RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
de burgemeester van de gemeente Midden-Drenthe, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/887
(gemachtigde: mr. R.J. van der Vijver),
en
(gemachtigden: W. de Vries-Dijks en E. Dijkinga).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van chalet [getal] op recreatiepark [adres] (woning). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 19 februari 2026 heeft de politie, na een melding van drugshandel door verzoeker, met een machtiging tot binnentreden op 18 februari 2026 een onderzoek uitgevoerd in de woning. Hierbij zijn aan verdovende middelen aangetroffen 532 vermoedelijke XTC-tabletten, geel van kleur met logo Tomorrowland, 400 vermoedelijke XTC-tabletten, groen van kleur met opdruk Heineken, 61 vermoedelijke XTC-tabletten, geel van kleur met logo Warner Bros, 30 vermoedelijke XTC-tabletten, blauw van kleur met logo Philip Plein, 486,9 gram vermoedelijk amfetamine, 87,3 gram vermoedelijk cocaïne, 2 gevulde ponypacks met vermoedelijk cocaïne, 90,6 gram vermoedelijk ketamine, 54 gram vermoedelijk ketamine verdeeld over meerdere kleine gripzakjes, 73,3 gram van meerdere kleine gripzakjes met vermoedelijk 3MMC en 11,5 gram aan brokstukken in een bakje, vermoedelijk crack. Aan dealgoederen zijn aangetroffen een grote hoeveelheid lege gripzakjes van verschillende afmetingen, meerdere weegschalen, een grote hoeveelheid ongebruikte ponypacks en lege capsules. Aan wapens zijn aangetroffen een busje peppersspray en een taser.
Daarnaast is € 3.756,40 aan contant geld aangetroffen.
Verweerder heeft aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten. Verzoeker heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning vanaf 18 maart 2025 gesloten wordt voor een periode van zes maanden. Op genoemde datum is de sluiting ingegaan.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het toetsingskader bestaat voorts uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), in het bijzonder de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 en de andere uitspraken van die datum.
Bevoegdheid
Verzoeker stelt dat de getoonde machtiging tot binnentreden op grond van de Algemene wet op het binnentreden geen recht geeft op daadwerkelijke doorzoeking van de woning: wel op het zoekend rondkijken maar niet op het openen van kasten en laden en deuren. Zelfs als van de juistheid van de bestuurlijke rapportage wordt uitgegaan, dan nog is er sprake geweest van een onrechtmatige doorzoeking. Verweerder heeft niet voldaan aan de onderzoeksplicht ten aanzien van de betwisting door verzoeker én geen rekenschap gegeven hoe eventuele onrechtmatigheid in het besluit is meegewogen. De bevindingen mogen niet ten grondslag gelegd worden aan de handhaving.
Volgens de vaste rechtspraak van de AbRS betekent de omstandigheid dat bewijs in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen, niet dat het gebruik van dat bewijs in een bestuursrechtelijke procedure niet zou zijn toegestaan. Er bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. In het bestuursrechtelijke geding is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Op de zitting hebben de gemachtigden van verweerder opgemerkt dat het inderdaad beter was geweest als de politie had beschikt over een last tot doorzoeking in plaats van een machtiging tot binnentreden, maar dat de drugs ook op zichtbare plaatsen lagen zodat in zoverre de machtiging tot binnentreden voldeed. De politie heeft gevraagd om toestemming om te zoeken en verzoeker heeft deze gegeven.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt op welke plekken in de woning de drugs zijn gevonden. Evenmin is duidelijk of, en zo ja, in hoeverre verzoeker toestemming heeft gegeven voor het doorzoeken van de woning. Dit dient in de heroverweging op bezwaar nader aan de orde te komen. Er is echter geen concrete aanwijzing dat het bewijs van de aanwezigheid van drugs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van dit bewijs ontoelaatbaar moet worden geacht. Gezien de aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs die zijn opgenomen op Lijst I van de Opiumwet oordeelt de voorzieningenrechter daarom dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Evenredigheid
5. Verzoeker betwist de evenredigheid van de woningsluiting wat betreft de aspecten noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Noodzakelijk
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld (bijvoorbeeld blijkend uit verklaringen van buurtbewoners en het aantreffen van attributen), de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving recent al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel (bijvoorbeeld als opslaglocatie voor handel elders) en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
De voorzieningenrechter overweegt dat in de woning grote en diverse hoeveelheden harddrugs aanwezig waren. Gezien dit grote assortiment en de meldingen over drugshandel door verzoeker elders, gebruikte verzoeker de woning kennelijk als opslagplaats. Daarnaast zijn er ook meldingen dat verzoeker vanuit de woning drugs verhandelde. Er was dus sprake van ongewenste toeloop naar de woning en dit zorgde voor gevoelens van onveiligheid op het recreatiepark. Ook gezien de aanwezigheid van wapens en een grote som contant geld kan geconcludeerd worden dat de woning deel uitmaakte van het criminele circuit.
De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat aan het vereiste van noodzakelijkheid wordt voldaan. De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verzoeker dat met de inbeslagname van de goederen de feitelijke situatie reeds is hersteld zodat met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan. De sluiting is noodzakelijk om de woning aan het criminele circuit te onttrekken.
Evenwichtig
Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de voor de bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Verschillende omstandigheden kunnen van belang zijn. Hiertoe behoren de mate van verwijtbaarheid van de betrokkenen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Relevant is dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. Door sluiting van de woning komt de huurder verder veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met het eigen beleid niet heeft gemotiveerd op welke wijze rekenschap is gegeven aan het woonrecht van artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Er is juist evident in strijd met dit artikel gehandeld. Als bijzondere omstandigheid voert verzoeker aan dat de sluiting van de woning betekent dat verzoeker niet langer een plek heeft waar hij zijn zoontje op kan vangen, waarmee impliciet een einde zou komen aan de co-ouderschapregeling.
De voorzieningenrechter overweegt dat een woningsluiting per definitie een inbreuk op het woonrecht is. Het tweede lid van artikel 8 van het EVRM geeft de mogelijkheid inbreuk te maken voor zover dit bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid. De wetgever heeft hierin voorzien door de burgemeester de bevoegdheid gegeven op het woonrecht inbreuk te maken. Ter zitting hebben de gemachtigden toegelicht op welke wijze in de besluitvorming met het woonrecht rekening is gehouden. De voorzieningenrechter acht dit afdoende. Desgewenst kan verzoeker dit punt in de heroverweging op bezwaar nader aan de orde stellen.
De voorzieningenrechter overweegt dat in deze zaak sprake is van een grote mate van verwijtbaarheid van verzoeker. Verder is van een bijzondere binding met de woning geen sprake nu het kennelijk wel de vaste verblijfplaats is van verzoeker maar het een recreatiewoning betreft en verzoeker elders ingeschreven staat op een briefadres. Verzoeker kan het contact met zijn kind ook op een andere plek onderhouden die hiervoor geschikter is dan een woning die als drugspand wordt gebruikt. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de sluiting evenwichtig is. In de heroverweging op bezwaar kan besproken worden in hoeverre de door verweerder gekozen duur van zes maanden evenwichtig is.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de sluiting in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8.