ECLI:NL:RBNNE:2026:2124

ECLI:NL:RBNNE:2026:2124

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 18-146299-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot moord. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Voortzetting van de huidige tbs-maatregel. Toewijzing vordering schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel bij OVAR zonder oplegging van een straf of maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-146299-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.A.C. van Mulbregt, advocaat te 's-Gravenhage.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 april 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk met voorbedachte rade [slachtoffer] , al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een (porseleinen) scherf, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of het gezicht, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het terroristisch oogmerk.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het terroristisch oogmerk. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs van het overige ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het terroristisch oogmerk, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 6 april 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een (porseleinen) scherf, in de hals en het gezicht van die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit volledig ontoerekeningsvatbaar was en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitia rapportage, gedateerd 1 februari 2026, opgesteld door D.C.W.H. Naus, psychiater en R. Bout, GZ-psycholoog.

De Pro Justitia rapportage houdt ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte onder meer in zakelijk weergegeven dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en, thans in langdurige remissie, een stoornis in alcohol- en cannabisgebruik. Hiervoor werd hij ten tijde van het ten laste gelegde reeds in een tbs-kliniek behandeld. Door het afbouwen en wisselen van medicatie werd verdachte in de loop van de tijd geleidelijk weer psychotisch. Verdachte hield zich in toenemende mate bezig met het geloof door meer te bidden en zich af te zonderen van anderen. Het ziektebesef nam af. Verdachte heeft achteraf verteld dat hij in

desbetreffende periode last had van auditieve hallucinaties in de vorm van het horen van stemmen. Hij hoort de stem van god die hem opdrachten geeft. Na een incident belandt verdachte in de isoleercel, alwaar hij van god de opdracht kreeg om aangever dood te steken. Door de toenemende psychotische belevingen, kon hij op den duur geen weerstand meer bieden aan de opdrachten uit angst om in de hel te komen, waardoor hij ondanks zijn van nature niet-agressieve inborst tot gewelddadig gedrag kwam.

Gezien voornoemde, kan worden geconcludeerd dat verdachte ook al was hij al jaren boos op het slachtoffer niet eerder dan onder invloed van zijn psychotische problematiek de opdracht kreeg van god om het slachtoffer te doden. Hij was op dat moment enkel bezig met zijn geloof en niet in staat om de wederrechtelijkheid van zijn gedrag te overzien. Onderzoekers zien, ondanks dat er in de voorgeschiedenis sprake was van een reëel conflict tussen verdachte en het slachtoffer, een volledige doorwerking van de vastgestelde psychotische stoornis in het hem ten laste gelegde. Onderzoekers adviseren dan ook om het ten laste gelegde hem niet toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemd rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies met betrekking tot de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare. Gelet op de inhoud hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat de bewezenverklaarde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

De maatregel van terbeschikkingstelling

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen nieuwe maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) dient te worden opgelegd, maar dat de huidige maatregel dient te worden voorgezet.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het feit gepleegd tijdens een lopende tbs-maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte opnieuw een tbs-maatregel op te leggen. Door de deskundigen is in het Pro Justitia rapport geadviseerd om de behandeling binnen de huidige tbs-maatregel voort te zetten. Daarnaast is de stoornis die aan de eerdere feiten, waarvoor de lopende tbs-maatregel is bevolen, ten grondslag lag thans nog aanwezig en zijn deze eerdere feiten soortgelijk aan het onderhavige feit. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling binnen de huidige tbs-maatregel dient te worden voortgezet.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.650 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit 150 voor beschadigde kleding en 1.500 aan buitenrechtelijke kosten, en 21.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde materiële schade voor een gedeelte voor zover dat ziet op 1.500 aan buitenrechtelijke kosten niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade, voor zover betrekking hebbend op de kleding, voldoende onderbouwd is. De gevorderde vergoeding voor (toekomstige) buitengerechtelijke kosten dient niet-ontvankelijk verklaard te worden. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dit tot een bedrag van 10.000 kan worden toegewezen en de vordering voor overige niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Het gestelde geestelijke letsel is volgens de officier onvoldoende onderbouwd. De vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor de kosten voor de beschadigde kleding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de buitenrechtelijke kosten van 1.500 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daarnaast is verzocht de vordering van de immateriële schade te matigen. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht om bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling van één dag toe te passen.

Oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid van de benadeelde partij

Artikel 361, tweede lid, Sv bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering als aan verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven op de gronden, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de Wet forensische zorg, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a Sr.

Zoals hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van een poging tot moord en wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het feit hem niet kan worden toegerekend. Hoewel op zichzelf aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, achtte de rechtbank het in dezen niet noodzakelijk opnieuw een tbs-maatregel op te leggen. Aan verdachte is derhalve geen straf of maatregel opgelegd. Deze situatie leidt tot de vraag of de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk is. Hiertoe overweegt de rechtbank, zoals in de lagere rechtspraak al eerder is gedaan, het volgende.

Kijkend naar de tekst van artikel 361 Sv is aan het vereiste voor ontvankelijkheid niet voldaan. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet alleen gekeken dient te worden naar de tekst van de wet, maar ook naar de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering nieuwe toevoeging van een artikellid aan de regeling van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij. In de wetsgeschiedenis wordt over dat nieuwe artikellid het volgende opgemerkt.

Dit artikellid voegt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden nog twee toe. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn algemeen, dat wil zeggen dat zij gelden voor alle benadeelde partijen, dus ongeacht of de voeging is gebaseerd op artikel 1.5.10, eerste lid, op artikel 1.5.10, tweede lid dan wel op artikel 1.5.12. Vergelijkbare ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn thans opgenomen in artikel 361, tweede lid.

Dit lid bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien: (a) de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van

rechtsvervolging en (b) de gevorderde schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden. De formulering van deze ontvankelijkheidseisen verschilt op beide onderdelen van die van artikel 361, tweede lid. Daar wordt onder a als eis geformuleerd dat aan de verdachte enige straf of maatregel is opgelegd dan wel artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast. Die formulering maakt het mogelijk om de verdachte die niet wordt veroordeeld, maar die op grond van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging in het strafproces tot schadevergoeding te veroordelen, mits aan die verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd. Die laatste eis mist echter goede grond.

Ontoerekeningsvatbaarheid vormt naar burgerlijk recht geen grond voor afwijzing van de vordering. Daarbij is niet van belang of aan de gedaagde in een eventueel strafproces een maatregel is of wordt opgelegd. Waarom de toewijzing van de vordering daarvan wel afhankelijk moet zijn als die vordering gevoegd wordt behandeld in het strafproces, valt niet goed in te zien.

De rechtbank ziet reden te anticiperen op de nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 361 Sv. Zij merkt daarbij op dat deze verruiming van de ontvankelijkheid van benadeelde partijen niet omstreden is in de politiek, en dat het in de kern om een civiel onderdeel (onrechtmatige daad) in strafvordering gaat en dat dan een anticiperende interpretatie voor de hand ligt, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn niet te anticiperen. De rechtbank ziet in deze zaak geen zwaarwichtige redenen.

Daarnaast ziet de rechtbank in het feit dat in deze zaak formeel wel voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel, eveneens reden om de vordering ontvankelijk te verklaren.

Het voorgaande leidt ertoe dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en dat de rechtbank de vordering dan ook inhoudelijk zal beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade voor de beschadigde kleding heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering is niet door de verdediging betwist en zal daarom worden toegewezen. De vordering zal voor wat betreft de gevorderde buitenrechtelijke kosten van 1.500 niet-ontvankelijk worden verklaard, nu het hier mogelijke, toekomstige schade betreft. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Door de benadeelde partij is daarnaast de vergoeding van immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. En hoewel de gestelde psychische schade summier is onderbouwd, brengt de aard en ernst van de normschending naar het oordeel van de rechtbank mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat eveneens een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal overweegt de rechtbank dat zij vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van 15.000 billijk vindt en de vordering zal, nu deze tot dit bedrag ook niet betwist is, worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 april 2025.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt worden.

Schadevergoedingsmaatregel

De tekst van artikel 36f Sr lijkt het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in deze zaak niet toe te staan. De vereisten voor de schadevergoedingsmaatregel corresponderen in die zin met die van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Indien de rechtbank deze grammaticale interpretatie van artikel 36f Sr zou volgen dan zou de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen civiele schade zelf bij verdachte moeten verhalen. In dat geval lopen de ontvankelijkheidseisen van artikel 361 Sv en de eisen van artikel 36f Sr uit elkaar. De strekking van de artikel 36f Sr is de positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. Daarmee strookt dat ten aanzien van een in het strafproces toegewezen civiele vordering de schadevergoedingsmaatregel moet kunnen worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f Sr op te leggen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor het bewezen strafbare feit waarvoor schade is toegewezen, zal de rechtbank de vervangende gijzeling op nihil vaststellen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Stelt vast dat het bewezen verklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 15.150 (zegge: vijftienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 150 aan materiële schade en 15.000 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Nieuwenhuis, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank

op 2 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Nieuwenhuis
  • mr. S. Zwarts
  • mr. T.R. Bosker

Griffier

  • mr. S.G. Martire

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand