RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2025 in de zaak tussen
[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5298
(gemachtigde: mr. P.T. Huisman),
en
(gemachtigden H.S. Smit en I.M. van Dijk ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van verzoekers uitkering ingevolge de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 heeft het college de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de PW met ingang van 9 november 2025 ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde. [naam 2] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker ontvangt vanaf 2 maart 2025 een bijstandsuitkering naar de alleenstaandennorm van het college. In verband met een onderzoek naar verzoekers uitkeringssituatie heeft het college hem bij brief van 22 oktober 2025 verzocht om voor 30 oktober 2025 afschriften van al zijn betaal- en spaarrekeningen van de afgelopen drie maanden over te leggen. Verzoeker heeft de gevraagde afschriften niet binnen de hem gestelde termijn overgelegd. Bij brief van 31 oktober 2025 heeft het college verzoeker gevraagd de ontbrekende gegevens voor 9 november 2025 over te leggen. Verzoeker heeft ook hieraan geen gevolg gegeven.
4. Met het besluit van 11 november 2025 heeft het college besloten het recht op uitkering van verzoeker vanaf 9 november 2025 op te schorten omdat hij niet alle gegevens heeft ingediend die nodig zijn voor het onderzoek. Verzoeker is in dit besluit in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende gegevens alsnog in te leveren voor 20 november 2025. Verzoeker heeft de ontbrekende gegevens niet binnen de hem gestelde termijn overgelegd.
5. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 heeft het college de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de PW met ingang van 9 november 2025 ingetrokken omdat verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
6. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 3 december 2025 bezwaar gemaakt. Verzoeker stelt dat de brieven waarin om bankafschriften is gevraagd aan zijn aandacht, en die van zijn begeleider, zijn ontsnapt. Verzoeker heeft een verstandelijke beperking en dat is bekend bij het college.
7. Op 17 december 2025 ontvangt de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening, waarin verzocht wordt om de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat aan verzoeker per 9 november 2025 zijn volledige uitkering, dan wel een voorschot daarop, wordt verstrekt. Gesteld is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij sinds eind oktober geen inkomsten heeft en leeft van geleend geld. Hij heeft zijn huur voor december en ook zijn rekeningen voor energie en water niet kunnen betalen.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
9. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
10. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker niet tijdig de bewijsstukken waar het college om heeft gevraagd heeft ingediend. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat het college in dat geval een uitkering kan intrekken. Het college heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Het college heeft de uitkering van verzoeker kunnen intrekken op de grond dat hij niet binnen de hem gestelde termijn het verzuim dat het college heeft geconstateerd heeft hersteld. De voorzieningenrechter zal vervolgens bezien of er, ondanks dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, toch aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
11. Uit de stukken is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoeker op 5 december 2025 een nieuwe aanvraag heeft ingediend en dat aan verzoeker in het kader daarvan een voorschot is verleend voor het betalen van zijn huur en de kosten zorgverzekering. Op de zitting is verder gebleken dat verzoeker inmiddels de afschriften van al zijn betaal- en spaarrekeningen van de afgelopen drie maanden heeft overgelegd. Van de zijde van het college is op de zitting aangegeven dat er bij het college nog vragen spelen over de af- en bijschrijvingen op de bankafschriften die [naam 2] (hierna: [naam 2] ) betreffen en dat men om die reden nog een gesprek wil met verzoeker. Op de zitting is verder ook aangegeven dat dat de reden is waarom niet een hoger voorschot is verstrekt.
12. [naam 2] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij bevriend is met verzoeker en in feite als zijn informele bewindvoerder optreedt. Verzoeker is verstandelijk beperkt en kan niet goed met geld omgaan. Verzoeker maakt zijn uitkering daarom over op de rekening van [naam 2] en [naam 2] maakt steeds kleine bedragen over op de rekening van verzoeker. Soms zorgt hij ook voor de betaling van de huur van de woning van verzoeker. De voorzieningenrechter acht dit voorshands een voldoende verklaring voor de af- en bijschrijvingen op de bankafschriften van verzoeker. De voorzieningenrechter is uit de overgelegde stukken verder gebleken dat ten tijde van de eerste aanvraag van verzoeker bij het college bekend was dat [naam 2] verzoeker hielp met zijn financiën. De voorzieningenrechter stelt vast dat die wetenschap het college er destijds niet van heeft weerhouden om aan verzoeker een uitkering toe te kennen.
13. Gelet op het vorenstaande en mede gelet op het bij verzoeker aanwezig geachte spoedeisend belang, acht de voorzieningenrechter het aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen. De te treffen voorlopige voorziening zal inhouden dat aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van de maand december bijstand wordt verstrekt ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dan wel (als die datum eerder valt) totdat op de nieuwe aanvraag van verzoeker is beslist.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat aan verzoeker met ingang van de maand december bij wijze van voorschot bijstand wordt verstrekt ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dan wel (als die datum eerder valt) totdat op de nieuwe aanvraag van verzoeker is beslist.
15. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- draagt het college op om aan verzoeker met ingang van de maand december bij wijze van voorschot bijstand te verlenen ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, dan wel (als die datum eerder valt) totdat op de nieuwe aanvraag van verzoeker is beslist;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 17 van de PW luidt voor zover hier van belang:
2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 54 van de PW luidt voor zover hier van belang:
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
(..)
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.