RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
de burgemeester van de gemeente Leeuwarden
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/741
(gemachtigde: mr. J. Eliya),
en
(gemachtigde: P. Kuperus).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Verzoekster heeft, samen met haar twee minderjarige dochters, in Nederland asiel aangevraagd. Zij verblijft in een asielzoekerscentrum (azc).
Op 9 oktober 2025 heeft verzoekster een rijbewijs aangevraagd. Op 15 oktober 2025 is het aangevraagde rijbewijs aan haar uitgereikt.
Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 heeft de burgemeester het rijbewijs ongeldig verklaard omdat de uitreiking ten onrechte is geweest. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en een tolk. De burgemeester heeft zich afgemeld voor de zitting. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4. In het bestreden besluit licht de burgemeester toe dat bij navraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat aan verzoekster (nog) geen verblijfsvergunning is verleend en dat zij in bezit is van een Vreemdelingen identiteitsbewijs type W (W-document). Het W-document is onvoldoende om rechtmatig verblijf in Nederland aan te tonen, terwijl het hebben van rechtmatig verblijf een wettelijke voorwaarde is voor het verkrijgen van een rijbewijs. De uitreiking van het rijbewijs is ten onrechte geweest en het rijbewijs moet ongeldig worden verklaard.
Met uitgebreide onderbouwing voert verzoekster, samengevat, aan dat het leven van haar en haar dochters stilvalt zonder mobiliteit. Voor hen is het zonder rijbewijs vele malen moeilijker om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Vanuit een azc is dit lastig. Het gezinsleven is toch al moeilijker omdat verzoekster en haar dochters in afwachting zijn van de nareis van hun echtgenoot en vader vanuit Syrië. Vooral de jongste dochter heeft psychische problemen, niet alleen door het missen van haar vader maar ook doordat de hond van het gezin in Syrië is achtergebleven. Met de auto is het voor verzoekster goed mogelijk om deze dochter naar de hulpverlening te kunnen brengen. Om de auto te kunnen aanschaffen, heeft zij haar trouwring verkocht.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat de burgemeester terecht stelt dat uit de toepasselijke wettelijke bepalingen voortvloeit dat het rijbewijs ongeldig moet worden verklaard.
Genoemde bepalingen zijn opgenomen in een wet in formele zin. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft geconcludeerd dat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg staat dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Dit betekent dat het beroep van verzoekster op het evenredigheidsbeginsel en op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
In dezelfde uitspraak heeft de AbRS overwogen dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
Uit de tekst van de bepalingen blijkt dat de wetgever nadrukkelijk de bedoeling heeft gehad dat alleen aan vreemdelingen met een verblijfsvergunning een rijbewijs wordt verstrekt en daarmee dus niet aan een vreemdeling aan wie, in afwachting van de uitkomst een procedure gericht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning, een W-document is uitgereikt. Daarnaast blijkt uit de bepalingen dat rekening is gehouden met de situatie waarin ten onrechte toch een rijbewijs is verstrekt. Voor dat geval heeft de wetgever uitdrukkelijk een procedure in het leven geroepen, met keuze voor ongeldigverklaring van het rijbewijs en voor de termijn die na het besluit verstrijkt voordat die ongeldigheid ingaat. Daarom concludeert de voorzieningenrechter dat de situatie die in deze zaak voorligt, in de afweging van de wetgever is verdisconteerd.
Dit betekent dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De prijzenswaardige inspanningen van verzoekster om voor haar dochters en haarzelf vanuit hun verblijf in een azc een zinvol bestaan op te bouwen in Nederland, kunnen niet tot een andere conclusie leiden.
6. De voorzieningenrechter stelt ten slotte vast dat de burgemeester heeft aangeboden de door verzoekster gemaakte kosten voor leges en pasfoto’s te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Wegenverkeerswet
Artikel 111
3. Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet. Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken.
Artikel 124
1. Onverminderd de artikelen 132, tweede lid, en 134, vierde lid, wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig verklaard indien:
(…)
b.na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;
2. De ongeldigverklaring geschiedt:
(…)
c. in de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gevallen door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister, dan wel door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
3. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
4. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij degene die het ongeldig heeft verklaard.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
(…)
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;