RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[naam 1 ] , verzoeker
de burgemeester van Oldambt
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1355
[naam 2] , verzoekster, uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. R.J. van der Vijver)
en
(gemachtigde: mr. P. Suk en M. Ubels)
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekers op het adres plaatselijk bekend als [adres] . De burgemeester was aanvankelijk van plan om de woning te sluiten voor de duur van zes maanden vanaf 30 april 2026, 10.00 tot en met 30 oktober 2026, 10.00, maar hij heeft toegezegd te wachten met de sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Verzoekers zijn het niet eens met de sluiting. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 april 2026 heeft de burgemeester besloten om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten, vanaf 30 april 2026, 10:00 uur tot en met 30 oktober 2026, 10.00 uur. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de dochter van verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan totdat er is beslist op het bezwaar. Daarnaast is de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De relevante wetgeving staat in de bijlage.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd is om de woning te sluiten op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet. Evenmin is de geschiktheid van de sluiting van de woning in geschil in de zin van rechtsoverweging 9. van de uitspraak van 16 juli 2025 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de overzichtsuitspraak).
6. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij cocaïne heeft verkocht aan vrienden. In zoverre staat tussen partijen vast dat cocaïne (ook) in de woning aanwezig was ten behoeve van handel. Dat vindt steun in de grote hoeveelheid cocaïne die is aangetroffen (746,7 gram) alsmede een weegschaal en een grote hoeveelheid gripzakjes. Hierom is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de noodzakelijkheid van de sluiting van de woning een gegeven, in de zin van rechtsoverweging 10.2 van de overzichtsuitspraak.
7. Tussen partijen is de evenwichtigheid van de sluiting in geschil. Daarbij gaat het niet om wat voor verzoekers de meest wenselijke uitkomst is, maar om het antwoord op de vraag of een sluiting zodanig onevenwichtig zou zijn dat de burgemeester niet tot sluiting van de woning zou mogen overgaan. Daarbij gaat het erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting. De voorzieningenrechter heeft de dochter van verzoekers gehoord buiten aanwezigheid van anderen dan de griffier. Dat wat [naam 3] heeft gezegd bevestigt de informatie die in het dossier zit.
8. In dit verband is van belang dat uit de medische informatie niet is gebleken van een binding van verzoekers met de woning. Dat op basis van de medische informatie aannemelijk is dat het in het belang van verzoeker is om stress te vermijden en dat hij daartoe baat heeft bij verblijf in een gestructureerde omgeving, is op zich beschouwd niet voldoende voor het oordeel dat verzoekers in de woning zouden moeten blijven wonen en dat sluiting van de woning daarom onevenwichtig is. De voorzieningenrechter heeft daarbij betrokken dat verzoekers op een camping kunnen verblijven en dat de dochter terechtkan bij haar oma. Hoezeer ook de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekers, de dochter en de huisdieren belastend is om de woning tijdelijk te moeten verlaten, het is geen reden om de sluiting achterwege te laten.
9. [naam 3] heeft de voorzieningenrechter vooral verteld over de praktische gevolgen van de sluiting van de woning voor haar. Deze uitspraak moet niet zo worden uitgelegd dat haar een verwijt kan worden gemaakt van het niet-toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
10. Naar voorlopig oordeel heeft het bezwaar tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen, zodat hierin geen reden is gelegen voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
11. Griffierecht en proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
12. Het voorgaande betekent dat de maatregel van sluiting voor de duur van zes maanden in stand blijft. Niet kan worden uitgesloten dat de woning rechtmatig in gebruik is ten tijde van deze uitspraak, gelet op de toezegging van de burgemeester om de sluiting van de woning op te schorten in afwachting van deze uitspraak. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op maandag 25 mei 2026 om 10.00 uur en eindigt op woensdag 25 november 2026 om 10.00 uur, zodat aan verzoekers een korte periode wordt geboden om de woning te verlaten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: de voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2. […]
Lijst I