RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[naam uit plaats] , verzoeker,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/1199 en LEE 26/1200
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden, het college
(gemachtigde: M.A. Wijnands - Veninga).
1. Deze uitspraak gaat over een door het college genomen invorderingsbesluit. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom beslist de voorzieningenrechter ook op het beroep van verzoeker (LEE 26/1200). Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Op 4 maart 2024 heeft het college een invorderingsbesluit genomen. In dit besluit heeft het college overwogen dat bij besluit van 31 oktober 2023 aan verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd en dat na afloop van de begunstigingstermijn op 4, 11 en 18 december 2023 drie controles zijn uitgevoerd. Uit deze controles is gebleken dat verzoeker niet heeft voldaan aan de opgelegde last. Hierdoor is van rechtswege een dwangsom verbeurd. Bij brief van 6 februari 2024 heeft het college verzoeker op de hoogte gesteld dat de dwangsom van rechtswege is verbeurd en dat verzoeker de dwangsom dient te betalen. Verzoeker heeft hiertegen een zienswijze ingediend. Met het besluit van 4 maart 2024 heeft het college aan verzoeker medegedeeld dat besloten is om over te gaan tot invordering van de dwangsom.
3. Bij e-mailbericht van 21 april 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 2024. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft op 3 april 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Hierbij heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Het college heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heef deelgenomen de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Voordat het beroepschrift inhoudelijk kan worden beoordeeld dient eerst beoordeeld te worden of verzoeker tijdig beroep heeft ingesteld. Alleen als de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker tijdig beroep heeft ingesteld en dit beroep ook overigens ontvankelijk is, kan de voorzieningenrechter het beroep inhoudelijk beoordelen. Deze beoordeling vindt dan plaats aan de hand van de gronden van verzoeker.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoeker niet verschoonbaar te laat beroep heeft ingesteld. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Een uitspraak op bezwaar wordt bekendgemaakt door verzending daarvan aan degene die bezwaar heeft gemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend als de rechtbank het beroepsschrift voor het einde van de beroepstermijn van zes weken heeft ontvangen. Als een beroepschrift na afloop van de termijn wordt ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Is het beroepschrift tijdig ingediend?
7. Het college heeft het besluit op bezwaar van 16 juli 2025 verzonden op 17 juli 2025. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is dan ook gaan lopen op 18 juli 2025 en eindigde op 29 augustus 2025. Verzoeker heeft op 3 april 2026 een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
8. Bij brief van 13 april 2026 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroepschrift aan verzoeker bevestigd. In deze brief heeft de rechtbank aangegeven dat verzoeker heeft gesteld dat het beroep en de voorlopige voorziening zijn gericht tegen het besluit van 16 juli 2025. De rechtbank heeft verzoeker verzocht om aan te geven waarom hij niet binnen de termijn beroep heeft ingesteld.
Verzoeker heeft op 21 april 2026 op deze brief gereageerd. In deze reactie gaat verzoeker uitsluitend in op de vraag waarom hij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 maart 2024.
9. De voorzieningenrechter ziet in de reactie van verzoeker van 21 april 2026 geen aanleiding de termijnoverschrijding van het beroepschrift verschoonbaar te achten. De voorzieningenrechter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter ook dat de beroepstermijn van zes weken lang genoeg is om tijdig (pro forma) beroep in te stellen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.