ECLI:NL:RBNNE:2026:1989

ECLI:NL:RBNNE:2026:1989

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer C/18/26/1151 R en C/18/26/1152 R
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Toewijzing toelating tot de Wsnp, geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Voldoende redenen voor overslaan minnelijk traject. Afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

zaaknummers: C/18/26/1151 R en C/18/26/1152 R

vonnis van 21 mei 2026

in de zaak van:

[verzoeker sub 1] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , en

[verzoeker sub 2] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

beide wonende te [plaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen verzoekers.

1. PROCESGANG

Verzoekers hebben op 16 januari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Daarbij zijn verzoekers verschenen tezamen met de [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] en [beschermingsbewindvoerder 1 van bewindvoeringsbedrijf] .

2. RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden.

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekers zijn op 12 december 2019 getrouwd in beperkte gemeenschap van goederen. Verzoekers hebben een gezamenlijke schuldenlast van € 68.255,44. Verzoekers hebben beiden voorhuwelijkse schulden laten ontstaan. Ook tijdens het huwelijk zijn er schulden ontstaan. De schuldhulpverlener heeft aangegeven dat Van Toorn in het verleden regelmatig wisselde van baan met als gevolg dat er regelmatig WW moest worden aangevraagd waarbij de toenmalige beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] steeds achter de feiten aanliep. Ook werden toeslagen teruggevorderd, werd er beslag gelegd en hadden verzoekers geen danwel beperkt recht op kwijtschelding of bijzondere bijstand voor de kosten van bewind. Er was geen sprake van een stabiele situatie en ondanks beschermingsbewind zijn er nieuwe schulden ontstaan

De rechtbank stelt vast dat verzoekers ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt, omdat deze in de drie jaar voorafgaand aan het toelatingsverzoek zijn ontstaan. Het betreft met name medische kosten en gemeentelijke lasten.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, onder controle hebben gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekers nu verkeren zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekers staan na ontslag van hun toenmalige beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 2] sinds 10 maart 2025 onder beschermingsbewind van [bewindvoeringsbedrijf] een goed contact met hun huidige beschermingsbewindvoerder. Door het uitspreken van de Wsnp zal het beslag op het inkomen vervallen en zal er meer ruimte in het budget ontstaan om de extra noodzakelijke medische kosten op te vangen. De rechtbank laat verder meewegen dat de schulden voornamelijk werden veroorzaakt door forse noodzakelijke medische kosten, waardoor er moeilijke keuzes gemaakt moesten worden en niet door consumptieve overbesteding.

Minnelijk traject

Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet verzoekster eerst geprobeerd hebben om met haar schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen (het zogenoemde ‘minnelijk traject’). Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om een minnelijk traject te volgen.

Uit het verzoekschrift blijkt dat [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] namens verzoekers geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers om tot een minnelijke regeling te komen. Als reden hiervoor is in het verzoekschrift gegeven dat er al eerder is geprobeerd om een minnelijk traject tot stand te brengen via [beschermingsbewindvoerder 2] maar dat dat is mislukt. In het huidige traject is getracht een complete inventarisatie tot stand te brengen, waarbij op de crediteurenlijst meerdere vorderingen zichtbaar zijn uit de periode van voor 2014, die nooit zijn meegenomen in het vorige traject. Het is niet gelukt om een lijst op te stellen van voorhuwelijkse schulden en schulden gemaakt tijdens het huwelijk. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat er inmiddels sprake is van een complete schuldenlijst. Het doen van een aanbod is lastig omdat op het inkomen beslag is gelegd en het inkomen feitelijk wordt opgesoupeerd door forse medische noodzakelijke kosten. [verzoeker sub 2] is ernstig ziek en staat onder behandeling in [geboorteplaats] en de dochter van verzoekers is in november 2025 geopereerd en moet voor revalidatie regelmatig naar [plaats] .

De rechtbank is van oordeel dat de motivering dat het in de onderhavige zeer uitzonderlijke situatie als gevolg van de forse medische noodzakelijk kosten lastig is om een aanbod te doen aan de schuldeisers en dat feitelijk ook te betalen, voldoende is voor het overslaan van het minnelijk traject.

Ingangsdatum WSNP

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan. Bij arbeidsongeschiktheid moet onderbouwd worden waarom niet maximaal gewerkt wordt. 2.15. Verzoekers hebben verzocht om de Wsnp in te laten gaan op 8 oktober 2025, de datum waarop de schuldregelingsovereenkomst is ondertekend, omdat sinds 31 maart 2025 beslag is gelegd op de uitkering van Van Toorn. De rechtbank ziet geen aanleidingom de ingangsdatum van de Wsnp in te laten gaan op 8 oktober 2025 omdat [verzoeker sub 1] geen (recente) medische stukken heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of [verzoeker sub 1] heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht en zal het verzoek om een eerde ingangsdatum dan ook afwijzen.

3. BESLISSING

De rechtbank:

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker sub 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , en

[verzoeker sub 2] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

beiden wonende te [plaats] ;

stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;

benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,

gevestigd te [adres] ;

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026

in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand