ECLI:NL:RBNNE:2026:2105

ECLI:NL:RBNNE:2026:2105

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer AWB_LEE 24/4632
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

WOZ – verzoek proceskostenvergoeding. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte zowel een wegingsfactor van 0,25 in verband met het gewicht van de zaak als de vermenigvuldigingsfactor van 0,10 op grond van de Whpkv op de proceskostenvergoeding toepast. Dat leidt volgens eiser tot een ‘dubbeltelling’. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte een wegingsfactor 0,25 heeft toegepast en dat een wegingsfactor 0,5 op zijn plaats is. Het ging in de beroepsfase namelijk weliswaar over een relatief klein geschilpunt, maar dat geschilpunt werd wel inhoudelijk uitgediept. Eisers principiële punt over vermeende dubbeltelling snijdt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de geformuleerde wetgeving, geen hout. De rechtbank ziet aanleiding op de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase artikel 2, derde lid, van het Bpb toe te passen.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 oktober 2024.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres]

per 1 januari 2023 voor het belastingjaar 2024 vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd.

Partijen hebben diverse nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Feiten

In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aan eiser een kostenvergoeding voor rechtsbijstand en voor kosten van een deskundigenrapport toegekend. Voor de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand is hij daarbij uitgegaan van 2 punten voor de verrichte rechtshandelingen, een wegingsfactor 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM (Whpkv) van 0,25.

Naar aanleiding van het op 26 november 2024 door eiser ingediende beroepschrift heeft de heffingsambtenaar op 2 december 2024 meegedeeld de toegepaste wegingsfactor voor de bezwaarfase (0,5) ambtshalve te hebben aangepast naar 1 en het daaruit volgende verschil aan kostenvergoeding te hebben nabetaald.

Omdat er daarmee geen geschil meer bestond over de toegekende proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, heeft de rechtbank eiser gevraagd of hij het beroep wilde handhaven. Daarop heeft hij gereageerd bij brief van 5 december 2024. In de brief van 22 december 2025 heeft hij zijn standpunt bevestigd. De rechtbank heeft deze brief van eiser van 22 december 2025 opgevat als een intrekking plus verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Dat betekent dat de rechtbank zich alleen nog gaat buigen over de proceskostenvergoeding die de heffingsambtenaar verschuldigd is voor de beroepsfase.

Partijen zijn het erover eens dat de vergoeding voor de beroepsfase alleen ziet op de kosten van rechtsbijstand en dat deze moet worden vastgesteld voor één proceshandeling (1 punt voor het indienen van het beroepschrift), met een puntwaarde van € 934. De rechtbank leidt uit de brief van eiser van 16 maart 2026 af dat hij de toepassing van de vermenigvuldigingsfactor van 0,10 als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ als gegeven aanvaardt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank ook terecht. In de eerste plaats is de uitspraak op bezwaar immers gedaan na 1 januari 2024 en in de tweede plaats is het bestreden besluit (de onderliggende waardebeschikking) in beroep niet vernietigd of gewijzigd.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de heffingsambtenaar overeenkomstig artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht van € 51 moet vergoeden.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar ten onrechte zowel een wegingsfactor van 0,25 in verband met het gewicht van de zaak als de vermenigvuldigingsfactor van 0,10 op grond van de Whpkv op de proceskostenvergoeding heeft toegepast. Dat leidt volgens eiser tot een ‘dubbeltelling’, omdat het geringere gewicht al verdisconteerd is in de vermenigvuldigingsfactor van 0,10.

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de reguliere wegingsfactor in verband met het gewicht van de zaak 0,25 moet zijn, omdat dit past bij “het zeer lichte karakter van het resterende geschil”.

5. De rechtbank zal hieronder oordelen over de vraag:

- hoe hoog de reguliere wegingsfactor in verband met het gewicht van de zaak (zie onderdeel C.1 van de bijlage bij het Bpb) moet zijn, en

- als deze volgens de rechtbank lager is dan 1, of daarop dan toch een correctie moet plaatsvinden omdat dit door de gelijktijdige toepassing van de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor tot een dubbeltelling zou leiden, zoals eiser bepleit.

De toegepaste reguliere wegingsfactor 0,25

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte een wegingsfactor 0,25 heeft toegepast en dat een wegingsfactor 0,5 wegens het gewicht van de zaak op zijn plaats is. Zij licht dit oordeel hieronder toe.

De rechtbank overweegt dat het geschil ten tijde van het indienen van het beroepschrift zag op de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Dat rechtvaardigt op zichzelf wel een lagere wegingsfactor dan gemiddeld, maar op dat moment lag er nog wel degelijk een inhoudelijk geschilpunt voor, namelijk de toegepaste wegingsfactor in bezwaar. De beroepsgronden daartegen hadden zowel een inhoudelijke component (waarom geen 1,0 nu de WOZ-waarde in bezwaar is verlaagd?) als een meer principiële component (het hiervoor al genoemde punt van de samenloop met de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor). Anders gezegd: het ging weliswaar over een relatief klein geschilpunt, maar dat geschilpunt werd wel inhoudelijk uitgediept. Dat de heffingsambtenaar vrij snel na het indienen van het beroepschrift aan eiser tegemoet is gekomen, maakt niet dat de (enige) proceshandeling waarover het hier gaat, het indienen van een beroepschrift, met terugwerkende kracht een lichter gewicht krijgt. Dat het resterende geschil wellicht een zeer licht karakter heeft, zoals de heffingsambtenaar stelt, is mosterd na de maaltijd.

Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zou bij onverkorte toepassing van de Whpkv en het Bpb een proceskostenvergoeding rollen van € 46,70 (€ 934 x 0,5 x 0,1). Daarbij komt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van samenhang met de zaken LEE 24/4837 en LEE 24/4925. Dat zou betekenen dat deze vergoeding ook nog verdeeld zou moeten worden over drie zaken. Dat laatste gaat de rechtbank te ver. Zij ziet daarom aanleiding om artikel 2, derde lid, van het Bpb toe te passen. Dat doet de rechtbank door de samenhang-factor achterwege te laten en de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor op 0,25 te stellen. Hiermee blijft de rechtbank zo dicht mogelijk bij de uitgangspunten van het forfait en de Whpkv. Daaruit volgt dan dus een proceskostenvergoeding per zaak van € 116,75 (€ 934 x 0,5 x 0,25). Dat komt de rechtbank redelijk voor. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het Bpb probeert een tegemoetkoming in de kosten te geven én dat de wetgever in de Whpkv een bedrag van ongeveer € 50 per uur als uitgangspunt heeft genomen.

De rechtbank oordeelt hiermee dus eigenlijk dat een tijdsbesteding van ruim twee uur voor de gehele beroepsfase niet onredelijk is en voor vergoeding in aanmerking komt.

Is sprake van dubbeltelling?

7. Het principiële punt van eiser dat toepassing van zowel een reguliere wegingsfactor als de vermenigvuldigingsfactor uit de Whpkv per definitie onevenredig is, snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout. De wetgever heeft immers bewust gekozen voor het vermenigvuldigen met de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor ná het toepassen van het Bpb in al zijn aspecten. De Hoge Raad heeft de wet als zodanig ook geaccordeerd en daarbij gewezen op de (afzonderlijke) mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb. De rechtbank had en heeft dus de ruimte om binnen het al bestaande stelsel af te wijken van het forfait, namelijk door toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Ook geeft de Whpkv zelf uitdrukkelijk de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor helemaal achterwege te laten (zie de slotzin van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ). Met dit alles in het achterhoofd zal de rechtbank dus niet op principiële gronden afwijken van het berekeningssysteem van het forfait zoals vastgelegd in de aanhef van de Bijlage bij het Bpb. Ook zal de rechtbank bij toepassing van de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor niet standaard een wegingsfactor van 1 aannemen (voor het gewicht van de zaak).

Conclusie

8. De rechtbank zal het verzoek om proceskostenvergoeding toewijzen en de heffingsambtenaar op basis van wat hiervoor is overwogen veroordelen tot betaling van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 116,75.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek van eiser toe;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 116,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.

griffier rechter

Uitgesproken in het openbaar op: 26 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand