RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] verzoeker
de burgemeester van de gemeente Midden-Groningen, verweerder
Derde-partij: Woonstichting Groninger Huis te Zuidbroek.
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/926
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en
(gemachtigden: mr. H.A. Vonk en mr. R.S. de Jong).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker op het [adres] (woning). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe omdat de noodzaak van sluiting niet is gebleken. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 13 februari 2026 heeft de energiemaatschappij Enexis op 29 januari 2026 een afwijkend belastingpatroon in elektriciteitskabelnetwerk in de laan van de woning geconstateerd. Bij bezoek aan de laan constateerde de politie dat alleen op het dak van de woning geen sneeuw lag. Nadat de hulpofficier van justitie een machtiging tot binnentreden had uitgeschreven, heeft de politie de woning doorzocht. Hierbij heeft politie in een afgetimmerde ruimte op de eerste etage van de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 82 hennepplanten, 8 assimilatielampen en een aan- en afzuiginstallatie. Ook werd potgrond aangetroffen en werd geconstateerd dat de stroom buiten de meter werd afgenomen.
Verweerder heeft aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten. Verzoeker heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Bij besluit van 16 maart 2026 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning vanaf 25 maart 2025 gesloten wordt voor een periode van drie maanden.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft desgevraagd de sluiting uitgesteld totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het toetsingskader bestaat voorts uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), in het bijzonder de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 en de andere uitspraken van die datum.
Bevoegdheid
4. Niet is in geschil dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Evenredigheid
5. Verzoeker betwist de evenredigheid van de woningsluiting.
Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Geschikt
6. De voorzieningenrechter acht de sluiting van de woning een geschikt middel om herhaling van de overtreding te voorkomen. De argumenten die verzoeker op dit punt heeft aangevoerd, zal de voorzieningenrechter betrekken bij de beoordeling van de noodzaak.
Noodzakelijk
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld (bijvoorbeeld blijkend uit verklaringen van buurtbewoners en het aantreffen van attributen), de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving recent al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel (bijvoorbeeld als opslaglocatie voor handel elders) en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
Op grond van de stukken en hetgeen op zitting is besproken, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kwekerij aangemerkt worden als een professionele hennepkwekerij die is geïnstalleerd door of met hulp van derden. Dit betekent dat de woning een rol heeft vervuld binnen de keten van drugshandel.
Relevant is dat softdrugs zijn aangetroffen, maar harddrugs niet. Verder is niet gebleken dat de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, dat de woning bekend stond als drugspand en evenmin dat er sprake was van toeloop of van overlast of van (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving. Eventuele aanloop op een later moment omdat de toppen op enig moment afgeknipt zouden moeten worden, kan anders dan verweerder betoogt niet bij de beoordeling betrokken worden omdat dat een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder heeft er verder op gewezen dat in de nabijheid in 2019 ook een woning is gesloten, maar dit merkt de voorzieningenrechter niet aan als recent.
Verweerder heeft naar voren gebracht dat zich in 2024 overlast voordeed doordat verzoeker de woning liet gebruiken voor illegale prostitutie, wat heeft geleid tot het opleggen van een last onder dwangsom aan verzoeker bij besluit van 16 augustus 2024. De voorzieningenrechter overweegt dat, wat hier ook van zij, dit geen overlast is als gevolg van een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet.
Wat betreft de gestelde brandgevaarlijkheid door het illegaal (buiten de meter om) afnemen van stroom overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen zelfstandig element is voor de noodzaak van sluiting. Er is namelijk geen rechtstreeks verband met de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Dit argument kan slechts ondersteunend zijn als de noodzaak zich om andere redenen al voordoet.
Het voorgaande betekent dat zich alleen de omstandigheden genoemd in 7.2. voordoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende om de sluiting als noodzakelijk aan te merken, zeker nu aan de overtreding reeds een einde is gemaakt. De maatregel van sluiting is dus onevenredig. Het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang heeft een goede kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
Gezien de onevenredigheid van sluiting wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat het besluit van 16 maart 2026 is geschorst. De woning wordt dus niet gesloten.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.