RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-242911-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.H. Lek, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in bijlage I.
De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.
Kort gezegd wordt verdachte verweten dat hij
2. Op 14 september 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en feit 2. Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte door zijn handelen, de kracht, intensiteit en duur van het dichtknijpen van de keel, alsmede de verschillende letsels die zijn aangetroffen bij [slachtoffer 1] , bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op haar dood. Zo blijkt onder meer uit de LOEF-rapportages dat de bloeduitstorting aan de voor- en linkerzijde van de hals van [slachtoffer 1] , passen bij een samendrukkende kracht op de hals en dat dit mogelijk levensbedreigend is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel feit 1 primair als subsidiair en feit 2. Daarnaast moet verdachte gedeeltelijk worden vrijgesproken van feit 1 meer subsidiair. Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] een keer heeft geduwd, bij de haren heeft gepakt en zijn hand op haar mond heeft gelegd. Ten aanzien van feit 2 heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en dat bij haar geen letsels zijn aangetroffen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht zowel feit 1 primair als subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijke) opzet op het overlijden van het slachtoffer
respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer door zijn gedragingen zou hebben kunnen doden of bij het slachtoffer zwaar lichamelijk zou hebben kunnen aanrichten. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier weinig tot geen informatie over onder meer de kracht, intensiteit en duur van het dichtknijpen van de keel.
Uit de LOEF-rapportage en het lichamelijk onderzoek dat in dat kader is verricht, volgt dat er bij aangeefster sprake is van letsel en symptomen die kunnen ontstaan ten gevolge van een stompe krachtsinwerking (zoals een samendrukkende kracht op de hals). Het letsel dat bij aangeefster is vastgesteld is echter relatief gering. Hieruit kan niet geconcludeerd worden dat van een langdurige(re) strangulatie sprake is geweest. In het ambulance ritformulier staat zelfs weergegeven dat er sprake is geweest van kortdurend proberen te verstikken/stranguleren en dat dit enkele seconden heeft geduurd. Ook in de LOEF-rapportage wordt uitgegaan van een strangulatie van enkele seconden. Gelet op de duiding van de gevaarzetting van het dichtknijpen van de keel (strangulatie) door het LOEF in algemene zin, is bij een kort(er) durend dichtknijpen van de keel niet zonder meer sprake van het intreden van de dood. De rechtbank overweegt verder dat van het door aangeefster omschreven bewustzijnsverlies onvoldoende duidelijk is wat daarvan de oorzaak is en dat de mate van bewustzijnsverlies, gelet op de inhoud van de LOEF-rapportage, niet is vast te stellen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte het enkele seconden dichtknijpen van de keel van aangeefster sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster.
Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het hoofd van aangeefster meerdere malen tegen de vloer heeft geslagen. De verklaring van aangeefster hierover wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] . Over de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht, zoals de kracht en intensiteit waarmee dat is gebeurd, kunnen op basis van het dossier geen vaststellingen worden gedaan. Uit het ambulanceverslag of de LOEF-rapportages blijkt niet van enig letsel aan het hoofd van aangeefster. Ook langs die weg kunnen geen vaststellingen worden gedaan over de omstandigheden waaronder het slaan van het hoofd tegen de grond is verricht. Over de oorzaak en de mate van het door aangeefster omschreven bewustzijnsverlies is evenmin uitsluitsel te geven. De rechtbank verwijst op dit punt naar haar overweging in het kader van de poging doodslag hierboven. De rechtbank is daarom tevens van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.
Zoals gezegd wordt verdachte daarom vrijgesproken van zowel de poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling.
De rechtbank acht feit 1 meer subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 19 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op zondag ben ik rond 23:00 de kamer binnengegaan. Ik heb [slachtoffer 1] geduwd, bij haar haren vastgepakt en mijn hand op haar mond gelegd. Ik wilde dat ze stil zou zijn. Daarnaast heb ik [slachtoffer 1] haar hoofd vastgepakt om via gezichtsherkenning haar telefoon te ontgrendelen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2025, opgenomen op pagina 69 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025169 (onderzoek MOABI) d.d. 19 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Pleegdatum/tijd: Tussen zondag 14 september 2025 om 23:05 uur en zondag 14 september 2025 om 23:15 uur. Toen ik de deur opendeed kwam ineens mijn man binnen. Die was helemaal boos. Hij pakte me beet bij mijn keel en probeerde mij stil te maken zodat ik niet schreeuwde. Hij heeft ook mijn vriendin geslagen. Daarna pakte hij mij weer beet. Ik was op de grond gevallen door zijn geweld. Hij heeft op mijn buik bovenop mij gezeten en heeft mijn keel vastgepakt. Toen hij mijn keel gepakt had kon ik niet ademhalen. Ik kreeg het benauwd. Het dichtknijpen van mijn keel deed heel veel pijn. Hij pakte mijn keel vast met twee handen. Hij was met beide handen aan het knijpen. Toen mijn vriendin begon te schreeuwen ging mijn man haar slaan. En daardoor kon ik weer ademhalen. Daarna kon ik opstaan en de deur van de kamer openmaken. Nadat mijn man zag dat de deur open was en zag dat er iemand voor de deur stond, pakte hij mij bij mijn haar vast en maakte de deur weer dicht. Terwijl hij mijn haar vast had begon hij mijn hoofd tegen de vloer en de deur te slaan. Dit gebeurde ongeveer 6 keer. Ik heb nu last van hele erge hoofdpijn. Mijn achterhoofd en nek doen erg veel pijn. Mijn man heet [verdachte] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2025, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik zag dat [verdachte] naar [slachtoffer 1] toe liep. Ik zag dat hij haar naar de grond duwde. Ik zag dat hij probeerde om de telefoon van haar te ontgrendelen. Ik zag dat hij haar gezicht vastpakte aangezien haar telefoon met gezichtsherkenning geopend kon worden. Ik voelde dat hij mij vervolgens bij mijn haar pakte met kracht en door de kamer sleurde. Ik voelde dat hij mij met kracht wegduwde en ik kwam hierdoor tegen de muur aan. Ik voelde hierbij pijn. Ik zag dat hij vervolgens weer terug ging naar [slachtoffer 1] . Ik zag dat hij bovenop haar ging zitten zodat zij geen kant op kon. Ik zag dag hij haar vastpakte bij haar haren aan de zijkant van haar hoofd. Ik zag dat hij haar hoofd vervolgens meerdere keren op de grond sloeg. Ik zag dat haar hoofd met de achterzijde de grond hard raakte. Ik zag dat hij vervolgens haar in haar gezicht sloeg.
4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO d.d. 7 oktober 2025 opgemaakt door M. Balai, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudend als haar verklaring:
Op 16 september 2025 werd bij LOEF in Leerbroek een forensisch-medisch onderzoek niet-fatale strangulatie uitgevoerd bij mevrouw [slachtoffer 1] . Tijdens dit onderzoek zijn er de volgende bevindingen:
- Er waren bloeduitstortingen op de bovenlip en op het slijmvlies aan de binnenzijde van de bovenlip, aan de hals, op de linker onderarm en de achterzijde van het rechteronderbeen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank neemt in overweging dat de gebeurtenissen in de avond van 14 september 2025 zich in een rap tempo hebben afgespeeld. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat na de chaotische gebeurtenissen in de kamer de verklaringen van aangeefster/getuige [slachtoffer 2] in eerste instantie onvolledig heeft kunnen zijn en dat nadien afgelegde verklaringen daardoor deels kunnen afwijken. Dat neemt volgens de rechtbank niet weg dat de eerste verklaring van getuige/aangeefster [slachtoffer 2] , in samenhang met de aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] , de objectieve letselverklaring en de verklaring van verdachte zelf, een coherent beeld laten zien van wat zich die avond in de kamer heeft afgespeeld. De rechtbank oordeelt dat de eerste verklaring van [slachtoffer 2] als gedetailleerd en in de kern consistent kan worden beschouwd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 meer subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. meer subsidiair
hij op 14 september 2025 te Groningen zijn echtgenote, te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door
2
hij op 14 september 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zesendertig maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte voor de duur van vijf jaren wordt opgelegd de maatregel ex artikel 38v Sr in de vorm van een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] , alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel en telkens twee weken vervangende hechtenis indien verdachte de maatregel overtreedt. Als laatste heeft hij gevorderd dat aan verdachte de maatregel ex artikel 38z Sr wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraken, gepleit voor een straf die aansluit bij de richtlijnen van mishandeling. De door de officier van justitie gevorderde maatregelen vindt zij niet proportioneel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 3 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich, nadat hij op slinkse wijze haar afgesloten kamer op het COA is binnengedrongen, schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer 1] . Ook een toevallig aanwezige vriendin moest het ontgelden. Verdachte heeft hen onder meer aan de haren getrokken en geslagen. Het geweld is pas gestopt toen medebewoners van het COA de deur hebben geforceerd waarna verdachte er vandoor is gegaan. Verdacht ging zijn ex-partner te lijf in het bijzijn van hun minderjarige dochter, die op dat moment al aan het huilen was. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee en acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de OxRec, het risicotaxatie-instrument dat de reclassering gebruikt, komt een algemeen laag risico op recidive en een laag-gemiddeld risico op letsel. Anders dan de officier van justitie gebruikt de rechtbank de
uitkomsten van het B-safer risicotaxatie-instrument niet, omdat daarin ook andere feiten zijn betrokken, die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Verder is verdachte (in Nederland) niet eerder veroordeeld, heeft hij te kennen gegeven geen contact meer te willen met zijn ex-partner en is inmiddels een verzoekschriftprocedure gestart omtrent hun scheiding, waarin hij berust.
Straf
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden is. De door de officier van justitie gevorderde maatregelen en het contactverbod, acht de rechtbank gelet op de aard en omvang van de bewezenverklaarde feiten niet proportioneel en zullen daarom niet worden opgelegd. Daarbij komt dat afspraken omtrent hun dochter gemaakt kunnen worden tijdens de afhandeling van de eerdergenoemde verzoekschriftprocedure.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 4.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de vordering voldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat de schade die benadeelde partij heeft geleden, dient te worden gekwalificeerd als licht letsel. Zij meent dat bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding aangesloten kan worden bij de Rotterdamse Schaal (categorie 13 (licht letsel), sub (c)), te weten een schadevergoeding van maximaal 1.100,00.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 meer subsidiair bewezen verklaarde. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en de vordering tot op zekere hoogte niet door verdachte is betwist, zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van 1.100,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 september 2025. De rechtbank zal de vordering voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Wijst de vordering van benadeelde partij voor het overige af.
Bepaalt dat benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.100,00 (zegge: duizend honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.100,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2026.
Bijlage I:
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Groningen zijn echtgenote, te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door
2
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door