (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881565);

1 STK Revolver (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881566);

- 5 STK Patroon (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881571);

1 STK Revolver (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881573);

- 1 STK Pistool (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881574);

1 STK Patroonhouder (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881576);

- 1 STK Pistool (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1881578);

- 36 STK Kruit (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1882090);

- 23 STK Patroon (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1882093);

- 1 STK Wapen (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1882097);

- 1 STK Wapen (voorwerpnummer: PL0100-2025121919-G1882098).

Benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 4.877,81 (zegge: vierduizend achthonderdzevenenzeventig euro en eenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 48 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van feit 2

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 2] zijn eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:

Wijst de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 54.225,00 (zegge: vierenvijftigduizend tweehonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 239 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van feit 4

Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 4] zijn eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Eckert, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Mr. C.A.M. Veenbaas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.P. Eckert
  • mr. R.B. Maring
  • mr. C.A.M. Veenbaas

Griffier

  • mr. J.R. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand