[naam 1] en [naam 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder
(gemachtigde: T. Schuurman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Op 18 december 2025 en 23 december 2025 heeft verzoekster [naam 1] (verzoekster) bij verweerder drie verzoeken op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) ingediend. Verweerder heeft op deze verzoeken met het besluit van 15 januari 2026 beslist. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 februari 2026 heeft verweerder het besluit van 15 januari 2026 gewijzigd. De bezwaarschriftencommissie Hoogeveen heeft verzoekster uitgenodigd voor een besloten hoorzitting op 1 april 2026. Bij brief van 10 maart 2026 heeft verzoekster verweerder bericht dat zij niet zal verschijnen op de hoorzitting van 1 april 2026.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel te treffen die verweerder verbiedt om tijdens de hoorzitting van 1 april 2026 persoonsgegevens van verzoekers verder te verwerken. Verzoekster heeft dit als volgt toegelicht:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen wil op 1 april 2026 een hoorzitting houden in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 15 januari 2026 over de afhandeling van mijn AVG‑verzoeken en de dossierinzage van mij en mijn minderjarige dochter. Tijdens die hoorzitting zullen onze persoonsgegevens opnieuw uit het betwiste jeugdhulp‑ en AVG‑dossier worden gehaald, besproken en gedeeld door of namens het college. Die verdere verwerking is onomkeerbaar en gebeurt terwijl over de rechtmatigheid van die verwerking en de digitale dossiervorming al een bodemprocedure loopt (LEE 26/584 AVG). Ik heb sinds 2 mei 2025, en in elk geval uiterlijk op 19 juni 2025, verdere verwerking van persoonsgegevens, communicatie met derden en telefonische benadering expliciet betwist en verboden (met een beroep op artikel 21 AVG) en sinds 12 december 2025 uitdrukkelijk verzocht om afhandeling uitsluitend op schriftelijke basis,
zonder hoorzitting en zonder enige mondelinge behandeling.
In het verweerschrift van 18 maart 2026 heeft verweerder als volgt gereageerd:
Allereerst zal tijdens de hoorzitting niet worden ingegaan op de inhoud van het CJG-dossier van verzoekster of haar dochter. De bezwaarschriftencommissie heeft geen CJG-dossiers van verzoekster of haar dochter ontvangen, aangezien de commissie deze dossiers niet nodig heeft voor de toetsing van het bezwaar. De kern van het geschil is namelijk of de identiteit van verzoekster voldoende is vastgesteld om tot verstrekking van het CJG-dossier over te gaan. Daarnaast is in geding of verzoekster een geldige volmacht heeft overlegd waarmee zij kan aantonen dat haar dochter haar gemachtigd heeft om haar CJG-dossier te ontvangen. Hier heeft de beschikking van 18 februari 2026, alsmede het bezwaarschrift van verzoekster van 15 januari 2026, betrekking op. Van enig gebruik van de inhoud van beide dossiers tijdens de hoorzitting op 1 april 2026 is geen sprake. Hierdoor zullen de door verzoekster als ‘onomkeerbare’ beschreven gevolgen zich dan ook niet voordoen.
Gezien de dossierstukken en de toelichtingen van partijen overweegt de voorzieningenrechter dat op de besloten hoorzitting in zoverre persoonsgegevens in de zin van de Avg worden verwerkt dat de namen van verzoekers worden genoemd. Deze verwerking is noodzakelijk en gerechtvaardigd. Er is geen aanwijzing dat van een verdere verwerking van persoonsgegevens sprake zal zijn. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om de gevraagde voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 4
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
2) „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
Artikel 5
1. Persoonsgegevens moeten:
a. a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);
b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd
(„doelbinding”);
c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);