ECLI:NL:RBNNE:2026:2120

ECLI:NL:RBNNE:2026:2120

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer LEE 26/825
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Opvolgende beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het IMG.

Uitspraak

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het IMG

(gemachtigden: mr. B.P. van der Togt en T. de Boer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het opvolgende beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het IMG.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het IMG.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 29 juli 2024 een aanvraag Duurzaam Herstel bij het IMG ingediend. 2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om op de aanvraag van eiseres te beslissen inmiddels (ruimschoots) is verstreken.

3. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. Het IMG moest binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van 22 januari 2026 alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als het IMG niet op tijd een besluit neemt, door het IMG aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet worden betaald voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

4. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister laten weten dat zij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen (de ingebrekestelling). Bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. Verder is het vaste jurisprudentie dat procesbelang bestaat ondanks het feit dat de rechterlijke dwangsom die in een eerdere procedure is opgelegd nog niet is volgelopen.

5. In de uitspraak van 22 januari 2026 heeft de rechtbank het IMG een beslistermijn opgelegd van zes weken. Het IMG heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.

6. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

7. Het IMG moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.

8. Op de zitting van 25 maart 2026 heeft het IMG toegelicht welke stappen nog moeten worden gezet om te komen tot een afronding van de behandeling van de aanvraag van eiseres. Het IMG is afhankelijk van derden, meer in het bijzonder van de rapportage door een bouwbedrijf. Nadat op 10 februari 2026 de benodigde rapportage door het bouwbedrijf was opgeleverd bleek dat aanvullende informatie noodzakelijk was. Deze is door het bouwbedrijf op 24 maart 2026 aan het IMG verstrekt. Het IMG kan nu beoordelen of aan de criteria is voldaan en heeft ter zitting aangegeven dat te kunnen doen binnen een periode van 14 dagen. Toegezegd is dat de rapportage uiterlijk 14 dagen na de datum van bekendmaking van deze uitspraak door het IMG in bezit gesteld kan worden van eiseres. Vervolgens heeft eiseres - zoals ter zitting besproken - uiterlijk 14 dagen de tijd om op de rapportage te reageren. Dat kan door akkoord te gaan met de inhoud van de rapportage, deze te bestrijden of door het formuleren van een zienswijze. Het IMG heeft toegezegd binnen een dag na ontvangst van de reactie van eiseres een besluit te kunnen nemen. Tegen dat besluit kan door eiseres, indien zij de inhoud ervan bestrijdt, bezwaar gemaakt worden. 8.1. Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank de nadere beslistermijn in deze zaak op vier weken, waarbij geldt dat het IMG binnen twee weken de rapportage aanlevert aan eiseres, eiseres binnen twee weken haar reactie daarop aan het IMG kenbaar maakt en het IMG vervolgens uiterlijk de volgende werkdag een besluit bekend maakt. 9. De rechtbank bepaalt in deze zaak voorts dat, als het IMG niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn alsnog een besluit op de aanvraag neemt, opnieuw een dwangsom van € 100,- moet worden betaald voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, opnieuw met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. Als het bestuursorgaan een weigerachtige houding heeft, kan de rechtbank het bedrag van de dwangsom verhogen. In dit geval doet de rechtbank dat niet. Er is geen sprake van een weigerachtige houding bij het IMG, maar van - algemeen bekende - capaciteitsproblemen en afhankelijkheid van derden. Toch is het belangrijk dat het IMG spoedig een beslissing neemt op de aanvraag van eiseres. Daarom overweegt de rechtbank dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- redelijk is. Deze dwangsom gaat in op het moment dat de in de vorige procedure opgelegde dwangsom volledig is verbeurd. De bij uitspraak van 22 januari 2026 opgelegde rechterlijke dwangsom is aangevangen op 6 maart 2026 en eindigt op 3 augustus 2026. Dit betekent dat de bij deze uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt op 4 augustus 2026.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het IMG vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet het IMG dat niet, dan is het IMG aan eiseres met ingang van 4 augustus 2026 een dwangsom verschuldigd.

Omdat het beroep gegrond is moet het IMG het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het IMG moet deze vergoeding betalen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een halve punt toegekend. Voor de deelname aan de zitting wordt 1 punt toegekend. Een punt heeft een waarde van € 934,-. Daarmee bedraagt de vergoeding € 1.401,-. Verder is niet gebleken van kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Griffier

  • mr. H. Hulst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand