ECLI:NL:RBNNE:2026:1926

ECLI:NL:RBNNE:2026:1926

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 18.006951.26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Veroordeling voor een poging afpersing, mishandeling en afpersing tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.006951.26

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.148955.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. Dolinski, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Assen, althans in Nederland, op de openbare weg te weten de [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een paar schoenen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen of volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Assen, althans in Nederland, op de openbare weg te weten de [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Assen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] met een beugelslot, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;

3.

hij op of omstreeks 26 december 2025 te Assen, althans in Nederland, op de openbare weg te weten het [adres] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde, door tegen die [slachtoffer 3] (op dwingende en/of dringende toon) te zeggen dat hij de jas mooi vond en ook wilde hebben en/of dat dat hij zijn jas moest uittrekken en al zijn spullen uit zijn zakken moest halen en/of dat hij de jas nu moest geven, omdat hij anders alles eruit sloeg, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of terwijl hij, verdachte, zijn rechterhand in de linkerbinnenzak van zijn jas had;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 december 2025 te Assen, althans in Nederland, op de openbare weg te weten het [adres] , een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- tegen die [slachtoffer 3] (op dwingende en/of dringende toon) te zeggen dat hij de jas mooi vond en ook wilde hebben en/of dat dat hij zijn jas moest uittrekken en al zijn spullen uit zijn zakken moest halen en/of dat hij de jas nu moest geven, omdat hij anders alles eruit sloeg, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of terwijl hij, verdachte, zijn rechterhand in de linkerbinnenzak van zijn jas had.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte weliswaar om afgifte van de schoenen heeft gevraagd, maar geweld toepast richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen dat niet lukte en dat dus sprake is van een poging diefstal met geweld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en dat hoogstens tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit kan worden gekomen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het enige directe bewijs dat aangever beroofd is de verklaring van aangever zelf is en verdachte vanaf het begin een alternatief scenario heeft geboden dat niet door de bewijsmiddelen wordt weerlegd, te weten dat hij zijn eigen jas ging ophalen in de bus. Er is dan ook onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte aangever van zijn jas heeft beroofd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1 en 2

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. ​De door verdachte ter zitting van 12 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op 7 januari 2026 twee jongens, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heb aangesproken en heb gezegd “oh jij bent niet die guy die mijn schoenen heeft”. Het klopt ook dat ik met een fietsslot in de richting van deze twee jongens heb geslagen. Toen ontstond er een gevecht.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2026, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026006412 d.d. 1 februari 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 7 januari 2026 was ik met mijn vriend [slachtoffer 2] in Assen. Nabij het rooster van de ingang van de parkeergarage op de [adres] werd ik vastgepakt bij mijn rechterschouder en werd ik omgekeerd. Hij zei gelijk "jouw schoenen moet ik hebben". Ik zei tegen hem "Nee waarom." Die jongen zei tegen mij dat hij alleen slippers had en geen schoenen. We bleven toen in die discussie, dat hij mijn schoenen wilde hebben. Ik wilde dit niet en toen zag ik dat hij met zijn linkerhand zijn jas opendeed en dat hij met zijn rechterhand in de jas ging. Toen trok hij een U beugel fietsslot uit de binnenkant van zijn jas en toen hij dit trok, haalde hij gelijk uit naar mij toe. Ik zag dat hij de beugel van het slot vasthield en dat hij sloeg met het slot gedeelte op ons. Ik stapte gelijk 1 a 2 stappen achteruit en het fiets slot miste mij. Daarna zag ik dat hij gelijk met het slot insloeg op [slachtoffer 2] . Ik wilde dit stoppen en toen ging ik hem met mijn rugzak terugslaan. Ik weet niet meer goed of ik hem heb geraakt. Toen zag ik dat die jongen in een worsteling zat met [slachtoffer 2] . Ik zag dat hij [slachtoffer 2] een paar keer met het slot raakte. We raakten in een worsteling met hem en we hebben hem op de muur gedrukt. Ik weet dat we hem twee keer hebben aangedrukt en ik probeerde het slot van hem vast te pakken. Dit lukte niet en de jongen viel op de grond. Toen was het voorbij.

In de worsteling met die jongen ben ik twee keer geraakt. Ik heb een dikke bult, schuin boven mijn linker wenkbrauw en ik heb ook een wond op mijn hoofd. Ik heb wonden op mijn gezicht en bovenkant van mijn hoofd. Mijn hoofd doet ook zeer.

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2026, opgenomen op p. 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 7 januari 2026 was ik samen met [slachtoffer 1] in Assen. Uit het niets werd mijn vriend [slachtoffer 1] aan zijn schouder getrokken. Ik keek om en hoorde dat de jongen tegen [slachtoffer 1] zei: 'Wajoh, ik dacht dat jij een andere nigger was die mijn schoenen had gestolen.' Ik hoorde dat [slachtoffer 1] tegen de persoon zei: 'dat heb ik niet gedaan.' Ik hoorde dat de persoon tegen [slachtoffer 1] zei: 'jouw schoenen heb ik eigenlijk wel nodig.' Hierop zei [slachtoffer 1] tegen de jongen: 'deze kan je online bestellen.' Ik hoorde de jongen zeggen: 'ik heb geen schoenen en heb ze nu nodig.' Ik zag dat de jongen met zijn rechterhand naar zijn binnen jaszak greep. Ik zag dat hij een fietsslot uit zijn jaszak haalde. Ik kan het slot omschrijven als een U-slot. Ik zag dat het slot ongeveer twintig centimeter lang was. Ik zag dat de jongen zijn rechterarm naar achteren haalde. Ik zag dat hij zijn rechterarm naar voren zwaaide in de richting van [slachtoffer 1] . Hierna zag ik de jongen zijn rechterarm weer naar achteren hield ik zag dat hij nog steeds het slot in zijn rechterhand had. Ik zag dat hij met kracht zijn rechterarm naar voren haalde. Ik voelde een harde klap op mijn hoofd. Dit was op de linker gedeelde van mijn hoofd. Ik voelde dat ik boos werd, ik dacht gelijk, ik laat mij niet zomaar slaan. We kwamen in gevecht met de jongen. Ik zag dat [slachtoffer 1] met de jongen in gevecht was.

Hierna heb ik samen met [slachtoffer 1] de jongen vastgepakt en tegen een muurtje aanduwt. Ik zag dat [slachtoffer 1] het slot uit de handen van de jongen wilde pakken. Dit mislukte helaas. Ik zag dat de

jongen ineens op de grond lag.

Nadat de jongen weg was voelde ik met mijn linkerhand op mijn hoofd. Ik had het gevoel dat ik een gat in mijn hoofd had. Dit kwam doordat hij mij sloeg met een slot. Ik voelde aan mijn hoofd en voelde een pijn. De drukkende pijn op mijn hoofd. Ik zag dat mijn linkerhand onder het bloed zat.

Feit 3

1. ​De door verdachte ter zitting van 12 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 25 december 2025 was ik op station Assen met een paar vrienden. Het klopt dat ik degene ben die rennend op de beelden van station Assen te zien is met een jas in zijn hand. Dat was een zwarte, neppe Burberry jas met een grijs zwart Burberry patroon aan de binnenkant van de capuchon.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 december 2025, opgenomen op p. 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 26 december 2025, om 23.48 uur, stond ik te wachten bij de bushalte op het station in Assen. Op de plek waar ik stond waren er niet meer mensen aanwezig. Ik droeg mijn zwarte, namaak, Burberry jas. De binnenkant van de cappuchon was voorzien van een zwarte, grijze en witte kleur. Ik stond ter hoogte van het bloemenperkje (nabij peron D) toen ik zag dat er een jongen op mij af liep. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij mijn jas mooi vond en deze ook wilde hebben. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn jas moest uittrekken en al mijn spullen uit mijn zakken moest halen. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik de jas nu moest geven. Ik zag dat de jongen zijn rechterhand in de linkerbinnenzak van zijn jas had. Ik voelde mij bang omdat ik bang was dat hij wapens bij zich droeg. Ik hoorde dat de jongen zei dat ik mijn jas nu moest geven omdat hij anders alles eruit sloeg. Ik gaf mijn jas aan de jongen. Ik zag dat de jongen wegrende richting de overdekte stationshal. Ik zag dat er tussen de bushaltes en de overdekte stationshal een bedrijfsbusje met aanhanger stond met daarnaast enkele personen. Ik hoorde dat de mannen zeiden dat de jongen met een groepje van ongeveer vier personen was, waarvan één een meisje op een fiets.

Ik kan de jongen die mij beroofde van mijn jas als volgt omschrijven:

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bevindingen van verbalisanten:

Op 26 december 2025, omstreeks 23:53 uur kregen wij de melding van het Operationeel Centrum Noord-Nederland om te gaan naar het station in Assen. Aldaar zou melder zojuist nabij de bushaltes zijn beroofd van zijn jas. Wij, verbalisanten, wisten dat er een politiecamera de voorzijde van de stationshal filmde.

Deze camera is terug te kijken vanaf het politiebureau. Op de beelden zagen wij het volgende:

23:44:30 uur: 4 mannen en 1 vrouw lopen vanaf person D (bushalte) richting de voorzijde stationshal. De 5 personen verplaatsen zich als groep en horen zichtbaar bij elkaar. 4 mannen blijven voor stationshal staan. De vrouw haalt een damesfiets op uit de bewaakte fietsenstalling.

23:44:50 uur: De vrouw is teruggekomen met een damesfiets. 1 man is reeds weggelopen, volledig uit beeld. 3 mannen blijven voor stationshal staan. 1 van de 3 mannen (de verdachte) loopt terug richting person D (bushalte). De verdachte rent kort daarop volgend terug met een jas in zijn hand. De verdachte springt achterop de fiets van de vrouw. De vrouw en verdachte fietsen samen weg in de richting van het centrum. De vrouw en de verdachte verdwijnen uit beeld.

De verdachte kunnen wij als volgt omschrijven:

4. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 januari 2026, opgenomen op p. 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Ik ben begeleider van de woongroep [instelling] in [adres] . [verdachte] verblijft bij ons in de woongroep. Ik heb de zwarte jas voor het eerst op 2 januari 2026 bij [verdachte] gezien. Ik heb voor 2 januari 2026 deze jas nog niet gezien bij [verdachte] .

Bewijsoverweging

Feit 1 en 2

De rechtbank acht kort gezegd wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door middel van geweld heeft geprobeerd de schoenen van aangever [slachtoffer 1] afhandig te maken. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de gedragingen van verdachte geen poging tot diefstal met geweld opleveren nu verdachte op geen enkele manier heeft geprobeerd de schoenen van aangever weg te nemen.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De gedragingen van verdachte zien erop aangever ertoe te bewegen de schoenen aan verdachte af te geven. Dit levert een poging tot afpersing op, zodat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarnaast leveren de geweldshandelingen mishandeling op, zodat ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat er sprake is van eendaadse samenloop met het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde.

Feit 3

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte door middel van bedreiging met geweld aangever [slachtoffer 3] ertoe heeft bewogen zijn jas af te geven. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op beelden van het trein- en busstation in Assen, waar aangever van zijn jas is beroofd, is verdachte te zien, samen met drie anderen, waarvan één meisje op een fiets. Te zien is dat verdachte op enig moment

richting perron D waar aangever op een bus stond te wachten en de beroving heeft plaatsgevonden loopt en kort daaropvolgend terugrent met een jas in zijn hand. Verdachte stelt dat hij zijn jas in de bus was vergeten en is teruggelopen naar de bus om deze op te halen en dat hij aldus niets met een beroving te maken heeft.

De rechtbank acht dit alternatieve scenario van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. In de eerste plaats komt het signalement dat aangever van zijn overvaller geeft overeen met het signalement van verdachte, terwijl verdachte blijkens de beelden op het moment van de beroving in de buurt was van perron D. Blijkens de verklaring van aangever waren er op dat moment ook geen andere mensen aanwezig op de plek waar hij stond te wachten. Daarnaast komt de jas die verdachte zegt te zijn vergeten in de bus op zeer gedetailleerd niveau overeen met de jas van aangever. In beide gevallen betreft het immers een namaak Burberry-jas met een grijs/zwart geruit Burberry-patroon aan de binnenkant van de capuchon.

Hiertegenover staat dat verdachte weinig tot niets kan verklaren over de persoon van wie hij de jas drie á vier maanden voor de overval zou hebben gekocht. Daar komt bij dat de verklaring over de aankoop van de jas ook voor het overige weinig concreet en op geen enkele manier verifieerbaar is. Bovendien verklaart een begeleider van de woongroep waar verdachte verblijft, [getuige] , dat hij verdachte pas op 2 januari 2026, enkele dagen na de overval, voor het eerst met de jas heeft gezien, waar verdachte stelt de jas 3 á 4 maanden eerder te hebben gekocht.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank de lezing van verdachte volstrekt ongeloofwaardig en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die aangever heeft afgeperst. Het onder 3 primair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 7 januari 2026 te Assen, op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een paar schoenen, die toebehoorden aan die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij op 7 januari 2026 te Assen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] met een beugelslot tegen het hoofd te slaan;

3. primair

hij op 26 december 2025 te Assen, op de openbare weg te weten het [adres] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte

van een jas, die geheel aan die [slachtoffer 3] toebehoorde, door tegen die [slachtoffer 3] (op dwingende en/of dringende toon) te zeggen dat hij de jas mooi vond en ook wilde hebben en dat dat hij zijn jas moest uittrekken en al zijn spullen uit zijn zakken moest halen en dat hij de jas nu moest geven, omdat hij anders alles eruit sloeg terwijl hij, verdachte, zijn rechterhand in de linkerbinnenzak van zijn jas had.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

Eendaadse samenloop van

Ten aanzien van feit 3 primair

3. primair afpersing

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair op basis van het jeugdstrafrecht wordt veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie waarvan 67 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met daarnaast een taakstraf voor de duur van 90 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit geen verdere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat volstaan kan worden met het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden van de reclassering. De raadsvrouw heeft daarnaast bepleit om de door de officier van justitie geëiste taakstraf niet op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en aan een poging tot afpersing. Op 26 december 2025 heeft verdachte een volstrekt willekeurige jongen die op het station in Assen op zijn bus stond te wachten er door middel van bedreiging toe gedwongen zijn jas af te geven. Nog geen twee weken later, op 7 januari 2026, heeft verdachte geprobeerd de schoenen van een andere jongen afhandig te maken. Toen deze jongen zijn schoenen niet af wilde geven, heeft verdachte zowel deze jongen als zijn vriend ernstig mishandeld door beide jongens meerdere malen met een beugelslot op het hoofd te slaan. Beide slachtoffers hebben hierdoor een hoofdwond opgelopen.

Straatroven zijn ernstige feiten die een grote impact hebben op de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Dat daar ook in het onderhavige geval sprake van is, blijkt uit de vorderingen van de drie benadeelde partijen waarin zij alle drie beschrijven dat zij erg angstig zijn geworden door wat hen is overkomen. De verdachte heeft met zijn gedrag laten zien dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendommen en voor de lichamelijke integriteit van anderen, in het bijzonder voor de twee slachtoffers die hij op het hoofd heeft geslagen met een beugelslot. Bovendien zorgen feiten als de onderhavige voor gevoelens van angst, onveiligheid en onrust in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

Persoonlijke omstandigheden verdachte

Uit de rapportages van de reclassering volgt dat verdachte een kwetsbare jongeman is die jaren geleden samen met zijn moeder uit Iran is gevlucht. Er is vermoedelijk sprake van psychische problematiek, waaronder traumas uit het verleden. Ten tijde van onderhavige feiten woonde verdachte begeleid, had hij geen dagbesteding, had hij een negatief sociaal netwerk en was hij op dagelijkse basis onder invloed van cannabis. Ook was er sprake van een jeugdreclasseringsmaatregel en begeleiding vanuit Accare.

Inmiddels is er dankzij detentie een omslag geweest in het gedrag van verdachte en is hij gestopt met cannabisgebruik, hij heeft werk gevonden en hij is gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken. Gelet op alle problemen die er in het leven van verdachte spelen en nu deze positieve gedragsverandering nog maar zeer recent is, adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met een stevig kader aan bijzondere voorwaarden, om er op toe te zien dat verdachte niet terugvalt in delictgedrag. Verdachte heeft ter zitting beaamt zijn leven anders vorm te willen geven en bereid te zijn mee te werken aan de

geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De reclassering adviseert tot slot deze deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen met toepassing van het jeugdstrafrecht. Daartoe overweegt de reclassering dat verdachte ten tijde van de feiten net achttien jaar oud was, de indruk is dat hij op sociaal-emotioneel gebied beperkt ontwikkeld is, verdachte nog “vormbaar” is aangaande zijn gedrag en hij meer gebaat is bij een opvoedkundige aanpak waarbij de nadruk ligt op de positieve beïnvloeding van de ontwikkeling dan bij een aanpak vanuit het volwassenenstrafrecht waarbij de nadruk meer op vergelding ligt.

Gelet op de hiervoor omschreven kwetsbaarheden van verdachte, zijn beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling en het belang van pedagogische beïnvloeding, ziet de rechtbank in de persoon van verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De straf

Gelet op de ernst van de feiten en het door verdachte toegepaste geweld kan ondanks de toepassing van het jeugdstrafrecht naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een deels voorwaardelijke jeugddetentie, zoals bepleit door de raadsvrouw. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte jeugddetentie opleggen voor de duur van 90 dagen waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en daarnaast een taakstaf van 90 uren.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de AirPods ter waarde van 149,- die de benadeelde partij tijdens de vechtpartij is kwijtgeraakt voor vergoeding in aanmerking komen en dat [slachtoffer 2] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding in verband met de materiële en immateriële schade toewijsbaar is en dat de [slachtoffer 3] in zijn vordering met betrekking tot de proceskosten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de AirPods toewijsbaar is, maar dat rekening gehouden dient te worden met afschrijving. Voor het overige is de vordering van [slachtoffer 2] niet toewijsbaar.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering op het punt van de jas niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu de vordering op dit punt niet onderbouwd is. Ook ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat enkel angstgevoelens onvoldoende zijn om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Ook de benzinekosten dienen niet-ontvankelijk verklaard te worden in verband met het ontbreken van onderbouwen.

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] (feit 1 en 2)

Verzocht wordt een bedrag van 1.750,- aan immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan

de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 januari 2026.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 2] (feit 1 en 2)

Verzocht wordt een bedrag van 303,99 aan materiële schade, bestaande uit:

Daarnaast wordt een vergoeding gevraagd voor reiskosten naar het ziekenhuis, de huisarts en het politiebureau. Hier is door benadeelde geen bedrag aan gekoppeld.

Voorts wordt een vergoeding gevraagd in verband met immateriële schade. Ook hier wordt geen bedrag aan gekoppeld door benadeelde.

Ten aanzien van de Apple AirPods is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet de aankoopprijs, maar de dagwaarde van de weggeraakte AirPods dient te worden vergoed. De rechtbank is evenwel van oordeel dat geen sprake is van aftrek van de waarde van de AirPods door afschrijving, omdat de AirPods ten tijde van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten minder dan één jaar oud waren. Nu voorts de hoogte van de vordering niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank het gehele gevorderde bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 januari 2026.

Ten aanzien van de kosten voor de verzekering van voornoemde AirPods is de rechtbank van oordeel dat deze niet in zodanig (rechtstreeks) verband staan met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, dat deze schadepost aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij op dit punt dan ook afwijzen.

Ten aanzien van de winterjas is onvoldoende onderbouwd dat deze schade daadwerkelijk is geleden. Evenmin is de hoogte van de schade onderbouwd. De vordering zal op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan wel nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de reiskosten geldt dat deze onvoldoende zijn onderbouwd nu benadeelde geen concreet bedrag heeft gevorderd voor de door hem gemaakte kosten. De vordering zal ook op dit punt niet-

ontvankelijk verklaard worden. Dit deel van de vordering kan wel nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de gevraagde immateriële schadevergoeding geldt eveneens dat deze schade onvoldoende is onderbouwd nu benadeelde geen concreet bedrag heeft gevorderd. De vordering zal ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaard worden. Dit deel van de vordering kan wel nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Concluderend zal er een bedrag van 34,99 aan materiële schade worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 januari 2026.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 3] (feit 3)

Verzocht wordt:

Ten aanzien van de jas zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren omdat de rechtbank hierna zal bepalen dat deze jas, die onder verdachte in beslag is genomen, aan benadeelde dient te worden teruggegeven.

Ten aanzien van de proceskosten is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, alsmede waar de benzinekosten precies op zien. De vordering zal ook op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer er sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Hiervan kan in de eerste plaats sprake zijn indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daartoe overweegt de rechtbank dat benadeelde volstrekt willekeurig slachtoffer is geworden van bedreiging met geweld op straat, terwijl hij nietsvermoedend op zijn bus stond te wachten; een onschuldige, dagelijkse situatie waarbij men niet zou moeten hoeven vrezen met (bedreiging met)

geweld in aanraking te komen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand dat een slachtoffer van een dergelijk incident ernstig wordt aangetast in zijn veiligheidsgevoel. De rechtbank acht een vergoeding van immateriële schade dan ook op zijn plaats en acht de gevraagde vergoeding van 200,-passend zodat dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 december 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Beslag

Onder verdachte is een zwarte namaak Burberry-jas in beslag genomen waar hij geen afstand van heeft gedaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de jas dient te worden teruggegeven aan aangever [slachtoffer 3] , nu vaststaat dat deze jas de gestolen jas van aangever is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gelet op de bepleitte vrijspraak van feit 3 op het standpunt gesteld dat de jas aan verdachte dient te worden teruggegeven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, gelet op de bewezenverklaring van het onder feit 3 primair ten laste gelegde, gelasten dat de jas aan aangever [slachtoffer 3] dient te worden teruggegeven, nu hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 7 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 november 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 15 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd nu verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu de onderhavige feiten van heel andere orde zijn dan het feit waarvoor verdachte de voorwaardelijke werkstraf opgelegd had gekregen te weten een leerplichtzaak en het doel van de voorwaardelijke straf, dagbesteding, inmiddels is verwezenlijkt.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. De rechtbank is echter met de raadsvrouw van oordeel dat de onderhavige feiten en het feit waarvoor verdachte destijds de voorwaardelijke werkstraf opgelegd heeft gekregen in een dusdanig ver verwijderd verband van elkaar staan dat de rechtbank het niet passend acht om de voorwaardelijk opgelegde werkstraf in onderhavige zaak ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, het onder 2 en het onder 3 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 68 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is gestart tijdens het schorsingstoezicht en zal door blijven lopen. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op middelenproblematiek, beheersing van agressie, het inzicht krijgen op gedrag en emoties en het behandelen van eventuele trauma's;

3. Veroordeelde verblijft, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering dat nodig vindt, in [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;

4. Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur en/of werkt mee aan de toeleiding naar passend betaald werk. Daarnaast kijkt betrokkene naar mogelijkheden om onderwijs te gaan volgen, teneinde een startkwalificatie te verkrijgen voor de

arbeidsmarkt;

5. Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

6. Veroordeelde geeft de reclassering gedurende de proeftijd inzicht in zijn sociale netwerk;

7. Veroordeelde geeft de reclassering gedurende zijn proeftijd inzicht in zijn financiën.

Geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Leeuwarden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair en feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.750,- (zegge: duizendzevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

[slachtoffer 2] (feit 1 subsidiair en feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk ten aanzien van de jas, de reiskosten en het immateriële deel. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] ten aanzien van de verzekering van de AirPods af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 34,99 (zegge: vierendertig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

[slachtoffer 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:

- het bedrag van 200,- (zegge: tweehonderd euro);

Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 200,- (zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslag

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen jas (Burberry, zwart) aan [slachtoffer 3] .

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18. 148955.24:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 7 november 2024.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. F. Sieders, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Mrs. Soppe, Brinksma en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.M.B. Soppe
  • mr. M. Brinksma
  • mr. F. Sieders

Griffier

  • mr. L. Lamers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand