RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[naam 1], uit [plaats], verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1290
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, het college
(gemachtigde: O.Y. Lap).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [plaats] (vergunninghouder).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een omgevingsvergunning die is verleend voor het bouwen van een woning aan de [adres] in [plaats]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel [adres] in [plaats]. Verzoeker is eigenaar van het naastgelegen perceel. Met het besluit van 26 juni 2025 (primair besluit 1) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning verleend.
Naar aanleiding van de bezwaren van verzoeker heeft het college de vergunning van 26 juni 2025 vervangen met het herstelbesluit van 10 oktober 2025 (primair besluit 2). Vanwege strijdigheden met het omgevingsplan, te weten (onder andere) de bouwhoogte, is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) verleend.
Bij besluit van 11 december 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen voor wat betreft de kleur van de dakpannen. Voor het overige is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang. Vergunninghouder heeft meegedeeld te zijn gestart met de bouwwerkzaamheden en is niet bereid de werkzaamheden te staken tot de uitspraak in de bodemprocedure.
Beslissen in de hoofzaak
4. Op zitting heeft verzoeker aangegeven zijn beroepschrift aan te willen vullen ten aanzien van het onderdeel welstand. Hij denkt erover na om een deskundige in te schakelen voor een tegenadvies. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om alleen te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Er zal dus niet ook op het beroep worden beslist (op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht).
Overgangsrecht
5. De aanvraag om een omgevingsvergunning is gedaan na 1 januari 2024. Gelet hierop geldt de Omgevingswet en de bijbehorende onderliggende regelgeving.
Participatie
6. Op zitting heeft verzoeker zijn beroepsgrond dat er geen participatie heeft plaatsgevonden, ingetrokken. Deze beroepsgrond wordt dan ook verder niet besproken en beoordeeld.
Bezwaarschrift
7. Verzoeker voert aan dat het college nooit heeft gereageerd op zijn bezwaarschrift tegen het herstelbesluit. Hij voert aan dat een hoorzitting was gepland voordat de bezwaartermijn was verstreken. Verzoeker had graag meer tijd willen hebben omdat met het herstelbesluit een omgevingsvergunning voor een bopa is verleend.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 26 juni 2025. Vervolgens heeft het college op 10 oktober 2025 het herstelbesluit genomen. Ten aanzien van dit besluit eindigde de bezwaartermijn op 21 november 2025. De hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie vond plaats op 21 oktober 2025. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen (nader) bezwaarschrift is ingediend tegen het herstelbesluit.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het besluit waar het bezwaar zich tegen richt.
Dat betekent dat het bezwaarschrift van verzoeker tegen het besluit van 26 juni 2025 (automatisch) ook gericht was tegen het herstelbesluit. Daar hoefde verzoeker niks voor te doen. Met de beslissing op bezwaar is op alle bezwaren van verzoeker beslist, ook de bezwaren tegen het herstelbesluit.
Hoewel de voorzieningenrechter het met verzoeker eens is dat het college voortvarend heeft gehandeld met het plannen van een hoorzitting, is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze werkwijze niet zou zijn toegestaan. Verder is niet gebleken dat verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad. Hij heeft namelijk tijdens de hoorzitting ook zijn bezwaren tegen het herstelbesluit naar voren kunnen brengen. Dat heeft verzoeker tijdens de zitting ook niet bestreden. Uit de stukken volgt evenmin dat verzoeker het college heeft gevraagd om extra tijd voor het indienen van nadere bezwaren of stukken tegen het herstelbesluit. Het betoog slaagt daarom niet.
Publicatie
9. Verzoeker voert aan dat de vergunning voor verlening van de omgevingsvergunning voor een bopa onduidelijk is gepubliceerd en niet zichtbaar is via ‘regels op de kaart’. Bij verlening van een bopa is dat een vereiste, aldus verzoeker.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog niet slaagt.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de wet volgt dat tegelijkertijd met of zo spoedig na de bekendmaking van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning, het bevoegde gezag kennis moet geven van dat besluit op de manier zoals artikel 12 van de Bekendmakingswet voorschrijft. Dat is in dit geval een kennisgeving in het gemeentelijke publicatieblad. Voor een omgevingsvergunning voor een bopa geldt dat in de kennisgeving wordt vermeld dat het gaat om een bopa.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunning driemaal is gepubliceerd in het digitale gemeenteblad van de gemeente Oldambt. In de eerste twee publicaties is niet vermeld dat een omgevingsvergunning voor een bopa is verleend, zodat niet wordt voldaan aan artikel 16.64a, tweede lid, van de Omgevingswet. In de laatste publicatie (22 april 2026), van na de beslissing op bezwaar, staat dat het college de omgevingsvergunning heeft vervangen en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft verleend. Dat betekent dat de kennisgeving inmiddels voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Aangezien verzoeker, ondanks de onvolledige kennisgeving, tijdig bezwaar heeft kunnen maken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vanwege dit gebrek het besluit te schorsen. Niet gebleken is namelijk dat verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad.
De voorzieningenrechter is verder niet gebleken dat het college verplicht is om de omgevingsvergunning voor een bopa op de website ‘regels op de kaart’ op te nemen. Dat betoog slaagt niet.
Bodem
11. Verzoeker voert aan dat er oude grondonderzoeken uit 2017 zijn aangehaald ter onderbouwing van de bopa. De geldigheidsduur van deze documenten zijn verlopen.
Het college stelt zich op het standpunt dat de stukken nog representatief zijn. Het rapport uit 2005 toont aan dat er geen sprake was van bodemverontreiniging. Sindsdien zijn er veel woningen gebouwd in Blauwestad. De kavel die overbleven, zijn opnieuw onderzocht in 2017. In dat onderzoek zijn ook PFAS-monsters genomen. Dit onderzoek toonde ook geen vervuiling aan. Het perceel van vergunninghouder is niet gebruikt en altijd braakliggend geweest. Er zijn geen verdenkingen voor potentiële bodemverontreiniging, zodat het rapport uit 2017 voldoende actueel is.
12. Deze grond slaagt niet. Gelet op artikel 16.5, tweede lid, van de Omgevingswet, kan het college bij het nemen van een besluit gebruik maken van gegevens uit rapporten die ouder zijn dan twee jaar, als wordt onderbouwd dat de gegevens nog actueel zijn. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dat voldoende gedaan. Verzoeker heeft de uitleg van het college op zitting ook niet betwist.
Beeldkwaliteitsplan
13. Verzoeker voert aan dat de vergunning in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan ‘Het Riet’ (Bkp). Het Bkp stelt als eis dat woningen maximaal uit één of twee bouwlagen met kap mogen bestaan. Het bouwplan bestaat uit een woning met drie bouwlagen met kap. De derde bouwlaag kan volgens verzoeker niet worden aangemerkt als ‘zolder’. Het is volgens de tekeningen een volwaardige ruimte, bereikbaar via een vaste trap, met voldoende stahoogte, voorzien van een gestorte betonnen vloer, ramen en een indeling van de ruimte.
Het college voert aan dat geen sprake is van drie bouwlagen. De bovenste verdieping is aangemerkt als zolder. Volgens de definitie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan is de ruimte die bedoeld is als zolder uitgesloten van het begrip ‘bouwlaag’. Het bouwplan voldoet aan het Bkp. Verder bepaalt het bestemmingsplan niets over de toegestane bouwlagen, maar of de bouwhoogte mogelijk is binnen de regels van het bestemmingsplan. Het college ziet dan ook geen aanleiding om nadere eisen te stellen aan de vergunning.
14. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Op het perceel geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Tynaarlo’. Het tijdelijk deel van het Omgevingsplan wordt gevormd door – voor zover van belang – het bestemmingsplan ‘Blauwestad 2012’ en het bestemmingsplan ‘Veegplan Blauwestad’ (Veegplan). Op het perceel rust op grond van het Veegplan de bestemming “Woongebied – Het Riet”. De planregels bij deze bestemming geven geen voorwaarden ten aanzien van het toegestane aantal bouwlagen.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 40.1 van de planregels van het Veegplan volgt dat het college bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen kan stellen aan de bouw van bouwwerken zodat deze in overeenstemming zijn met de door de gemeenteraad vastgestelde beeldkwaliteitsplannen, waaronder ‘Het Riet’. Uit de bouwregels van het Bkp ‘Het Riet’ volgt dat woningen met een kap, bestaan uit 1 of 2 bouwlagen met kap.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, heeft het college terecht geconcludeerd dat het bouwplan niet in strijd is met het Bkp
De voorzieningenrechter overweegt dat het Bkp geen definitie geeft van het begrip bouwlaag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college, nu getoetst moet worden aan artikel 40.1 van de planregels, kunnen aansluiten bij het begrip ‘bouwlaag’ in de zin van het Veegplan. Op grond van artikel 1, onder y, van de planregels wordt daaronder verstaan: “een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.”
Het Veegplan geeft geen definitie van het begrip ‘zolder’ en ook de toelichting biedt geen aanknopingspunten. De voorzieningenrechter gaat daarom voor de uitleg van dit begrip uit van het normaal spraakgebruik, zoals omschreven in Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal (Van Dale). Het begrip ‘zolder’ is volgens Van Dale: “bovenste verdieping van een gebouw, m.n. zo’n verdieping die nog min of meer bewoonbaar is, meestal onder een schuin dak en (deels) op stahoogte (vaak dienend als bergplaats of bewaarplaats).”
Aangezien de tweede verdieping op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening de bovenste verdieping van de woning is, zich onder een schuin dak bevindt en deels op stahoogte is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een ‘zolder’. Aangezien een zolder is uitgesloten van het begrip bouwlaag, wordt daarmee voldaan aan het Bkp. Het college heeft daarom kunnen afzien van het stellen van nadere eisen op grond van artikel 40.1 van de planregels. Deze grond van verzoeker slaagt niet.
Bouwhoogte
16. Verzoeker voert aan dat het college ten onrechte de bopa heeft verleend. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 38.1 van het bestemmingsplan om af te wijken van de planregels. Met een hoogte van 9,9 meter ontstaat er meer dan 50% hoogteverschil met alle direct omliggende woningen. Er wordt afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld. Verzoeker voert verder aan dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden onevenredig worden aangetast door de schaduwwerking van het nieuwe woonhuis. 90 centimeter hoogteverschil tijdens de winter levert 10% meer schaduw op, met name in de ochtend en namiddag wanneer de zonnestand nog lager is. Het college had een bezonningsonderzoek moeten laten uitvoeren om schaduwwerking uit te sluiten. Dat is niet gedaan. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal).
Het college stelt zich op het standpunt dat de bopa voldoende is gemotiveerd en voldoet aan de voorwaarden die de planregels bieden om af te wijken. Het college heeft gekeken of met de 90 centimeter verhoging er een onevenredige afbreuk plaatsvindt. Het college is van mening dat qua maat en schaal de woning passend is op deze relatief grote kavel. Er is sprake van etfal en er is geen aanleiding om een bezonningsonderzoek uit te laten voeren. Het college verwacht namelijk dat daar geen sprake van kan zijn, gelet op de ruimte afstand (9 meter) tussen de woning van verzoeker en vergunninghouder. Er ligt verder een positief advies van de welstandscommissie. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld.
17. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt. Daarbij moet het de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
18. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 23.2.1, onder d, van de planregels van het Veegplan. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat de goot- en bouwhoogte van de woningen respectievelijk maximaal 5,5 meter en 9 meter bedraagt, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen. Het bouwplan van vergunninghouder ziet op een woning met een nokhoogte van 9,9 meter.
Op grond van artikel 38.1, onder a, van de planregels van het Veegplan kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Daarbij geldt op grond van artikel 38.2 van de planregels dat de in lid 38.1 bedoelde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om een woning van 9 meter te bouwen. De vraag is dus alleen, anders dan verzoeker stelt, of de afwijking van 90 centimeter (hoger) onevenredig is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan, voldoet aan de voorwaarden van artikel 38.1 en 38.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een hogere nokhoogte geen onevenredige gevolgen heeft voor de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing alsmede het straat- en bebouwingsbeeld. Het college heeft van belang kunnen achten dat sprake is van relatief grote kavel en dat een bouwhoogte van 9,9 meter qua maat en schaal passend is, ook ten opzichte van de omliggende woningen. Ten aanzien van het gestelde hoogteverschil met de andere woningen, benadrukt de voorzieningenrechter dat de op grond van de planregels al toegestane bouwhoogte van 9 meter niet ter discussie staat, maar alleen de afwijking van 10%.
In de enkele stelling dat er geen bezonningsonderzoek is uitgevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het besluit te schorsen. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat gelet op de grootte van de kavel en de grote afstand van de geplande woning tot de woning van verzoeker, er naar verwachting geen schaduwwerking plaatsvindt. Voor zover er schaduwwerking zou plaatsvinden, heeft het college ter zitting gemotiveerd toegelicht dat dit geen onevenredige gevolgen heeft voor verzoeker. Verzoeker heeft zijn standpunt ook niet nader onderbouwd dan wel het standpunt van het college op zitting voldoende gemotiveerd weersproken.
Welstand
19. Op zitting heeft verzoeker in de kern betoogd dat hij het niet eens is met dakbedekking van de woning en dat hij vindt dat de woning niet past in de omgeving.
20. Voor zover verzoeker hiermee heeft willen betogen dat de woning en in het bijzonder dakbedekking niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
Wat betreft de woning overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De Welstandscommissie heeft in het advies van 7 oktober 2025 geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Verzoeker heeft geen contra-expertise aan zijn standpunten ten grondslag gelegd.
Ook heeft hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van het welstandsadvies.
Wat betreft de dakpannen overweegt de voorzieningenrechter dat het college in het bestreden besluit gemotiveerd heeft afgeweken van het advies van de welstandscommissie en heeft toegelicht waarom de in het bestreden besluit voorgeschreven uitvoering van de dakpannen voldoet aan zowel de Welstandsnota als het Bkp. Verzoeker heeft dat niet gemotiveerd bestreden, zodat het betoog reeds hierom niet kan slagen.
Gelijkheidsbeginsel
21. Verzoeker voert aan dat met het verlenen van de bopa er rechtsongelijkheid wordt gecreëerd. Alle andere bewoners van ‘Het Riet’ moesten bij het ontwerp van hun woning aan het Bkp te voldoen. Hierdoor hebben zij extra investeringen moeten doen.
22. Deze grond slaagt niet. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college bevoegd is om bij omgevingsvergunning van het omgevingsplan af te wijken. Niet gebleken is dat verzoeker, of de andere omwonenden, hebben verzocht om een bopa en deze is geweigerd. Dat sprake zou zijn van rechtsongelijkheid, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
23. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen bestaat er geen aanleiding om de verleende vergunning te schorsen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: