[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de BRP: [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 5 januari 2021 te Assen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 5 januari 2021 te Assen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van
(telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachten artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te
lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- ( (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die
feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- ( (telkens) voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft/hebben
gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2020 tot en met 16 juli 2020 te Assen, althans in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, althans in Europees grondgebied, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk
heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
- op 27 april 2020 (in totaal) ongeveer 15 kilo hennep (blz. 308 e.v., tegencontact [username 1] en/of
[username 2] ) en/of
- op 27 juni tot en met 1 juli 2020 en/of 16 juli 2020 meerdere blokken (van in totaal) ongeveer 15 kilo
hasjiesj (blz. 349 e.v., tegencontact Sky-ID [sky-id 3] )
althans, (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hennep, zijnde hennep en/of een hoeveelhe(i)d(en) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022, te Groningen en/of Assen, althans in Nederland,
meermalen, op verschillende tijdstippen, althans éénmaal,
(van) één of meer voorwerp(en), te weten geldbedrag(en) van 57.920,- euro, althans (telkens) een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) en/of een of meer goederen, althans een of meer voorwerpen
Sub a
en/of
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, terwijl hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Bewijsuitsluiting
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de SkyECC-berichten van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu er geen voorafgaande Nederlandse rechterlijke toets heeft plaatsgevonden ten aanzien van de interceptie van SkyECC-communicatie van gebruikers die zich in Nederland bevonden. De Nederlandse autoriteiten zijn daardoor niet in staat gesteld te beoordelen of die interceptie kon worden toegestaan dan wel moest worden beëindigd. Daarmee is de kernwaarborg van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU geschonden en is verdachte rechtstreeks geraakt in het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van zijn privéleven en communicatie. Er is daarom sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De raadsman heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650).
De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zich in het dossier bevindende Duitstalige gesprekken via Encrochat dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze berichten niet zijn vertaald naar het Nederlands. Verdachte spreekt geen Duits en kan zich daarom niet tegen de inhoud van die berichten verweren. De raadsman heeft, indien de rechtbank deze berichten niet uitsluit van het bewijs, voorwaardelijk verzocht de strafzaak tegen verdachte aan te houden teneinde deze berichten alsnog door een beëdigd tolk te laten vertalen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de verkrijging van SkyECC-berichten primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vormverzuim. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat als sprake is van een vormverzuim, kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan. De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het standpunt van de verdediging ten aanzien van het gebruik van de Duitstalige gesprekken.
Oordeel van de rechtbank
SkyECC-berichten
Door de raadsman is een beroep gedaan op bewijsuitsluiting.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie bewijsuitsluiting met name aan de orde kan zijn bij schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Buiten die gevallen kan van bewijsuitsluiting slechts sprake zijn bij een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare
vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat dient de rechter te beoordelen aan de hand van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Van de verdediging mag worden verlangd dat elk van deze factoren onderbouwd naar voren worden gebracht.
De raadsman heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat het verweer niet ziet op de mogelijkheid voor verdachte om de inhoud of de betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten. Evenmin betreft het verweer uitsluitend de inzichtelijkheid van het opsporingsonderzoek achteraf. De rechtbank begrijpt hieruit dat de raadsman geen beroep heeft gedaan op schending van artikel 6 EVRM.
Ten aanzien van door verdachte ondervonden nadeel heeft de raadsman slechts in algemene termen aangevoerd dat verdachte rechtstreeks is geraakt in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van zijn privéleven en communicatie en dat hij slachtoffer is geworden van massasurveillance. Door de raadsman is in het geheel niet onderbouwd waarin het concrete nadeel dat verdachte zou hebben ondervonden heeft bestaan. Dit klemt te meer omdat sprake is geweest van versleutelde communicatie waarbij de berichten voor het overgrote deel lijken te gaan over het ontplooien van criminele activiteiten en de verdachte hierover geen enkele verklaring af heeft willen leggen. Reeds om die reden verwerpt de rechtbank het verweer.
De rechtbank wijst er bovendien op dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:650) heeft overwogen dat bij het beoordelen of en zo ja welk rechtsgevolg verbonden dient te worden aan een schending van de notificatieplicht van belang kan zijn of bij tijdige notificatie te verwachten zou zijn dat er bezwaar zou zijn gemaakt tegen de interceptie. De rechtbank is van oordeel dat indien er op het moment van het onderscheppen van de berichten in deze zaak (medio 2020) een machtiging aan de rechter-commissaris gevraagd zou zijn, deze gelet op hetgeen toen bekend was over de gebruikers van SkyECC en de samenwerking in een joint investigation team zonder meer verleend zou zijn. Ook in zoverre kan het beroep op bewijsuitsluiting niet slagen.
Duitstalige Encrochat-berichten
De rechtbank verwerpt het verweer dat de Duitstalige berichten van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de inhoud hiervan voor verdachte niet begrijpelijk zou zijn geweest. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte zelf, zo zal de rechtbank op een later punt in dit vonnis vaststellen, deelnemer was aan dit gesprek en onder meer in het Duits reageert op de Duitstalige berichten van het tegencontact. Reeds daarom moet het voor verdachte volstrekt helder zijn geweest wat de inhoud en de strekking van het gesprek was. Voorts is niet gebleken dat bij de overige procesdeelnemers onduidelijkheid heeft bestaan over de inhoud van de gesprekken.
Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek deze Duitstalige berichten te vertalen acht de rechtbank voorts van belang dat dit verweer eerst tijdens het pleidooi ter terechtzitting is gevoerd, terwijl de verdediging reeds tijdens de regiezitting op 25 februari 2025 kennis had van de aanwezigheid van de Duitstalige berichten in het dossier en hierover geen onderzoekswens heeft ingediend. Er hebben zich sindsdien bovendien geen nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan rond deze berichten en de verdediging heeft niet toegelicht waarom het standpunt hieromtrent is gewijzigd.
Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de betreffende berichten uit te sluiten van het bewijs en wijst zij het (voorwaardelijk) verzoek hieromtrent af.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Uit onderzoek blijkt dat er in 2020 tot en met 2022 meer geld vanuit verdachtes [winkel] is overgemaakt naar privérekeningen dan dat er als bedrijfsresultaat bij de Belastingdienst is opgegeven. Dit leidt tot een onverklaarbaar vermogen van in totaal 57.920,08. Uit het dossier volgt het beeld dat verdachte zich bezighoudt met de handel in drugs en verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over dit onverklaarbare vermogen. Gelet daarop kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van voornoemd bedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle drie de ten laste gelegde feiten en heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte moet van het onder 1 ten laste worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is dat daadwerkelijk wordt gesproken over cocaïne, xtc en amfetamineolie. Er zijn fotos gedeeld van vermeende cocaïne, maar de politie heeft niet kunnen vaststellen dat dit daadwerkelijk cocaïne betrof. Van de xtc en amfetamineolie zijn geen fotos gedeeld. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde geldt voorts specifiek dat niet is vast komen te staan dat verdachte als pleger of medepleger daadwerkelijk drugs heeft verkocht of aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde geldt voorts specifiek dat de gesprekken op zijn hoogst kunnen worden gezien als oriënterende gesprekken die onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van voorbereidings- of bevorderingshandelingen.
Verdachte moet van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat uit de gesprekken niet blijkt dat daarin daadwerkelijk wordt gesproken over hennep en hasjiesj, zoals ten laste is gelegd. In ieder geval kan op basis van de gesprekken niet worden vastgesteld dat de vermeende drugs buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht.
Oordeel van de rechtbank
Inleidende opmerkingen
Vanuit het strafrechtelijk onderzoek 26Lemont is een dataset verstrekt aan het onderzoeksteam Chinook, bevattende via Encrochat verzonden berichten van gebruiker [username 3] en diens tegencontacten.
Vanuit onderzoek Argus zijn veiliggestelde berichten van SkyECC-gebruiker [sky-id 4] en diens tegencontacten aan het onderzoeksteam verstrekt.
In onderhavige zaak komt het voor de bewijsvoering in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen communicatie via Encrochat en SkyECC. De vraag die daarom allereerst moet worden beantwoord is of verdachte te identificeren is als de gebruiker van voornoemde cryptoaccounts.
Identificatie van Encrochat-account [username 3] en SkyECC-account [sky-id 4]
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.
Ten aanzien van Encrochat-account [username 3] blijkt uit het dossier onder meer het volgende. Gebruiker [username 3] stelt zich in een verzonden bericht voor als [username 4] . In een politieverhoor uit 2018 geeft verdachte aan dat hij onder de gebruikersnaam [username 4] gebruikmaakt van sociale media.2 Uit onderzoek aan de op 23 januari 2024 onder verdachte inbeslaggenomen iPhone 12 Pro Max blijkt dat op dat moment met Apple ID [username 4] @icloud.com op de iPhone was ingelogd.3 Gebruiker [username 3] zegt daarnaast eind maart 2020 tegen een tegencontact dat diens, [username 3] , auto, een GTD, kapot is. Verdachte had op dat moment een Volkswagen Golf GTD op naam staan.4 Voorts wordt aan gebruiker [username 3] gevraagd of diegene bepaalde middelen verkoopt in de [winkel] . Verdachte is op dat moment eigenaar van een [winkel] in [plaats] .5 Verder heeft de cryptotelefoon van gebruiker [username 3] het meest gebruikgemaakt van één van de zendmasten die zich het dichtst in de buurt van verdachtes toenmalige BRP-adres bevonden en heeft gebruiker [username 3] onder meer gebruikgemaakt van wachtwoord [wachtwoord] , welk wachtwoord de achternaam van verdachtes partner, [naam 1] , bevat.6
Ten aanzien van SkyECC-account [sky-id 4] blijkt uit het dossier onder meer het volgende. Gebruiker [sky-id 4] maakte gebruik van hetzelfde wachtwoord als Encrochat-gebruiker [username 3] , te weten [wachtwoord] .7 Gebruiker [sky-id 4] geeft daarnaast op 3 september 2020 aan dat die dag de politie bij diens huis was en diens auto in beslag is genomen. Uit een mutatie in de politiesystemen blijkt dat op die dag op het adres van verdachte een Volkswagen Golf op verdachtes naam in beslag moest worden genomen.8 Tot slot blijkt onder meer dat gebruiker [sky-id 4] op 20 september 2020 aangeeft dat diens kleine die dag is geboren. Uit gegevens uit de BRP blijkt dat verdachte op die dag vader is geworden van een zoon.9
Al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, geven de rechtbank de overtuiging dat verdachte de gebruiker was van Encrochat-account [username 3] en SkyECC-account [sky-id 4] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat iemand anders dan verdachte (mede) gebruik heeft gemaakt van deze accounts.
Feit 1
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk verdovende middelen heeft verkocht of aanwezig heeft gehad.
De rechtbank acht wél wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Op 20 juli 2020 stuurt verdachte naar SkyECC-gebruiker [sky-id 1] fotos van een wit blok, waarbij verdachte op de vraag van zijn tegencontact hoe duur het is aangeeft dat hem 23.5 is gevraagd. Verdachte vervolgt dat deze perfect is voor Groningen en dat al die dealers 32 willen betalen. Verdachte geeft aan dat hij zit te kijken aan wie hij in één keer een blok kan verkopen, of iemand die 700/800 wil en dat verdachte dan 200 voor zichzelf houdt.10 Op 27 augustus 2020 neemt hetzelfde tegencontact contact op met verdachte. Het tegencontact geeft aan dat in Utrecht een grote partij boli is binnengekomen en dat
de handelaar 33.5 vraagt. Het tegencontact stuurt daarbij een foto mee van een blok met hierin een afbeelding van het automerk Ferrari. Verdachte geeft aan dat het er goed uitziet en zegt: Stuur toontje.11
Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat deze gesprekken betrekking hebben op de handel in cocaïne. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het berichtenverkeer plaatsvindt via SkyECC, een berichtendienst die veelal wordt gebruikt in het kader van de handel in verdovende middelen. Verder wordt er gesproken over boli, waarvan algemeen bekend is dat met die term cocaïne uit Bolivia wordt bedoeld en wordt cocaïne veelal in gestempelde blokken getransporteerd. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gesprekken specifiek en concreet en is er daarom sprake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Het ten laste gelegde is dan ook in zoverre bewezen.
Uit het berichtenverkeer komt daarnaast een gesprek op 5 januari 2021 naar voren, waarin verdachte contact heeft met SkyECC-gebruiker [sky-id 2] . In dit gesprek geeft verdachte aan dat [naam 2] heeft aangegeven dat iemand is opgepakt in de groothandel van synthetic. Verdachte vervolgt dat [naam 2] heeft gezegd dat wij, verdachte en zijn tegencontact, kunnen inspringen omdat de hele regio nu zonder zit. Verdachte geeft onder meer aan dat er pirkies tussen de 160-220 mg, 50k stuks, en 25 liter olie wordt gevraagd. Er moet een prijzenlijst worden opgesteld zodat [naam 2] kan kijken of hij er wat mee kan. Zo ja, bestelt en tikt hij direct. Verdachtes tegencontact geeft aan dat olie 1100/1200 is, ice 13 en pillen rond de 40 cent.12
Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat deze gesprekken betrekking hebben op de handel in xtc en amfetamineolie, waarin verdachte aangeeft dat een groothandelaar in synthetische drugs is aangehouden en hij en zijn tegencontact in dat gat kunnen springen. Met 50k pirkies worden
50.000 xtc-pillen bedoeld en met olie wordt in de context van het gesprek over synthetische drugs amfetamineolie bedoeld. De rechtbank neemt ook hierbij in aanmerking dat het berichtenverkeer plaatsvindt via SkyECC, een berichtendienst die veelal wordt gebruikt in het kader van de handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het gesprek specifiek en concreet en is er daarom sprake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Het ten laste gelegde is dan ook in zoverre bewezen.
Feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigen bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Op 23 april 2020 zegt verdachte tegen Encrochat-gebruiker [username 1] : Die wiet 44/45 so man. Enkele minuten daarna stuurt verdachte naar [username 1] : als ik betaal 5 stuk 33 kan k krijgen nog 5?. Uit het dossier blijkt dat 33 kan duiden op 3.300,00 per kilo hennep, wat passend is bij die hoeveelheid.13 In het vervolg van dit gesprek geeft verdachte aan dat [naam 2] 37 betaalt, direct cash.14 Op 26 april 2020 heeft verdachte contact met Encrochat-gebruiker [username 2] . Hieruit blijkt dat zij de dag erna in Dortmund zullen afspreken. Verdachte geeft aan dat het gaat om 15 stuk en [username 2] vraagt verdachte of het om de weed bomba gaat.15 Op 27 april 2020 heeft verdachte zowel contact met [username 1] als met [username 2] . [username 1] zegt tegen verdachte dat verdachte alleen het geld pakt en later op de dag, om 16.47 uur, laat verdachte [username 1] weten dat hij het heeft. Verdachte vervolgt dat diegene boven de tas gaat leegmaken en terug gaat geven.16 Op dezelfde dag om 17.59 uur
laat [username 2] verdachte weten dat deze weed niet goed is.17 De dag erop laat [username 2] verdachte weten dat 10 oké waren, 5 slecht waren en dat het niet bomba was.18
Naar het oordeel van de rechtbank kan het gelet op de inhoud van voornoemde gesprekken niet anders zijn dat verdachte op 27 april 2020 in Dortmund samen met [username 1] 15 kilo hennep heeft vervoerd, verkocht en afgeleverd aan [username 2] . De rechtbank acht daarmee het eerste gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.
Uit het berichtenverkeer van SkyECC komen daarnaast gesprekken in de periode van 27 juni 2020 tot en met 16 juli 2020 naar voren. Op 27 juni 2020 vraagt verdachte aan SkyECC-gebruiker [sky-id 3] of maandag die 5 kilo in Osnabrück kan.19 Uit een gesprek op 1 juli 2020 met tegencontact [sky-id 3] blijkt dat verdachte aangeeft dat zijn neef bijna in Osnabrück is. Verdachte vraagt hem hoeveel stuk is daar, 4 of 5?20 Verdachte benoemt dat een man de wiet pakt en verdachtes neef die papier krijgt.21 Later in het gesprek bevestigt verdachte dat het papier is gegeven.22 In een gesprek op 1 juli 2020 met wederom tegencontact [sky-id 3] zegt verdachte: 15.15 is mijn neefje daar als vorig keer. Later in gesprek zegt verdachte: Hij zegt als kan morgen weer 5 en verdachte vraagt: Maar was die hase al op? Heb je niet nog meer? Verdachtes tegencontact geeft aan: Allein 15waas. Verdachte zegt vervolgens:
Okee is goed () Aub regel nog 5”.
Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de voorgaande gesprekken tussen verdachte en zijn tegencontact, waarin verdachte ook expliciet spreekt over wiet, worden vastgesteld dat verdachte in de periode van 27 juni 2020 tot en met 16 juli 2020 als medepleger betrokken is geweest bij drie afzonderlijke transacties van in totaal 15 kilo hasjiesj. De rechtbank acht daarmee ook het tweede gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de hennep en hasjiesj buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.
Feit 3
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Juridisch kader
Verdachte wordt het (gewoonte)witwassen van geldbedragen verweten die afkomstig zijn uit een onbekend gronddelict. Om tot een bewezenverklaring daarvan te kunnen komen, moet volgens bestendige jurisprudentie het volgende toetsingskader (het zogenoemde 6-stappenplan) worden doorlopen.
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid a en b (witwassen) en 420ter (gewoontewitwassen) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel afkomstig uit enig misdrijf, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel dient vast te staan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden geacht, wanneer het, uitgaande van de vastgestelde feiten en omstandigheden, niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat dit het geval is, wordt van de verdachte verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft, waaruit volgt dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft en hiermee tegenwicht heeft gegeven aan het vermoeden van een criminele herkomst, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de herkomst van het voorwerp zoals die uit de verklaring van de verdachte blijkt.
Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.
Beoordeling
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van witwassen van een onverklaarbaar vermogen van 57.920,08 vanuit verdachtes [winkel] over de jaren 2020 tot en met 2022. Daartoe is in het dossier een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de bij de Belastingdienst opgegeven bedrijfsopbrengsten van de [winkel] en anderzijds de geldstromen vanuit de [winkel] die zichtbaar zijn op de bankrekeningen van verdachte, diens partner en vanaf 2022 ook de zakelijke bankrekening van verdachte. In die vergelijking zijn tevens contante stortingen betrokken, omdat deze volgens het Openbaar Ministerie mogelijk afkomstig zijn uit de exploitatie van de [winkel] .
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangedragen om een vermoeden van witwassen aan te kunnen nemen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het dossier in essentie bestaat uit iCOV-rapportages en bankafschriften van de door het Openbaar Ministerie geselecteerde rekeningen. De rechtbank beschikt niet over de onderliggende boekhouding van de [winkel] , terwijl juist die administratie noodzakelijk is om de gestelde discrepantie tussen opgegeven omzet en feitelijke geldstromen in een bredere financiële context te kunnen beoordelen. Zonder inzicht in de volledige bedrijfsadministratie kan niet worden vastgesteld of de geconstateerde verschillen hun oorsprong vinden in criminele inkomsten, dan wel het gevolg zijn van administratieve onvolkomenheden, gebrekkige boekhouding of onjuiste fiscale aangiften.
Hoewel uit het dossier en de bewezenverklaring blijkt dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode heeft beziggehouden met de handel in drugs, rechtvaardigt dat op zichzelf nog niet de conclusie dat de door het Openbaar Ministerie berekende vermogensverschillen daadwerkelijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op tijdstippen in de periode van 20 juli 2020 tot en met 5 januari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het telkens opzettelijk verkopen en afleveren van
telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
hebbende verdachte en verdachtes mededaders
2
hij op tijdstippen in de periode van 27 april 2020 tot en met 16 juli 2020 in Nederland en in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd,
zijnde hennep en hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. subsidiair medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en zich en een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd
2 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn met bijna vier maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het reclasseringsadvies van 1 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan de verkoop en aflevering van hennep en hasjiesj en heeft tezamen en in vereniging voorbereidingshandelingen gepleegd voor het verkopen en afleveren van verschillende soorten harddrugs. Harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid.
Daarnaast gaat de handel in verdovende middelen direct en indirect gepaard met verschillende vormen van criminaliteit en ondermijnende activiteiten, hetgeen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zich bezig te houden met de voorbereiding en de verkoop van verdovende middelen
heeft verdachte aan deze schadelijke gevolgen bijgedragen. Verdachte heeft zich hiervan kennelijk geen rekenschap gegeven en heeft zich uitsluitend laten leiden door eigen financieel gewin.
Gelet op de ernst van de feiten komt naar het oordeel van de rechtbank enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking als op te leggen straf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf daarnaast uitdrukkelijk rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslag
Onder verdachte is een Apple iPhone 12 Pro Max in beslag genomen waarop nog beslag rust.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen telefoon verbeurd te verklaren, nu uit onderzoek aan de telefoon blijkt dat met behulp van de telefoon wordt gecommuniceerd over drugs.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de telefoon aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Deze telefoon is namelijk niet gebruikt bij het plegen van de bewezen verklaarde feiten en het ongecontroleerde bezit van de telefoon is niet in strijd met de wet of het algemeen belang.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 10a en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast de teruggave aan veroordeelde van de in beslag genomen Apple iPhone 12 Pro Max (goednummer PL0100-2023091549-1683391).
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. O.J. Bosker en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde paginas bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met onderzoeksnummer NNRAA23007 (Chinook), gesloten op 7 mei 2024.
2 Pagina 65 e.v.
3 Pagina 555.
4 Pagina 68.
5 Pagina 68.
6 Pagina 68 e.v.
7 Pagina 89.
8 Pagina 89.
9 Pagina 292.
10 Pagina 337 e.v.
11 Pagina 340.
12 Pagina 335 en 336.
13 Pagina 306.
14 Paginas 306 en 307.
15 Paginas 307 en 308.
16 Pagina 313.
17 Pagina 313.
18 Pagina 314.
19 Pagina 349.
20 Pagina 354.
21 Pagina 355.
22 Pagina 356.