[naam uit plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden
(gemachtigde: S. van der Meulen).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 29 april 2026 tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
Op 1 mei 2026 heeft het college de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en op 7 mei 2026 heeft het college een verweerschrift ingediend.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het verzoek
1. Omdat verzoeker vanaf 4 februari 2025 zonder inkomsten is en als gevolg daarvan grote financiële problemen kent, verzoekt hij de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening het college te gelasten om hem een voorschot te betalen van
€ 5.000,-. danwel van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag. Verzoeker heeft nog aangegeven dat de verhuurder van zijn woning de huur wenst op te zeggen en dat zijn bewindvoerder het beschermingsbewind wil opzeggen, omdat er geen inkomen beschikbaar is.
Het verweer
2. Het college heeft de aanvraag van verzoeker van 8 januari 2026 met het besluit van 13 februari 2026 buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker geen bewijsstukken heeft overgelegd van een groot aantal bankrekening bij een bank in Litouwen ( [website] ) die op naam van verzoeker staan.
Het college stelt dat inzage in de op naam van verzoeker staande bankrekeningen en accounts nodig is om zijn recht op bijstand te kunnen vaststellen en dat op dit moment het recht op bijstand van verzoeker nog niet vast te stellen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb - voor zover hier van belang - kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de aard en inhoud van de zaak neemt de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aan.
Ingevolge artikel 8:83, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - worden partijen zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Ingevolge het derde lid van dit artikel - voor zover hier van belang - kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb het onderzoek in deze verzoekprocedure te sluiten en zonder behandeling ter zitting uitspraak te doen op het verzoek, omdat hij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
Niet in geschil is dat dat het college de beschikking moet hebben over de bankgegevens van de Litouwse bankrekeningen bij [website] die op naam staan van verzoeker, om zo de bijstandsbehoevende omstandigheden van verzoeker vast te kunnen stellen. Verzoeker voert aan dat zijn bewindvoerder contact heeft gehad met de bank in Litouwen, maar dat dat contact niet tot enig resultaat heeft geleid. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker met de door hem overgelegde stukken slechts heeft aangetoond dat er contact is geweest tussen zijn bewindvoerder en de bank in Litouwen. Elk bewijs dat de bewindvoerder adequate juridische stappen heeft ondernomen om bankafschriften van de bank in Litouwen te krijgen ontbreekt echter.
Verzoeker voert verder aan dat hij inmiddels via een applicatie op zijn mobiele telefoon toegang heeft tot de rekeningen bij [website] . Hij heeft daarmee echter nog steeds niet alle gegevens aan het college verstrekt die nodig zijn voor een beslissing op de aanvraag. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij middels die applicatie aan die gegevens kan komen. Verder heeft hij nog steeds niet het bewijs geleverd dat er,
zoals hij stelt, sprake is van identiteitsfraude en dat een derde zonder dat verzoeker dat wist de rekeningen op naam van verzoeker heeft geopend.
De voorzieningenrechter is gebleken dat verzoeker op 22 april 2026 opnieuw een aanvraag bij het college heeft ingediend en dat verzoeker in het kader van die aanvraag is uitgenodigd voor een gesprek. Daarbij zal, zo blijkt uit de overgelegde stukken, ook ingegaan worden op de vraag waar verzoeker voorafgaande aan zijn aanvraag van 8 januari 2026 van heeft geleefd. De voorzieningenrechter houdt verzoeker voor dat hij met meer zal moeten komen dan hij tot nu toe heeft gedaan wil hij in aanmerking komen voor een uitkering.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college de bijstandsaanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het college in de tot dusverre door verzoeker aangeleverde bewijsstukken nog geen aanleiding hoeft zien om de buitenbehandelingstelling van de aanvraag na bezwaar niet te handhaven en de aanvraag alsnog in behandeling te nemen.
Hij wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: