[naam], uit [woonplaats], eiser
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het IMG
(gemachtigden: mrs. C.L. Kuipers en R.L. Gritter).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een vergoeding van immateriële schade. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij heeft hier een aantal redenen (beroepsgronden) voor gegeven. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 28 november 2024 niet goed is genomen. Daarom is het beroep gegrond. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen wel in stand. Dat betekent dat de rechtbank vindt dat het IMG geen vergoeding voor immateriële schade hoeft te geven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Eerst worden onder 2. de feiten en het verloop van de zaak genoemd. Onder 3. wordt uitgelegd wat immateriële schade is, en wanneer iemand recht heeft op een vergoeding voor deze immateriële schade. Onder 4. staan de standpunten van eiser en het IMG genoemd. Bij 5. staat wat de rechtbank van de zaak vindt en onder 6. staat de conclusie van de rechtbank en wat dit voor partijen betekent.
Feiten en verloop van de procedure
2. Eiser was van 2003 tot 2017 eigenaar van de woning aan [adres] (het pand). Eiser woonde tot 2011 op dat adres. Daarna verhuisde hij met zijn gezin naar [plaats]. [plaats] ligt niet in het gebied waar de aardbevingen door de gaswinning uit het Groningerveld of de gasopslag Norg schade kunnen hebben veroorzaakt. Eiser is naar [plaats] verhuisd, omdat hij zijn baan in [plaats in de provincie Groningen] kwijtraakte en zijn vrouw destijds een baan in de buurt van [plaats] kon krijgen.
Op 2 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade door gaswinning. Het IMG heeft deze aanvraag met het besluit van
6 augustus 2024 afgewezen omdat eiser sinds 16 augustus 2012 niet in het aardbevingsgebied woonde. In het besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft het IMG vastgesteld dat eiser bij de standaardmethode te weinig punten had om een vergoeding te kunnen krijgen. Daarom is het IMG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het IMG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 20 augustus 2025 was er een regiezitting bij de rechtbank, omdat de rechtbank vragen had over de situatie van eiser. De rechtbank wilde ook van het IMG weten of er maatwerk kon worden toegepast. Bij de zitting is afgesproken dat eiser extra beroepsgronden opstuurt en dat partijen daarna samen kijken of de zaak bij de rechtbank verder moet gaan.
Eiser stuurde op 21 oktober 2025 een brief van zijn psychiater en een brief over de verkoop van het pand in [plaats] op [datum] voor € 60.000,-. Het IMG reageerde hierop met een extra verweerschrift. Hierin zegt het IMG dat de afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van immateriële schade nog steeds terecht is. Op 11 december 2025 stuurde eiser in reactie hierop een extra verklaring van zijn psychiater.
Op 30 maart 2026 was de zitting bij de rechtbank over het beroep. Hierbij waren eiser en de gemachtigden van het IMG aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Wanneer kun je een vergoeding voor immateriële schade krijgen?
3. In artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek staat dat iemand recht kan hebben op een vergoeding voor immateriële schade. Dit kan alleen als iemand lichamelijk letsel heeft, in zijn eer of goede naam is geschaad of op een andere manier in zijn persoon is aangetast (persoonsaantasting). Degene die schadevergoeding vraagt, moet normaal gesproken bewijzen dat dit zo is.
Naar aanleiding van een rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid van 18 februari 2015 heeft de directeur van de NAM onder meer het volgende gezegd:
“Het is een feit dat de gasproductie in Groningen aardbevingen veroorzaakt en dat de gevolgen van de aardbevingen diep ingrijpen in het leven van de bewoners van Groningen. Ik ben mij daar – ook in mijn ontmoetingen met bewoners – zeer van bewust.”
Ook de minister heeft meerdere keren aan de Tweede Kamer bericht over de gevolgen van de langjarige gaswinning in Groningen op haar bewoners. Bij deze besprekingen is altijd uitgegaan van de bewoners in het aardbevingsgebied. Bij deze bewoners kan namelijk het gevoel van een veilige leefomgeving zijn aangetast en daarmee is mogelijk ook sprake van een persoonsaantasting.
Als iemand denkt dat hij recht heeft op een schadevergoeding voor immateriële schade doordat hij een persoonsaantasting heeft ondervonden door de aardbevingsschade, kan hiervoor een aanvraag worden ingediend bij het IMG.
Het IMG behandelt een aanvraag voor immateriële schadevergoeding vanwege het grote aantal aanvragen, in eerste instantie op een vaste manier. Dit wordt ook wel de gestandaardiseerde methode genoemd (de standaardmethode). De aanvrager hoeft daarbij niet zelf te bewijzen dat hij in zijn persoon is aangetast. Het IMG kijkt hierbij naar feiten en een Persoonlijke Impact Analyse (PIA). Als hieruit blijkt dat er een persoonsaantasting is, krijgt de aanvrager een vast bedrag als vergoeding. De aanvrager hoeft bij de standaardmethode de persoonsaantasting dus niet zelf aan te tonen.
Aanvragers kunnen de standaardmethode gebruiken als ze 18 jaar of ouder zijn op het moment dat hun aanvraag bij het IMG binnenkomt. Ze moeten ook op een moment tussen 16 augustus 2012 en de dag van hun aanvraag in het aardbevingsgebied hebben gewoond.
Het IMG kan een aanvraag ook anders beoordelen dan alleen met de standaardmethode. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer de aanvrager niet voldoet aan de eisen van de standaardmethode of wanneer de aanvrager vindt dat de standaardmethode niet genoeg vergoeding geeft. Dan mag de aanvrager schriftelijk of mondeling uitleggen welke feiten en omstandigheden laten zien dat hij recht heeft op een (hogere) schadevergoeding. Het IMG kijkt dan naar de situatie van die persoon en beoordeelt de aanvraag apart. Dit heet de maatwerkmethode. Bij de maatwerkmethode ligt de bewijslast dus bij de aanvrager.
Waar gaat het geschil over?
4. Partijen zijn het er niet over eens of het IMG de aanvraag voor een vergoeding van immateriële schade door mijnbouw mocht afwijzen. Het gaat vooral over de vraag of het IMG in plaats van de standaardmethode juist de maatwerkmethode moest gebruiken vanwege de bijzondere omstandigheden van eiser.
Wat vinden partijen?
Eiser vindt dat zijn persoonlijke omstandigheden niet genoeg zijn meegenomen in de beoordeling. Hij had veel schade aan het pand. Die schade heeft hij zelf gerepareerd én betaald. Hij wist niet dat hij daar een vergoeding voor kon krijgen. Eiser vertelt dat hij in 2011 moest verhuizen omdat hij geen werk meer had en zijn vrouw in de Randstad kon werken. Het pand in [plaats] wilde hij verhuren zodat hij er later weer kon gaan wonen. Volgens eiser kon hij de hypotheek niet meer betalen omdat de schade en de reparatie daarvan veel geld heeft gekost. De bank heeft, omdat hij de hypotheekrente niet meer kon betalen, toen het pand voor een laag bedrag verkocht. Hierdoor heeft eiser financiële problemen gekregen. Dat zorgde voor veel stress en daarom heeft een psychiater hem behandeld en wordt hij nog steeds behandeld. Eiser heeft als bewijs twee verklaringen van zijn psychiater aan de rechtbank gestuurd als bewijs. In de brieven van de psychiater staat:
“Cliënt meldt zich met psychische klachten die nauw samen lijken te hangen met een opeenstapeling van financiële en sociale tegenslagen. Hierbij gaat het onder andere om langdurige schuldenproblematiek, verlieservaringen en het kwijtraken van zijn woning.[…] Ook geeft cliënt aan dat de langdurige onzekerheid en stress rond aardbevingen en schadeafwikkeling heeft bijgedragen aan gevoelens van verlies en onrechtvaardigheid”
In de aanvullende verklaring staat:
“Client geeft aan dat de psychische klachten zijn ontstaan in dezelfde periode waarin hij langdurig werd geconfronteerd met de gevolgen van de gaswinning.
Onderstaand zijn verklaringen.
De volgende omstandigheden hebben geleid tot toenemende stress, angst en somberheid:
- de voortdurende scheuren en schade aan mijn woning;
- het moeten investeren in herstel om instorting te voorkomen;
-onzekerheid over vergoeding of versterking;
- het volledig alleen dragen van de financiële last hebben geleid tot toenemende stress, angst en somberheid.
De gedwongen verkoop van mijn woning, voor een bedrag ver onder de marktwaarde, was het directe omslagpunt in mijn psychische ontregeling. De aardbevingsproblematiek en de financiële gevolgen daarvan hebben wezenlijk bijgedragen aan het ontstaan van een depressieve stoornis.”
De psychiater noemt de klachten van eiser (volgens DSM classificatie): “Depressieve stoornis: eenmalige episode- matig”.
Eiser begrijpt niet waarom zijn persoonlijke situatie en de lage verkoopwaarde van het pand niet zijn meegenomen in de beoordeling. Eiser zegt dat hij maar € 1.500 (eiser doelt hier op de vergoeding van € 1.552,95 die hij voor de waardedaling van het pand heeft gekregen) voor de lage waarde van het pand van het IMG heeft gekregen. Dat vindt hij veel te weinig. Hij vindt dat het IMG in zijn geval de maatwerkmethode had moeten gebruiken.
Het IMG vindt zelf dat het bestreden besluit niet goed is genomen. Daarin staat dat eiser namelijk geen vergoeding kan krijgen omdat hij volgens de standaardmethode geen recht op een vergoeding heeft. De standaardmethode had niet moeten worden gebruikt, omdat eiser sinds 16 augustus 2012 niet in het aardbevingsgebied woonde.
Omdat de standaardmethode niet kan worden gebruikt, moet eiser zelf bewijzen dat hij recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. Het IMG vindt dat eiser dit onvoldoende heeft onderbouwd. Het IMG ziet dat eiser tegenslag heeft gehad, maar ziet niet dat dat door de gaswinning komt. Daarom vindt het IMG dat eiser geen recht heeft op een immateriële schadevergoeding. Het IMG legt ook uit dat de € 1.552,59 die eiser voor de lage waarde van het pand heeft gekregen niet bij de regeling voor immateriële schade hoort, maar bij de regeling over waardedaling. Dit zijn twee verschillende regelingen.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is het met het IMG eens dat het bestreden besluit niet goed is genomen. Omdat eiser tussen 16 augustus 2012 en nu niet in het aardbevingsgebied heeft gewoond, mocht de standaardmethode niet worden gebruikt. Wel kan er eventueel recht zijn op een vergoeding voor immateriële schade die via de maatwerkmethode wordt vastgesteld. In dat geval moet eiser laten zien dat hij toch in zijn persoon is aangetast door de gaswinning. In dit geval vindt de rechtbank dat eiser dat niet genoeg heeft laten zien. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dit vindt.
De regeling voor het vergoeden van immateriële schade is erop gericht om mensen een vergoeding te geven voor persoonlijk leed en verdriet dat is ervaren doordat er in hun directe leefomgeving aardbevingen door gaswinningen hebben plaatsgevonden. Dit leed en verdriet ontstaat bijvoorbeeld doordat inwoners zich zorgen maken over hun eigen veiligheid of die van hun familieleden. Ook kan bijvoorbeeld sprake zijn van het gedwongen moeten verhuizen uit de woning of het slopen van de woning. Omdat een ieder recht heeft op een veilige woonomgeving en een ongestoord woongenot kan de aantasting hiervan leiden tot een aanspraak op een schadevergoeding.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van 16 augustus 2012 tot aan de aanvraagdatum niet zelf in het pand in [plaats] heeft gewoond. Ook heeft eiser aangegeven dat zijn verhuizing uit het pand in 2011 niet was ingegeven door de aardbevingsproblematiek maar met zijn ontslag. Het pand in [plaats] is dus vanaf 2011 niet meer door hemzelf bewoond en zijn persoonlijke levens- en woonsfeer spelen zich daarmee vanaf 2011 ook dus niet meer af in [plaats]. Het pand in [plaats] is voor eiser daarmee een beleggingspand geworden. Dit betekent dat de schade die mogelijk aan het pand is ontstaan, ongeacht het antwoord op de vraag of deze schade wel of niet door aardbevingen is ontstaan, eiser niet in zijn persoonlijke woonomgeving raakt maar in zijn vermogen. Alhoewel ook dit begrijpelijkerwijs erg is voor eiser, zorgt dit er niet voor dat eiser daarmee recht heeft op een immateriële schadevergoeding. De opzet van de regeling is namelijk juist gericht om mensen te vergoeden voor de immateriële schade doordat zij geen ongestoord woongenot ervaren. De nadelige financiële gevolgen van de schade aan een beleggingspand kunnen daarvoor niet de grondslag vormen.
De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser door de kosten van het repareren van de schade en de verkoop van de woning door de bank veel stress heeft gehad. Dat leest de rechtbank ook terug in de brieven van de psychiater. Maar dit betekent niet dat eiser spanning en leed heeft ondervonden in zijn directe woonomgeving. Simpelweg omdat eiser niet woonachtig was in het aardbevingsgebied na 16 augustus 2012.
De rechtbank is het verder met het IMG eens dat de € 1.552,59 die eiser heeft gekregen voor de lage verkoopwaarde van de woning in [plaats] niet in deze zaak besproken kan worden. Dat is namelijk een andere regeling en het gaat daarbij om een ander besluit dan in deze zaak.
De rechtbank vindt dat eiser terecht geen vergoeding voor immateriële schade heeft gekregen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dat betekend dat het besluit niet goed is uitgelegd. Het besluit is daarom ongeldig. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wel in stand. Eiser heeft daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade.
Omdat het beroep gegrond is moet het IMG het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft tijdens de zitting gezegd dat hij geen vergoeding van de kosten voor de reis naar de rechtbank van het IMG hoeft te hebben.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het IMG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.