RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 2005244114
zaaknummer: 12130925 GO VERZ 26-3
uitspraak van 26 mei 2026 op een vordering als bedoeld in artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
[de bestrafte] (de bestrafte),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. De officier van justitie heeft op 26 februari 2026 primair een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van zeven dagen. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van zeven dagen, onder de voorwaarde dat binnen een jaar na deze uitspraak de openstaande vordering volledig moet worden voldaan. De vordering is gegrond op het feit dat aan de bestrafte een strafbeschikking is opgelegd van € 234,00 (inclusief administratiekosten) en dat deze strafbeschikking en de verhogingen niet zijn betaald. Het totale openstaande bedrag is € 303,00.
De kantonrechter heeft de vordering op 12 mei 2026 op de zitting behandeld. Daarbij zijn de bestrafte en de officier van justitie niet verschenen.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
3. De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op de volgende argumenten en omstandigheden. Het CJIB heeft de bestrafte meerdere kansen geboden om te betalen. Er is niet betaald en de bestrafte heeft ook nooit gereageerd op brieven. De bestrafte heeft in februari 2026 vijf boetes van elk € 369,00 voldaan bij de gerechtsdeurwaarder. Daarom is geen sprake van volstrekte betalingsonmacht. Uit de houding van de bestrafte blijkt dat hij kennelijk niet wil betalen. De officier stelt zich op het standpunt dat het CJIB alle redelijkerwijs toepasbare wettelijke mogelijkheden heeft benut.
4. De bestrafte heeft geen standpunt naar voren gebracht.
Overwegingen
5. Gijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen. De bewijslast ligt hierin bij de bestrafte.
6. Aangezien de bestrafte geen standpunt naar voren heeft gebracht, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht. Daarom oordeelt de kantonrechter dat gijzeling gerechtvaardigd is.
7. De kantonrechter overweegt dat onvoorwaardelijke gijzeling voor de duur van zeven dagen, zoals primair gevorderd, niet in verhouding staat tot de omvang van de openstaande geldsom. De primaire vordering wijst hij daarom af.
8. Wel wijst hij de subsidiaire vordering toe. Dit geeft de bestrafte een jaar de tijd om de boete en verhogingen te betalen. Doet hij dit niet, dan mag hij voor de duur van zeven dagen gegijzeld worden.
9. De kantonrechter adviseert de bestrafte met klem om werk te maken van de afbetaling van zijn geldschulden, omdat hij anders het risico loopt de gevangenis in te moeten.
Conclusie
De kantonrechter:
Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2026 door mr. H.J. Bastin, kantonrechter, in aanwezigheid van D.W. Veenstra, griffier.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.